Als je eigen tijd je donker voorkomt, kan het helpen om je licht op te steken bij mensen uit het verleden. Je ziet dat alles veel erger kan, en wie weet leer je nog wat. Dus leek het me goed in de aanloop naar 4 mei Cleveringa er eens bij te pakken. In 1940 hield de decaan van de rechtenfaculteit Leiden een protestrede tegen het schorsen van zijn Joodse collega-hoogleraar Meijers. Acht maanden gevangenisstraf kreeg hij: een held van zijn én onze tijd. De speech is uitgeroepen tot de beste Nederlandse toespraak allertijden.
Deze week las ik de rede voor het eerst, en, ik weet niet hoe ik dit kan formuleren op een manier die de lezer niet meteen de krant of tablet door de kamer doet gooien, maar hij viel me nogal tegen. Of laat ik het zo zeggen, hij zette me absoluut aan het denken, maar niet enkel op de manier die ik had verwacht.
Wat blijkt, Cleveringa houdt een lang betoog over hoe onwaarschijnlijk fantastisch het cv van collega Meijers is. Eindeloos lyrische opsommingen over wat Meijers heeft betekend voor het burgerlijk recht, dat is de bulk van de speech. En dus, constateert Cleveringa aan het eind, is het een onrecht dat een ‘vreemdeling’ zo’n onberispelijk iemand uit het ambt zet. Bovendien mag het niet van de Nederlandse grondwet.
Ik weet niet wat ik hiermee aan moet. Om Cleveringa vanuit mijn bureaustoel de les te gaan lezen zou volkomen – en pijnlijk – misplaatst zijn. In een land dat 107.000 joodse Nederlanders heeft afgevoerd, was hij die zeldzame omstander die wel protesteerde, en die daar een hoge prijs voor betaalde. Wat wil je in hemelsnaam nog meer?
Maar ik kom er niet onderuit: ik vind het pijnlijk dat Cleveringa geloofde dat het nodig was deze argumenten aan te voeren. Maakt het iets uit of Meijers briljant was? Wat als hij een middelmatige loser was geweest? Is excelleren een voorwaarde om erbij te horen? Was dit niemand eerder opgevallen?
Natuurlijk wel. Ik vond het verslag van de destijds aanwezige Huib Drion, die als student in het verzet zat, en vijftig jaar later vertelt dat ook hij toen al „het gevoel [had] dat de grote lofrede op Meijers niet helemaal terzake was”. Het bleef hem altijd een beetje dwars zitten: „Hoe kon een zo principieel voelend man als Cleveringa – en een zo goed jurist – ertoe komen om zijn verontwaardiging over de Duitse maatregel tegen alle Joodse ambtenaren om te buigen in een verontwaardiging over de schandelijkheid om een zo groot geleerde als Meijers was, van zijn functies te ontheffen?”
Drion wijt het aan Cleveringa’s grote bewondering voor Meijers. Ik vermoed dat er daarnaast iets anders meespeelt, iets wat we ons tachtig jaar later als toeschouwers van genocide en onrecht zouden mogen aantrekken. Wij willen heus mededogen hebben met slachtoffers. Maar niet zomaar. Het helpt als die slachtoffers perfecte engelen zijn. Dat voelde Cleveringa, als hij het zelf niet onbewust geloofde, denk ik haarscherp aan.
Deze logica geldt nog altijd. Ik las deze week ook het boek Perfect victims van Mohammed el-Kurd over de onmogelijke voorwaarden waar Palestijnen aan moeten voldoen om in westerse ogen in aanmerking te komen voor mensenrechten. Zo zijn Palestijnse mannen bijna bij voorbaat uitgesloten van slachtofferschap. En dus krijgt veel online Gaza-activisme de vorm: ‘Kijk wat een schattige kindjes en moeders, met onschuldig herkenbare hobby’s, met ongevaarlijke, grote ogen.’ En natuurlijk is het doden van kinderen schandalig. Maar volwassen mannen hebben ook mensenrechten.
Bij het verdedigen van ongedocumenteerde inwoners van de VS gaat het net zo: de onkreukbaarheid van de gedeporteerde moet omstandig bewezen worden. ‘Kijk deze slimme, zachtaardige, smetteloze, knappe vrouw die haar geneeskundeopleiding niet kan afmaken omdat ze nu in een gevangenis zit zonder schoon drinkwater.’
Deze tactiek is pervers. Maar ja, wat te doen met die vaststelling? Je kan nog zo hemeltergend gelijk hebben dat het niet nodig zou moeten zijn je perfecte slachtofferschap ten toon te spreiden, in noodgevallen geldt ook: whatever works. Het laatste wat ik wil, is Cleveringa (of mensen die nu opkomen voor genocideslachtoffers, of hun gedeporteerde buren) aan een zuiverheidstest onderwerpen. ‘Ja, je kwam op voor je Joodse collega’s, maar niet op de goede manier.’
Maar het is wel nuttig voor ons, nu, om nog eens na te gaan waarom we ook alweer tegen genocide zijn, tegen het ontslaan van ‘niet-Ariërs’, tegen geweld tegen migranten. Niet alleen omdat het niet mag van de wet, mag ik hopen. Niet omdat het ten koste gaat van modelburgers die de maatschappij niet kan missen. Nee, daar zijn we tegen, omdat het ten koste gaat van mensen.
Toch?