Home

Stéphanie Hoogenberk (‘Shitshow’): ‘Ik denk dat we geen steek verder komen als we niet openhartiger zijn’

Dat ze gevreesd is vanwege haar scherpe pen en podcast, en tegelijkertijd een heel gevoelig iemand is, vindt Stéphanie Hoogenberk juist géén tegenstelling. ‘Ik denk dat die gevoeligheid juist bewerkstelligt dat je op een ander gebied harder bent.’

is tv-maker, schrijver en journalist. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

‘Niet de hele tijd opschrijven dat ik huil hoor. Niet bij elke keer: hier begint ze weer te huilen’, lacht Stéphanie Hoogenberk op driekwart van het gesprek, als er voor de zoveelste keer dikke tranen over haar gezicht rollen.

De 40-jarige columnist, journalist en schrijver, die bekendstaat om haar scherpe pen, publiceert deze week het (dag)boek Wij vinden dat fijn, dat ze schreef over de tijd dat haar moeder ongeneeslijk ziek werd en zijzelf een late miskraam kreeg. Vijf dagen nadat haar moeder hoorde dat ze uitgezaaide bot- en longkanker had, was het hartje van haar baby na veertien weken gestopt. Vier maanden later werd Hoogenberk opnieuw zwanger. Haar moeder kuste haar zwangere buik nog gretig, maar overleed drie maanden voordat Hoogenberk moeder werd van een dochter. Op Moederdag. Lore is nu 11 maanden, Hoogenberk draagt het boek aan haar op.

Woensdag 8 mei 2024, Amsterdam, is Hoogenberks eerste dagboekaantekening. ‘Toen ik mijn miskraam nog moest opwekken met allerhande pillen, belde ik de avond van tevoren mijn tante op, Barbara, en ze zei: Stef, ik weet gewoon niet wat ik moet zeggen, ik heb er geen woorden voor en durf je daarom ook bijna niet te bellen. Heb het zelf ook nooit meegemaakt. Wel mijn overbuurvrouw, Bianca. Ja. Die heeft het toen onder de boom in de tuin begraven, ja, dat weet ik nog, en die boom is ook vlak daarna doodgegaan.

Twee jaar geleden schreef Hoogenberk ook een autobiografie, We hebben het over je gehad, toen over vriendschappen. Zoals de na 22 jaar stukgelopen vriendschap met haar jeugdvriendin Susan – ‘Sommige mensen kunnen trots kijken zonder dat het irriteert. Susan niet.’ Vooral Susans ouders Jos en Astrid Houben – alle namen in het boek zijn gefingeerd – waren bedreven in steken onder water. ‘Jij hebt best grote voeten,zei Astrid tegen me op een toon alsof Susan haar best eerder over die imperfectie had mogen vertellen. Ze kikkerde er zichtbaar van op. En een beetje platvoeten ook, of niet?’

Schrijver Herman Koch sprak van een ‘ijzersterk debuut’. ‘De personages worden met zo’n haarscherpe pen getekend, dat je net zo’n hekel aan ze krijgt als de schrijfster zelf.’

De familie Houben duikt ook in Hoogenberks nieuwe boek op. ‘Zowel de moeder als de vader zwaaide bijzonder uitbundig naar me. De vader lachte zijn tanden zelfs bloot. Net een baviaan in gevaar.’

Haar ongepolijste observaties zijn ook hoorbaar in de populaire podcast De Shitshow, waarin ze met journalist Janneke van der Horst ergernissen bespreekt en de veroorzakers ervan fileert, inclusief zichzelf. Haar humor wordt niet altijd begrepen. Bijvoorbeeld toen ze vond dat Hélène Hendriks grensoverschrijdend gedrag bij NOS Sport bagatelliseerde en ze haar houding op zijn VI’s besprak met beledigende typeringen. Haar vaste column bij Linda werd daarna stopgezet omdat ze de satire niet konden waarderen.

Bij NRC, Het Parool en De Limburger – Hoogenberk komt oorspronkelijk uit Sittard – wisten ze haar toon wel te appreciëren, zo ook bij Hard Gras en Quote. Al gold dat niet altijd voor het lijdend voorwerp van haar pen. Toen ze voor Quote de directeur van de particuliere opleiding EuroCollege interviewde, bleef ze hem vijf uur achter elkaar vragen stellen. Terwijl ze na hun afscheid met de lift naar beneden zakte, zag ze hem door het ronde raampje in de deur nog net wegkijken, met rollende ogen. Niet normaal, wat een wijf, sprak die blik.

Ik vind het een beetje eng om je te interviewen. Ik ben bang om het later terug te horen of te lezen als er per ongeluk een haar uit mijn neus groeit, of zoiets.

‘O, maar dat zou ik nooit doen, bij een haar uit je neus. Het zijn sowieso altijd de mensen die niets te vrezen hebben die deze angst hebben. Degenen die wel wat banger mogen zijn, boeit het niet.’

In een eerder interview voor de Volkskrant vond je jezelf achteraf gezien te veel ratelen, vertelde je in je podcast. Heb je het voornemen om dat nu anders te doen?

‘Nee. Ik kan het me wel voornemen, maar dan nog kan het gebeuren. Ik wilde me laatst aanmelden voor een rouwgroep, en tijdens het intakegesprek ben ik helemaal leeggelopen. En ik wíst dat ik aan het leeglopen was. Toch kon ik er geen rem op zetten.’

Ben je desondanks toegelaten?

‘Nee, ik ben niet aangenomen. De volgende dag werd ik gebeld door de coördinator, hoe ik zelf vond dat het ging. Toen dacht ik al: volgens mij is er iets. Ze zei: ‘Je werd herkend door iemand die na jou kwam, dus het lijkt ons goed dat je een clausule tekent dat je de verhalen van anderen niet in je podcast gebruikt.’ Dat vond ik een absurd verzoek, want ik dacht: het is voor mij veel kwetsbaarder.

‘Er wordt veel gehuild in zo’n groep, dus dan gaan mensen zeggen: zij van die podcast huilt wel heel erg veel. ‘Dus’, zei ik, ‘zouden anderen ook een clausule moeten tekenen.’ ‘Bij wijze van spreken’, zei ik erbij, waarna die vrouw heel serieus zei: ‘Dat is een goed punt.’ Maar de volgende dag belde de mevrouw van de intake terug, en die was echt boos. ‘Wij willen jou niet in de groep, want wij voelen ons niet veilig bij jou. En wij gaan geen clausules tekenen, want dat is niet goed voor de sfeer.’

Snap je het wel een beetje dat mensen denken: dan zit ik daar te vertellen over mijn overleden man en dan hoor ik dat later terug in haar podcast?

‘Nee, dat snap ik eigenlijk niet, want ik zou dat nooit doen. Andermans leed in mijn podcast delen, zou van zo’n ongevoeligheid getuigen.’

Merk je vaker dat mensen die angst bij je hebben?

‘Ja. Ik ging naar een theaterstuk van een collega en anderen zeiden me: ‘Hij was vooral heel zenuwachtig, vanwege de dingen die je zegt in de podcast. Dat vond ik in zijn geval jammer. Maar bij andere mensen kan ik juist denken: wat jammer dat je tóch vals blijft, terwijl je weet dat ik dit soort dingen in mijn podcast bespreek. Voor die valse mensen is het juist bedoeld. Zo van: doe eens wat aardiger.’

In je boek beschrijf je mensen soms op zo’n manier dat ik blij ben dat ik diegene niet ben. Zoals de onderbuurvrouw van je moeder die zegt te willen helpen, totdat je haar om hulp vraagt. Of je moeders huisarts die je tekort vindt schieten, of Rijk, de vriend die steeds minder een vriend van je wordt omdat hij nauwelijks reageert. Toch zijn dat niet per se valse mensen.

‘Nee, die buurvrouw heeft gewoon een heel ander beeld van zichzelf. Ze gaat 48 weken per jaar naar Libanon, maar zegt over zichzelf dat ze ‘een huismus’ is. En bij die huisarts was het onkunde. Die heeft mijn moeder zó laten bungelen. Op maandag heeft hij ook altijd zijn vrije dag. Dat is toch belachelijk, juist na het weekend hebben veel patiënten klachten. Het geeft aan dat je niet volledig met je hart in je vak zit. Op hem kan ik nog steeds kwaad worden. Mocht hij mijn boek lezen, dan hoop ik dat hij er wat van leert.’

Rijk zal zichzelf ook wel herkennen, denk je niet?

‘Ja. Ik denk dat Rijk en ik onze vriendschap anders zagen, dat ik hem als een betere vriend zag dan hij mij. Dat is pijnlijk, en ik was er woedend over. Maar dat heb ik nu niet meer.’

Maar dat jij er niets bij voelt om dat op te schrijven...

Onderbreekt: ‘... maakt jou dat een sociopaat? Haha. Nee, ik voel er juist van alles bij, daarom schrijf ik het op. Ik weet dat sommige mensen er niet blij mee zijn, maar ik kan niet anders. Dit is gewoon hoe het echte leven gaat.’

Over een ex-vriendin schrijf je dat ze een ‘uitgebluste kop’ heeft.

‘Dat is een momentopname bij iemand die net een baby heeft. Ik weet niet of dat nou zo’n erge aantijging is. Ik ben zelf ook weleens beschreven als iemand met een paardenhoofd en een spraakgebrek. De jongen die dat schreef kwam op het tuinfeest van mijn uitgever naar me toe, daarna dronken we een biertje. Ik voelde er weinig bij. Ik heb wel een logopedie-les genomen daarna.’

Sommige mensen beleven er juist veel plezier aan dat je de rauwe realiteit niet mooier presenteert dan die is. Janneke vertelde dat jullie een verrassingspakket kregen van een zieke luisteraar.

‘Ja, er zaten twee tongschrapers bij, en een Philips Sonicare-flosser. Ook twintig nieuwe boeken. En een emotioneel kaartje, ze lag al meer dan een jaar op bed en zag onze podcast echt als een lichtpuntje. Dat is het allerbeste compliment dat je kunt krijgen. Dat hoop ik ook met mijn boek te bereiken. Ik heb zelf ook superveel aan boeken gehad tijdens het ziekteproces van mijn moeder. Zoals Autobiografie van mijn lichaam van Lize Spit, die ook het ziekteproces van haar moeder beschrijft. Zij had – anders dan ik – een minder goede band met haar moeder, maar ze beschrijft ook de moeilijkheid met de partner van haar moeder tijdens dat proces, wat voor mij wel heel herkenbaar was. Het is zo ontzettend troostrijk dat je daar minder alleen in bent.’

Jij beschrijft ook de moeilijkheid die je soms had met de partner van je moeder, in je boek Ton geheten. Heeft hij het al gelezen?

‘Nee, ik heb niemand het boek laten lezen. Alleen Janneke, want het waren oorspronkelijk mails aan haar, die ik tot dagboekvorm heb bewerkt. Nadat mijn moeder haar doodvonnis had gekregen, dacht ik: ik ga dit opschrijven, want het is zo traumatisch. Het schrijven aan Janneke werd bijna dwangmatig.

‘Ik vond het wel moeilijk, dit boek. Ik moest echt uitschakelen dat andere mensen het zouden gaan lezen, anders kreeg ik niets meer op papier. De dochter van mijn vriend zei er iets slims over: het is eigenlijk als een groepsfoto. Die ga je ook niet aan 53 mensen voorleggen, want dan krijg je niet één foto als resultaat.

‘En als ik het over de schutting gooide naar Janneke, dan voelde het alsof het ook een beetje haar probleem was. Dat iemand zo extreem meeleefde, daar ben ik haar heel dankbaar voor. Het heeft me zo geholpen.’

Waarom schiet je nu vol?

‘Omdat ik het zo bijzonder vind dat onze vriendschap zo is gegroeid. Tijdens het proces met mijn moeder zijn we nog hechter geworden. Ik denk dat het me de helft van mijn verdriet scheelt.

‘Ook omdat Janneke me sommige voorvallen aanwees. Dan schreef ze: ‘Stef, het is zo pijnlijk, maar ook verschrikkelijk grappig.’ En dan was ik daar zo gelukkig mee. Want in die menselijke tekortkoming zit ook zoveel humor.’

Wat heeft je verrast aan het ziekteproces van je moeder?

‘Ik heb altijd gedacht dat als mijn moeder of vader zou doodgaan, mijn leven zou ophouden. Dat was lange tijd mijn grootste angst. En nu merk ik: dat is niet zo.

‘Maar op mijn 29ste liep ik er echt op vast. Ik had nachtelijke angsten dat er iets met hen ging gebeuren. In therapie kwam eruit dat we veel te hecht waren.’

Hoe kwam het dat jullie te hecht waren?

‘Ik weet het niet. Ik dacht dat het eraan lag dat ik enig kind ben, maar ik zie het bij veel mensen van mijn leeftijd, die nog altijd afhankelijk zijn van het oordeel van hun ouders. Ik vind eigenlijk dat iedereen in therapie moet.’

In het boek komen jouw ouders niet oordelend over, juist heel liefdevol, ook voor elkaar na hun scheiding.

‘Ja, ze zijn allebei ruimdenkend. Maar ze waren ook geen heiligen hoor. Mijn moeder had op haar sterfbed het verlangen om te roddelen over een familie waaraan ze een hekel heeft. De meeste mensen hebben als laatste wens dat ze nog een keer naar zee gaan of in een luchtballon varen. Mijn moeder zei: ‘Ik wil die vrouw die ook zo’n hekel heeft aan die mensen hier op de koffie. Ga het maar regelen.’ Ik vond het een originele wens van haar.

‘Ik was zelf nooit bang voor het oordeel van mijn ouders, maar ik denk wel dat we te afhankelijk van elkaar waren. Na de scheiding wilde ik zo graag dat mijn ouders gelukkig waren. Als dat echt zwaar op je drukt, wat ook jouw eigen geluk bepaalt, dan is dat lastig. Iedereen moet gewoon voor zichzelf zorgen. Het is niet de bedoeling dat je als kind hun probleem gaat oplossen. Dat is te hecht.’

Je schrijft dat je nooit goed tegen de kwetsbaarheid van je moeder hebt gekund. Waarom ergerde je je daaraan?

‘Je mag best kwetsbaar zijn als moeder, maar zij voelde zich soms zo verdrietig, en dan ging ze bij mij troost zoeken. Ik denk wel dat je tegen je kind kunt zeggen dat je ergens verdrietig over bent, maar voor steun moet je naar je vriendinnen.’

Draaide die afhankelijkheid tijdens haar ziekteproces om? Het leek alsof jij het harder nodig had dan je moeder om jullie liefde te bevestigen.

‘Ja, dat was in het begin zo. We stonden allebei anders in dat proces. Ik wilde haar redden en zij wilde haar doodvonnis meteen al aanvaarden. Mijn moeder kon niets meer eten en de arts zei dat het waarschijnlijk een verstopt talgkliertje was. Ik voelde aan alles dat dat bullshit was. De achteloosheid ook waarmee hij dat bracht, en mijn moeder maar ‘dankjewel’ zeggen tegen die man. Toen waren we niet op ons best in onze relatie. Dat werd later gelukkig beter.

‘Iedereen staat ook onder hoogspanning, daardoor krijg je iemands echte karakter te zien. Je kunt je masker niet meer ophouden. Iedereen zit zo met zijn eigen verdriet, dan kun je niets verbloemen en krijg je sneller irritaties.’

Tussen jou en Ton lijkt er veel concurrentie te zijn.

‘Ze was zes jaar samen met hem en ik had soms de behoefte om even alleen met mijn moeder te zijn, zonder dat hij bijvoorbeeld in de tuin werkte. Maar ik was ook dankbaar dat hij er was, want hij zorgde goed voor haar. Maar het is anders dan als je vader erbij is.’ Ze huilt weer. Door haar tranen: ‘Ik denk niet dat ik een tv-interview moet doen.’ Daarna: ‘Je mag het huilen maar één keer opschrijven hoor, misschien twee keer.’

Ik vind het wel zonde dat ze je niet hebben aangenomen bij die rouwgroep. Dat had je goed kunnen gebruiken.

‘Ja. Ik zou het zo fijn vinden om andere mensen te horen met dezelfde ervaring. In het schema van de rouwgroep stond bijvoorbeeld bij de derde bijeenkomst: hoe familie en vrienden reageren. Dat daar teleurstellingen bij komen kijken, is blijkbaar universeel. Je krijgt ook zoveel onhandige reacties. Een vriendin van mij verloor haar broer door zelfdoding. Iemand vroeg haar: ‘Hoe is het gebeurd?’ ‘Oh’, reageerde diegene na haar antwoord, ‘dat lijkt me een heel pijnlijke dood.’ Daar had die vriendin van mij zelf nog geen seconde aan gedacht.

‘Ze vertelde: ‘Vervolgens ben ik toch nog vijf uur bij die persoon blijven zitten.’ Daar had ze zo’n spijt van. Gevoelsmatig wilde ze meteen opstaan en bijkomen van de gedachte. Dat snap ik zo goed, dat je blijft zitten en dat jezelf later ook nog kwalijk neemt. Dat heb ik ook heel vaak. Dan zeggen mensen iets naars en dan blijf ik gewoon vriendelijk.’

Je bent in het boek juist ook assertief. Je belt de huisartsenpraktijk op maandag en zegt dat de huisarts op zijn vrije dag gewoon moet langskomen.

‘Die assertiviteit heb ik wel voor iemand anders. Ik zou hier voor jou zo een maandverband aan de bar durven vragen, maar voor mezelf zou ik me schamen. In het boek schrijf ik over iemand – die ik eigenlijk nooit spreek – dat die per app ging vissen hoe het er nou echt aan toe ging in het ziekteproces. Je merkt wanneer het oprecht is en wanneer mensen gewoon willen weten hoe erg het wel niet is achter het gordijn. En toch gaf ik antwoord. Ik vind die stilte dan blijkbaar erger, of kwetsbaarder zelfs.’

Toen de second opinion-arts in het Antoni van Leeuwenhoek jullie hoop tot grote ergernis van jou koelbloedig onderuithaalde, zei je daar ook niets van.

‘Nee, omdat ik daar eerst over moest nadenken. We hadden ervoor zo’n fijn gesprek met een andere arts die zei dat ze nog drie tot vijf jaar had, ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. En zij haalde dat onderuit. Ik dacht: had ons lekker in de waan gelaten.

‘Een andere arts zei toen ik een vraag stelde dat ik niet goed had geluisterd. Zelfs als ik een domme vraag had gesteld, zeg je dat toch niet tegen iemand in zo’n situatie? Hij vond mij veel te bijdehand. Achteraf keek ik op Zorgkaart bij deze man: acht à negen beoordelingen met een 2. Geen empathie, stond er, en dan een stuk primairder verwoord. Maar het zal me niet lukken om daar op dat moment wat van te zeggen. Ik zat ook tegen het huilen aan, en dat wilde ik niet bij hem tonen.’

Ik wil me niet laten kennen, schrijf je. Maar in je boek laat je je juist goed kennen, toch?

‘Ja, maar dan heb ik er zelf de controle over, en heb ik het gestileerd gedaan. Nora Ephron (die wereldberoemde essaybundels en memoires schreef, red.) zei ooit: ‘Als je over een bananenschil valt, zullen mensen je uitlachen. Maar als jij beschrijft dat jou dat is overkomen, dan heb jij de macht, dan heb jij de controle over de lach.’

Je beschrijft ook dat je woede voelde als je moeder gekweld werd door pijn. Verbaasde dat je?

‘Nee. Het was wel fijn dat ik dat eerlijk tegen mijn vriend durfde te zeggen. Hij is zo’n zacht, goed iemand, zonder duistere gedachten, en hij zei dat hij dat ook had gehad bij zijn moeder. Toen dacht ik: het is blijkbaar normaal. Als ik één iemand vind met dezelfde gedachte als ik, is het voor mij normaal.

‘Ik vind dat we onze onfraaie gedachten niet voor ons moeten houden, want dan blijven ze taboe. En als je denkt dat je de enige bent, krijg je daar echt problemen van. Ik denk dat we geen steek verder komen als we niet openhartiger zijn. Het klinkt hoogdravend, maar als iedereen iets eerlijker zou zijn, dan zou de wereld er beter uitzien.

‘Een vriendin van mij zei me: ‘Altijd als iemand mij vertelt wat-ie heeft bereikt, voel ik een steek van jaloezie. Ik denk dat veel mensen het hebben, maar niemand praat erover.’ Toen dacht ik: dat weet ik wel zeker.

‘En die woede over mijn moeders pijn klinkt misschien onaardig, maar het heeft natuurlijk met liefde te maken... Ik was zo gek op haar. Het is het allerergste om iemand zo’n pijn te zien hebben, dat is echt een straf.’

Heb je dat altijd gehad, die eerlijkheid over je minder fraaie gedachten?

‘Ja, ik denk dat het mijn opvoeding is geweest. Mijn vader heeft zo vaak gezegd: je mag hier thuis alles vertellen. Ik hoop dat ik dat ook aan mijn kind kan doorgeven. Het is zo belangrijk dat er geen geheimen zijn. Schaamte is moeilijk te bespreken, maar goede vrienden helpen daarbij. Als die zeggen: ‘O, dat heb ik ook een keer gehad’, dan is de schaamte alweer opgeheven.’

Maurice, naast wie je een werkplek hebt, vroeg zich af of je weet hoe je overkomt op anderen.

‘Ik denk zelf dat mensen snel door hebben dat ik een heel gevoelig iemand ben, en dat je daar dus voorzichtig mee om moet gaan. Maar blijkbaar kom ik zo niet over. Ik onderschat hoe mensen mij zien.’

Maurice had het ook over onderschatting, maar dan in de zin dat je in je leven veel bent onderschat.

‘Dat was wel vormend ja. Die moeder van mijn jeugdvriendin zei tegen mij – haar kinderen deden gymnasium: ‘Ik heb ook maar havo gedaan, wij kunnen andere dingen weer beter.’ Dat klinkt vriendelijk, maar het is dodelijk. Als je dat beeld met je meedraagt is dat vormend. Het is een bron van woede, als je lang bent onderschat. Ook in mijn studententijd. Ik had een vriendje die advocaat was – ik zat op hbo-lerarenopleiding – en een dispuutgenoot van mij zei: ‘Je moet nog best wel wat cursusjes gaan doen om hem een beetje te kunnen bijbenen.’ Vreselijk.’

Ben je een laatbloeier qua vriendschappen?

‘Ja. Ik ben blij dat het met mijn moeder pas gebeurde nu ik goede vrienden om me heen heb. Lange tijd luisterde ik niet naar mijn gevoel als bepaalde vriendschappen niet fijn voelden, dat zal me niet snel meer gebeuren. Nu weet ik: als ik de behoefte heb om slecht over een vriend te praten, is dat geen goede vriend.

‘Ik gedij ook niet in een groep. Ik spreek het liefst een-op-een af. In een groep hoef je niet te laten zien wie je bent, dat is voor mij geen echte vriendschap.’

Je vriendin Silvia zei: ‘Ik moet wel presteren in deze vriendschap. Stéphanie is een veeleisende vriendin.’

‘Grappig dat zij dat zo noemt. Ja, dat hoor ik wel vaak van vrienden, dus ik denk dat ik dat voor waar moet aannemen. Maar ik heb er ook wel een blinde vlek voor, want ik weet gewoon niet zo goed waar ze het over hebben.’

Ze zei dat je goed opkomt voor je rechten als vriendin.

‘Ja, ze vindt dat ik hoge verwachtingen heb. Dat is wel zo.’

Ze zei: ‘Ik kan niet met smalltalk of clichés aankomen. Het gesprek moet echt ergens over gaan.’

‘Ja, ze zegt dat ik anders afhaak. ‘Ik kan meteen zien als het onderwerp jou niet interesseert’, zegt ze. ‘Dan ga je als een kind ergens anders naar kijken.’ Maar als mensen me vertellen wat ze van een land hebben gezien, dan is dat toch het verschrikkelijkste wat er bestaat? Zo saai! Niet als het gaat over menselijke interacties, maar wel als ze vertellen dat Japan een heel schoon land is. Iemand zei laatst: ‘We gaan binnenkort koffiedrinken, ik ga je vertellen hoe Canada was.’ Ik kreeg echt zo’n beklemmend gevoel.’

Je schrijft op het einde van je boek dat je hoopt dat de relatie die jij met je moeder had erfelijk is. Tijdens je ontgroening voor je studentenvereniging in Maastricht was een van de opdrachten dat je een pak vruchtenhagel moest sorteren op kleur. Jouw moeder heeft dat toen voor je gedaan, een hele nacht lang. Zou jij dat voor je dochter doen?

‘Ik denk het wel. Haha, ja. Als ik zie wat ik nu al allemaal doe om mijn dochter lekker te kunnen laten slapen, zoals extra rondjes rijden in de auto.

‘Ik ken iemand die in haar studententijd in haar eentje naar Parijs ging. Ze had geen mobieltje en belde vanuit een telefooncel haar ouders of die op internet konden kijken waar haar bus vertrok. Toen zei die moeder: ‘Wij gaan nu net de deur uit om boodschappen te doen.’ Ik vind dat zoiets kouds. Daarmee maak je ook geen leuker mens van iemand, denk ik.’

Mis je je moeder erger sinds je zelf moeder bent geworden?

‘Ik ben zo bang dat dat nog moet komen. Misschien dat haar dood toch nog niet helemaal tot me doordringt. Aan de andere kant: ik heb in het begin zo'n verdriet gehad, die rouw voelde als een depressie. Ik heb haar op het kraambed wel gemist, maar ik heb het idee dat ze het wel meekrijgt.

‘Ik denk niet: wat jammer dat ze mijn dochter niet ziet. Ik denk: dat ziet zij wel. Dat ze er met het verschijnen van mijn boek niet is, vind ik wel echt jammer. Zij was altijd degene die de interviews als eerste ging kopen. Ze was mijn beste publiek. Ik had het haar echt zo gegund om langer te leven. Zonder koket te willen klinken, maar ik vind het voor haar bijna zuurder dat ze er niet meer is dan voor mezelf. Ik wist niet dat ik ooit zo zou gaan praten, maar ik kijk echt in dankbaarheid naar de tijd die we wel hebben gehad, en dat helpt heel erg...’

Draag je je miskraam nu nog met je mee?

‘Ik denk het niet. Ik heb dat met mijn vriend echt afgesloten. Ik heb wel lang gegoogeld wat ik verkeerd had gedaan, en ik denk nog steeds dat ik iets verkeerd heb gedaan, dat gevoel gaat niet weg, maar ik ben er niet verdrietig over. Ik vind het wel erg dat veel vrouwen de schuld bij zichzelf zoeken.’

Het was vijf dagen na je moeders diagnose.

‘Ja, eerst dacht ik dat dat de oorzaak was. Want je krijgt zo'n pijnscheut als je die diagnose van je moeder hoort, dat voel je ook in je buik. Dat is helemaal niet goed voor zo'n baby, dacht ik, die krimpt gewoon letterlijk in elkaar. Maar bij de echo vroeg ik wanneer het hartje ongeveer was opgehouden. Bij negen weken, schatte zij. In die week heb ik een verhitte discussie met een vroegere vriendin gehad. Toen dacht ik: dan zal dat het zijn geweest. Je koppelt er van alles aan. Je komt het gewoon nooit te weten.

‘Mag ik heel even dit telefoontje opnemen?'

Daarna:

Het lijkt wel een bijzondere combinatie, zo’n heel gevoelig iemand met zo’n scherpe pen.

‘Ik denk dat dat juist hand in hand gaat. Bij Herman Koch zie je dat ook sterk, vind ik. Die is ook heel zacht. Eerst dacht ik: het zal wel een harde man zijn, intimiderend, maar hij was totaal het tegenovergestelde. Ik denk dat die gevoeligheid juist bewerkstelligt dat je op een ander gebied harder bent.

‘Humor is gewoon een sterk wapen. Ik ben zo blij dat ik die uitlaatklep heb, want woede is echt een vervelende emotie als je er nergens mee naartoe kunt. Ik zou niet weten wat ik dan zou moeten. Het is zo ontzettend fijn aan schrijven dat je er een vorm aan kunt geven, en er zo toch een zekere lichtheid aan geeft.’

Wel bijzonder dat je zulke fijne ouders hebt gehad, en dat je toch zoveel woede hebt opgelopen.

‘Ja. Het zijn eerder andere ouders geweest die me op een negatieve manier hebben gevormd. Al die kleinerende opmerkingen… En ik was als kind weerloos. Ik heb er nooit iets op teruggezegd, maar ik heb wel alles wat ze zeiden onthouden. Alles. En ze hebben mij daarin onderschat.

‘Maar het waren ook de lange vriendschappen waarin ik niet op waarde ben geschat. Mensen deden bij mij dingen die ze bij anderen niet durfden. Ze dachten: bij haar kun je dat wel doen.’

En nu zijn mensen eerder bang voor je, uit angst dat je het opschrijft of in je podcast vertelt.

‘Dat hoop ik in ieder geval.’

Het lijkt een beetje op een kinderdroom waarin je wenst dat je later beroemd wordt, want dan durven mensen je niks meer te maken.

‘Dat was precies mijn droom. Ik fantaseerde dat Julia Roberts het schoolplein op zou komen om mij op te halen. Dan durven ze niks meer te zeggen, dacht ik. Ik denk dat veel mensen die bekend zijn dit hadden.

‘Mij heeft het schrijven veel gebracht. Ik kan mijn woede bovendien omzetten in iets waar een ander misschien nog iets mee kan. Ik denk dat ik ongelukkig zou zijn als ik dat niet had.’

1985 Geboren in Sittard.
1997-2002 Middelbare school scholengemeenschap Trevianum Sittard.
2005-2009 Lerarenopleiding Nederlands aan Fontys Hogeschool Sittard.
2010-2012 Tweejarige Master Nederlandse Taalkunde aan Universiteit van Amsterdam.
2012-2014 Pr-afdeling voetbaltijdschrift Hard Gras.
2016 Reportage over reis voor singles in Volkskrant Magazine.
2018-2025 Schrijft reportages voor Quote.
2020-2023 Columnist bij Linda.
2021-heden Podcast De Shitshow met Janneke van der Horst.
2023 Boek We hebben het over je gehad (Prometheus).
2026 Boek Wij vinden dat fijn (Prometheus).

Stéphanie Hoogenberk woont samen met haar vriend, stiefdochter en dochter in Amsterdam.

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next