Bij regimewisseling in Iran hadden Donald Trump en veel Iraniërs zich iets anders voorgesteld. Met de benoeming van Mojtaba Khamenei tot opperste leider heeft de Revolutionaire Garde zijn macht verstevigd; een nieuwe stap in de transformatie van theocratie naar militaire dictatuur.
schrijft vanuit Istanbul over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden.
Aan het begin van de oorlog tegen Iran was hij niet van de lucht: de term ‘regime change’. Het was (tijdelijk) het voornaamste doel van operatie Epic Fury, althans in de woorden van de Amerikaanse president Donald Trump. Maar ook sommige Iranexperts dachten dat het daar weleens op zou kunnen uitlopen. Veel Iraniërs – in de diaspora en in Iran – hóópten het.
Twee maanden later kan worden vastgesteld dat het regime in Iran inderdaad is veranderd. Alleen: niet op de manier waarop Trump het had bedoeld, en waarop vrijheidslievende Iraniërs hun zinnen hadden gezet. Meer dan ooit wordt Iran geregeerd door mannen in legeruniform, in plaats van mannen in klerikale gewaden. Iran is een militaire dictatuur geworden, een junta met een religieus randje.
Hoewel dat het resultaat is van een ontwikkeling van decennia, valt in het recente verleden een duidelijk kantelmoment aan te wijzen. Dat was de liquidatie door Israël van opperste leider Ali Khamenei, en met hem diverse andere leiders van de Islamitische Republiek.
Het vacuüm werd gevuld door personen uit de rangen van de Revolutionaire Garde (IRGC), of in ieder geval met nauwe banden met het elitekorps, zoals Mojtaba Khamenei, de 56-jarige opvolger van zijn vader als opperste leider. Het heeft er alle schijn van dat de IRGC de benoeming van Mojtaba heeft doorgedrukt.
Om de transformatie van het Iraanse regime te begrijpen, is het goed te beseffen dat de Islamitische Republiek nooit het soort totalitaire dictatuur is geweest waarin één man alles voor het zeggen heeft. Geen Noord-Korea, geen Libië onder Moammar Kadhafi, geen Irak onder Saddam Hussein.
Jawel, het gezag van ayatollah Ruhollah Khomeini was vrijwel onaantastbaar, maar zijn formele macht niet. ’s Lands eerste opperste leider creëerde bewust een gelaagd systeem, een wirwar van politieke en bestuurlijke lichamen, adviesraden, politieke partijen, overheidsinstellingen, religieuze en militaire organen. Die werden geacht elkaar min of meer in evenwicht te houden, maar rivaliteit was onontkoombaar en het systeem was zo complex dat informele machtsgroepen volop de kans kregen hun invloed te doen gelden.
Na de dood van Khomeini in 1989 was het allerminst vanzelfsprekend dat zijn opvolger, Ali Khamenei, iemand zou worden van hetzelfde kaliber. De behendigste Iraanse politicus van dat moment, Akbar Hashemi Rafsanjani, stuurde doelbewust aan op de benoeming van Khamenei, in de verwachting dat hij dan zelf als president de kleurloze mullah zou kunnen overvleugelen.
Maar Khamenei liet zich niet zo eenvoudig op een zijspoor zetten. Er volgde een jarenlange machtsstrijd tussen de twee mannen, die op punten werd gewonnen door de opperste leider. Alex Vatanka schreef er in 2021 een mooi boek over, The Battle of the Ayatollahs in Iran. Maar ook met de opvolgers van Rafsanjani als staatshoofd, de hervormer Mohammad Khatami (1997-2005) en de eigenzinnige populist Mahmoud Ahmadinejad (2005-2013), had Khamenei een permanente wedijver. Ook daarin legden de presidenten het uiteindelijk af.
Ondertussen groeide de invloed van de Revolutionaire Garde, een militair korps met ruim 150 duizend soldaten dat losstaat van het Iraanse leger en rechtstreeks onder de opperste leider valt. De IRGC speelde een grote rol in de oorlog met Irak (1980-1988) en trok zich daarna niet in de kazernes terug – integendeel. Khamenei zag het korps als een nuttig instrument voor het consolideren van zijn positie. De gardisten op hun beurt gebruikten de wederopbouw na de oorlog om hun greep op de Iraanse economie te vergroten.
Al in 2013 gaf politicoloog Ali Alfoneh zijn boek Iran Unveiled (Iran ontsluierd) de ondertitel ‘Hoe de Revolutionaire Garde een theocratie in een militaire dictatuur verandert’. Dat bedoelde hij als een tendens, niet als voldongen feit.
Van meet af aan bestond in de Islamitische Republiek immers een duidelijke taakverdeling, zegt Alfoneh telefonisch vanuit de VS: de geestelijkheid regeerde, terwijl de IRGC het regime beschermde tegen vijanden, zowel interne (een ontevreden bevolking) als externe (Israël en de VS).
Doordat Khamenei echter steeds meer vertrouwde op de Revolutionaire Garde om het voortbestaan van het regime te verzekeren, ‘sloeg de balans door in het voordeel van de IRGC’. De oorlogen met Israël en de VS, dit jaar en vorig jaar, hebben de militarisering van Iran versneld.
Totale controle wil het korps volgens Alfoneh niet, omdat dat totale verantwoordelijkheid met zich meebrengt. ‘De IRGC bepaalt de strategische beslissingen, terwijl civiele functionarissen de publieke schuld dragen voor de tekortkomingen van het regime.’
Irankenner Paul Aarts, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, is nog stelliger. ‘Al ten tijde van Ahmadinejad zag je een theocratie met militaire trekken langzaam maar zeker overgaan in een militaire dictatuur met theocratische trekjes.’ Ayatollah Khamenei was in zijn ogen ‘gewoon een militair met een tulband op’.
Het ergert Aarts daarom dat media vaak reppen van ‘het ayatollahregime’ en ‘de ayatollahs’, als het gaat over het bewind in Teheran. ‘Ik zeg het al heel lang, en ik ben niet de enige, maar elke dag lees ik het weer. Het is gewoon een verkeerd beeld. Iran is nu een vrijwel pure militaire dictatuur geworden.’
Dat is ook af te lezen aan de personele bezetting van het hoogste politieke echelon sinds het begin van de oorlog. Na Ali Khamenei werd ook diens rechterhand en vertrouweling Ali Larijani door de Israëliërs geliquideerd. De als wiskundige en kantiaans filosoof opgeleide Larijani, een raspoliticus met beperkte ervaring als militair, wist als pragmatische hardliner altijd voeling te houden met alle machtsfacties in het systeem. Een polderaar, zogezegd.
Zijn dood werd door de Revolutionaire Garde aangegrepen om een kandidaat van eigen snit in de vacature te benoemen. De 72-jarige Mohammad Bagher Zolghadr, een veteraan van het korps, werd de nieuwe secretaris van de machtige Opperste Nationale Veiligheidsraad. Met hem is het voor de IRGC-bevelhebbers voortaan binnen zonder kloppen in de bayt, het hoofdkwartier van de opperste leider (of wat daar na het bombardement op 28 februari van over is).
Ook een andere oude rot van de Garde, de 74-jarige Mohsen Rezaie, keerde terug aan de top, nu als militair adviseur van Mojtaba Khamenei. ‘Weinig oudgedienden in de Islamitische Republiek zijn zo gerespecteerd als Rezaie, een van de oprichters van de IRGC en zeventien jaar lang zijn leider’, schrijft Barbara Slavin, Iranexpert van het Stimson Center, over deze militaire havik en goede vriend van Zolghadr.
Daarnaast biedt de oorlog kansen aan fris bloed. ‘Doordat veel ouderen zijn omgekomen, krijgt een nieuwe generatie de kans versneld naar voren te stappen’, zegt de Iraans-Nederlandse Peyman Jafari, verbonden aan de William & Mary-universiteit in Virginia (VS). Dat wil zeggen: een uit de IRGC afkomstige generatie.
‘Voor hen was de oorlog een geschenk uit de hemel. Hun mentaliteit is: we hebben de oorlog doorstaan, gewonnen zelfs, en zijn er sterker uitgekomen. Een gevoel van broederschap. Dat netwerk zal een rol spelen in de wederopbouw.’ Vergelijk het, zegt Jafari, met de twintigers die indertijd samen standhielden in de oorlog met Irak en vervolgens als gestaalde kaders kwamen bovendrijven in de Islamitische Republiek.
Ook Jafari ziet een verschuiving in de richting van een militair bewind, al heeft hij de wat hij noemt ‘remmende krachten’ – de civiele en religieuze organen in het van oudsher gelaagde systeem – nog niet helemaal afgeschreven. ‘Dat systeem is meer geïnstitutionaliseerd dan vaak wordt gedacht.’ Ter illustratie noemt hij Pakistan en Egypte; landen waar het leger bij belangrijke beslissingen het laatste woord heeft, maar niet per se op de voorgrond treedt.
Wat is er intussen gebeurd met de godsdienst in het project dat ooit nadrukkelijk de doopnaam ‘Islamitische Republiek’ kreeg? Als het aan de meeste Iraniërs ligt, keert de islam terug naar de privésfeer. Volgens instituut Gamaan wil zo’n 80 procent van de bevolking een scheiding van kerk en staat. De onderzoeken van Gamaan, online gedaan vanuit Nederland, zijn het beste wat er aan peilingen over Iran beschikbaar is.
Ook aan de politieke top is het religieuze vuur echter voor een groot deel gedoofd. Uiteraard blijft de sharia de grondslag van wetgeving, maar dat is in veel andere moslimlanden niet anders. ‘Export van de islamitische revolutie’ was in de Khomeini-jaren nog een ideologische drijfveer van het systeem, maar tegenwoordig wordt er hooguit plichtmatig nog lippendienst aan bewezen, als dat überhaupt al gebeurt.
Naar islamitische praktijken in de belangrijkste staatszaken –buitenland- en defensiebeleid, economisch beleid, beteugelen van de maatschappelijke onvrede – is het vergeefs zoeken. De strategie van ‘voorwaartse defensie’, het bewapenen van buitenlandse milities als Hezbollah en de Houthi’s, komt voort uit geopolitieke overwegingen, niet religieuze.
Hetzelfde geldt voor de vijandigheid jegens Israël, waarin ook anti-Amerikanisme en solidariteit – op z’n minst voor de bühne – met de Palestijnen een rol spelen. In de oorlog tegen Irak in de jaren tachtig, toen het godsdienstig ideaal nog hoogtij vierde, maakte Iran dankbaar gebruik van de steun van Israël. In de ogen van de Israëliërs was Irak – dat onverhoeds Iran was binnengevallen – een groter gevaar dan Iran.
‘Het religieuze heeft nooit zoveel betekenis gehad als vaak wordt voorgesteld’, zegt Aarts. ‘Laat je niet leiden door alle islamitische retoriek, het concept van martelaarschap enzovoorts. Als je inzoomt op het feitelijk beleid, op wat Iran doet in plaats van wat het zegt, dan is dat vrijwel ‘normaal’, tussen aanhalingstekens, buitenlands beleid. Heel rationeel, met als ultieme doel het beschermen van de territoriale soevereiniteit. Dat is voor Iran heel belangrijk, gezien het lange verleden van buitenlandse interventies.’
Het concept ‘nationalisme’ omschrijft de grondhouding van het regime veel beter, stelt Aarts, een mening die wordt gedeeld door Jafari. Die ziet een beweging in de richting van een ‘islamitisch Iraans nationalisme’. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de symboliek en beeldtaal in de staatspropaganda rond de oorlogen, dit jaar en juni vorig jaar, met Israël en de VS.
Veelvuldig werd verwezen naar de verpletterende overwinning van de Perzische ‘koning der koningen’ Sjapoer op de Romeinse keizer Valerianus in het jaar 260 na Christus. Van het reliëf in een berg in de provincie Fars, met een voor Sjapoer knielende Valerianus, werden posters gemaakt en verspreid.
Zoiets als wat Sovjetdictator Jozef Stalin deed, toen hij de Russische bevolking moest mobiliseren tegen de nazilegers: de communistische ideologie maakte plaats voor Russisch nationalisme. ‘Het islamitische zal niet verdwijnen, maar het wordt veel meer gekoppeld aan Iraans nationalisme’, zegt Jafari.
De verminderde greep van de clerus op de gang der zaken in Iran is ook af te lezen aan de hoofddoek, symbool bij uitstek van de islamitische identiteit. Die wordt steeds minder gedragen, en de autoriteiten nemen het maar voor lief.
Een 29-jarige Iraanse studente die de Volkskrant begin deze maand sprak aan de Turks-Iraanse grens, tegenstander van het regime, vertelde boos dat ze op de Iraanse televisie iemand in een studiogesprek had horen zeggen dat het niet uitmaakt of vrouwen de hijab dragen, want ‘de natie is nu één tegen de vijand’. Boos, zei ze, ‘omdat Mahsa Amini is vermoord vanwege de hijab, en nu maakt het ze opeens niets meer uit’.
Een andere Iraniër aan de grens, de 44-jarige ingenieur Amir, had er een mooie term voor: binsalmanisme. Daarmee verwees hij naar de Saoedische kroonprins Mohammad bin Salman, die in zijn land de scheiding der seksen, de leefregels voor vrouwen en allerlei culturele beperkingen heeft versoepeld. Bezwaren van de geestelijkheid schoof hij terzijde, alles om de Saoedische jeugd maar tevreden te houden.
Amir moest niets hebben van de Islamitische Republiek en van de Revolutionaire Garde, maar in binsalmanisme zag hij de meest praktische uitweg uit de huidige ellende – op voorwaarde dat het ook Amerikaanse investeringen met zich zou meebrengen, en dus verbetering van de economie.
‘De Revolutionaire Garde heeft de geestelijkheid niet nodig om te regeren’, schrijft de gerenommeerde Irankenner Vali Nasr in zijn boek Iran’s Grand Strategy (2025). ‘Ze is nu alomtegenwoordig in de economie, staatsinstellingen en politieke allianties, en heeft een stevige greep op het leger, de inlichtingendiensten, de binnenlandse veiligheid en het buitenlands beleid. Daardoor is de IRGC uitgegroeid tot veel meer dan de lijfwacht van de geestelijke leiding. Ze is de staat zelf geworden.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant