Geef het maar toe: het is een hele hijs om een monogame relatie jarenlang seksueel in leven te houden. In een vol bubbelbad ervaart Nina Pierson dat fantasie de boel weer helemaal kan doen opleven. En dat heeft niets met vreemdgaan te maken.
‘Ik heb een heel knappe man gespot op half zes, niet meteen kijken’, fluister ik in m’n vriend z’n oor. We zitten bubbelend in een klein heet bad. Een spadag in het oosten van het land, een verlaat verjaardagscadeau van hem aan mij. Mijn vriend kijkt langzaam en subtiel naar achteren. ‘Voorzichtig!’, zeg ik omdat deze knappe man al een keer of twee ook onze kant op keek. ‘Ja, ik snap je wel.’
De man die we nu beiden bekijken is lang, atletisch gebouwd, heeft veel haar, een woeste donkere baard en, zo leer ik later van dichtbij, ook nog eens van die prachtige lichte ogen. We bubbelen rustig verder, maar enkele minuten later zie ik tot mijn schrik dat de man recht op ons af komt lopen, met zijn vriendin. Ik probeer mijn ogen recht voor me te houden, maar kijk toch. Perfect geschapen.
Hij stapt in ons kleine vierpersoonsbubbelbad en gaat naast me zitten. Mijn hart telt 120 slagen per minuut. Ik voel mijn konen opvlammen.
De ‘ander’ is in het gros van de moderne monogame relaties onbegaanbaar terrein – en wel over het hele spectrum. Aan het ene uiterste: (langdurige) affaires. Aan het andere: simpelweg naar iemand anders kijken en diegene aantrekkelijk vinden. Aantrekkingskracht voelen bij een ander wordt vaak gezien als bewijs dat er iets mankeert aan de relatie zelf. Vaak is de hoop dat die verlangens naar een ander zich, met teugels in de hand, laten inperken – zo goed en kwaad als dat gaat. Ik ken best wat stellen die niet over hun exen praten uit angst voor bonje. Mannen worden kordaat teruggefloten als hun blik het billenwerk van een vrouw volgt op straat. Vrouwen worden gemaand zich minder sexy te kleden wanneer ze met hun vriendinnen op stap gaan. Appjes moeten ter geruststelling gestuurd worden tijdens het uitgaan: het is leuk hier maar denk aan jou, ik ben zo thuis.
Er is een dierentuin vol verleidingen buiten de monogame relatie en toch hopen de meesten van ons dat die verleidingen veilig achter tralies zitten. En dit hele spel is gebouwd op een stilzwijgend aangenomen en steeds weer verlengde afspraak die we met elkaar maken zodra we officieel een stel vormen: je bent van mij en dus van niemand anders.
In de podcast Over Spel van Carolien Borgers vertelt stadsecoloog Ton Eggenhuizen dat de witte zwaan, hét boegbeeld van romantische trouw, eigenlijk helemaal niet zo monogaam is als we denken. Zwanen vormen een duurzame band als paar, bouwen een nest en brengen samen hun jongen groot, maar zijn seksueel niet trouw aan hun partner. Dat heet sociale monogamie. Inderdaad, draait monogamie om seksuele exclusiviteit? Of gaat het over het aangaan van een langdurige relatie met één partner om mee samen te leven? Kijk ook naar onze naaste verwanten, de zoogdieren. Slechts zo’n 4 procent van alle zoogdiersoorten is sociaal monogaam, en binnen die kleine minderheid is maar een fractie ook seksueel monogaam.
Het zet me aan het denken: waar komt dat idee van paarvorming mét seksuele trouw eigenlijk vandaan? Aan de biologie ligt het waarschijnlijk niet. Dan blijft cultuur over.
Pas toen mensen zich op één plek gingen vestigen en bezit begonnen op te bouwen – grond, vee, spullen – ontstond het monogame huwelijk. Niet bedacht uit liefde, maar uit boekhoudkundige noodzaak. Een zakelijke constructie om bezit netjes door te geven aan het nageslacht.
Later kwamen daar nog twee lagen overheen. Eerst de kerk, die seksuele trouw tot goddelijk gebod verhief en het huwelijk onverbreekbaar maakte: ‘tot de dood ons scheidt’. En toen, begin 19de eeuw: de romantiek. Het scharnierpunt naar het moderne huwelijk zoals wij dat kennen. De romantiek smolt liefde en exclusiviteit samen tot een ideaal. Ineens werd jaloezie een bewijs van liefde en controle een vorm van zorg. Het huwelijk ging niet langer over erfenis of God, maar over passie, de belofte van eeuwige romantiek en die ene, ware liefde.
Met die romantisering ontstond een overtuiging die tot op de dag van vandaag hardnekkig standhoudt: verlangen naar een ander is per definitie verraad. Wat eerst van buitenaf werd opgelegd, wordt nu van binnenuit gevoed. In naam van de liefde sluiten we onszelf op. En elkaar. We beperken de ander in zijn of haar seksuele verlangens.
Mijn vriend, de vader van mijn vierde kind, en ik zijn nu zo’n drie jaar samen. Een voordeel om eind 30 aan weer een relatie te beginnen, is dat je dat met een flinke dosis realisme doet. Je weet dat die allesverzwelgende verliefdheid ook maar een fase is.
Tegelijkertijd wilden we die periode beiden zo lang mogelijk rekken. We waren hongerig naar elkaar en de levens die zich vóór ons hadden afgespeeld. ‘De ander’ hoorde daar vanzelfsprekend bij. Ik smulde zelfs van zijn dating- en relatieverhalen – ze wonden me eigenlijk een beetje op. Hoe ging de seks, hoe was de dynamiek? We praatten over wie we knap vonden, wie onze ‘wildcards’ zouden zijn. Zo leerden we elkaar beter kennen. De ander was er uit nieuwsgierigheid. En ook: we hadden niets te verliezen. We wisten zonder twijfel dat we elkaar toch wel de leukste vonden.
Maar daar wringt het ook meteen.
Onze partner moet tegenwoordig alles voor ons zijn: metgezel en minnaar, huisgenoot en sparringpartner, therapeut en beste vriend, co-ouder en seksueel wezen. We verlangen veiligheid én spanning, geborgenheid én vuur, vertrouwdheid én het soort lust dat je adem stilzet.
Relatietherapeut Esther Perel verspreidt de boodschap al jaren: lust gedijt bij nieuwheid, onvoorspelbaarheid en afstand. Liefde wil nabijheid. Die twee trekken in tegengestelde richtingen, en wij vragen van één persoon dat die beide tegelijk vervult. Maar afstand is schaars. We leven niet op een uitgestrekte savanne waar je elkaar kunt kwijtraken en terugvinden, maar in een huis waar je elkaars gewoonten tot in detail kent. Een gedeelde badkamer, een partner die je hoort boeren en wiens troep je ziet rondslingeren. Het idee dat we elkaars bezit zijn verkleint die afstand nog verder.
En een relatie moet ook nog ongekend lang meegaan. Toen ‘tot de dood ons scheidt’ werd bedacht, leefden mensen gemiddeld zo’n veertig jaar. Probeer elkaar maar eens zestig jaar erotisch te blijven prikkelen met lichamen die je al die tijd kent. Lukt het niet? Geen wonder. Onderzoek laat zien dat seksuele spanning vaak maar een paar jaar aanhoudt.
Toch verwachten velen het wel. Seks is belangrijk, een vereiste, bijna. Het is een menselijke oerdrift die vervuld wil worden. Maar in onze huidige constructie mag dat maar met één persoon: je vaste partner.
Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Nederlanders geven hun seksleven gemiddeld een 7 (Rutgers, 2023). Een dikke voldoende. Maar langs welke lat wordt dat gemeten? Die van het begin, toen de vonken er nog vanaf vlogen? Of die van wat je na jaren samen nog realistisch acht?
56 procent is tevreden, 44 procent dus niet. En volgens een recente online enquête van seksuoloog Mariëtte Sinninge Damsté herkent een groot deel van de mensen zich in seksmoeheid: seks die meer energie kost dan oplevert. Voor een aanzienlijk deel slaat dat zelfs om in een soort seksuele burn-out, waarbij je überhaupt niet meer over seks wil praten of nadenken.
Tegelijkertijd hebben naar schatting honderdduizenden Nederlanders een buitenechtelijke relatie. Seks met een ander is precies die afstand waar Perel het over heeft – in de meest extreme vorm. Misschien zijn we dus niet seksmoe, maar monogame-seksmoe?
Want dat verlangen naar ‘de ander’ zie je overal terug. In bestsellers als Ethische non-monogamie, De integere slet en Opening Up en aan de opkomst van erotische feesten als Big Little Secrets. Het werd me eens te meer duidelijk toen ik met een vriendin sprak nadat zij op een verjaardag in een stad onder de rook van Amsterdam met allemaal vijftigers was geweest. Daar hadden meerdere aanwezigen doodleuk verteld over de ananas die zij in hun keukenraam hadden geplaatst, als teken dat dit paar openstond voor anderen. Zo wist je dat je aan het juiste adres stond wanneer je aanbelde voor een avontuurtje.
Ik zie het ook om me heen. Een vriend met een affaire die zich jaren voortsleept, een kennis met een geleend appartement waar zij af en toe met haar flirt van de avond bivakkeert, een vriendin die het stiekem met iemand van het schoolplein doet.
En ergens snap ik het. Zelfs ik moet bekennen dat de slop erin raakt bij mij en mijn vriend. Je kent elkaars lichaam, je woont samen, je hebt een kind... Hoe hou je het dan tóch spannend zonder meteen overspel te plegen?
Dat brengt me terug bij de bubbelende jacuzzi. Alhoewel het echte werk zich pas die avond laat in onze hotelkamer afspeelt, daar kom ik zo op. We raken met het stel aan de praat. Over het WK-kampioenschap opgietingen dat daar die dag aan de hand blijkt te zijn. En over kinderen (lekker hè, even een dagje samen eropuit) en waar we vandaan komen (ook uit Amsterdam!).
We maken grapjes en bespreken de gebruikelijke koetjes en kalfjes die je kan verwachten als je met volstrekt vreemden naakt een spadag deelt. Ik voel een soort energie losbarsten in m’n lijf. Fonkelende cellen die tot implosie komen als deze knappe onbekende man me aankijkt. Mijn lichaam voelt wakker geschud. Ineens kan ik me voorstellen hoe het is om te swingen. Die opwinding en die spanning, maar ook die ongemakkelijkheid.
Na een minuut of tien moeten mijn vriend en ik het bad verlaten om bij een van die opgietingen te zijn. Mijn vriend stapt de jacuzzi uit, wat mij geen andere keus laat dan mezelf in paradijskostuum uit het bad het steile trapje op te werken, zodat de man in kwestie een ‘perfect’ uitzicht heeft op mijn bilnaad van onderaf. Of hij kijkt, weet ik niet, maar ik voel wel de gêne. Deze tête-à-quatre is voorbij, maar de man blijft nog de hele middag in mijn hoofd ronddwalen. En dat deel ik met mijn vriend bij wijze van voorspel.
Want er is volgens mij een milder, maar niet minder effectief, alternatief voor iedereen die wel monogaam wil blijven en tegelijk behoefte heeft aan een ander. Zo doen wij dat.
Het begint met afstand. Niet fysiek (tenzij je bij die ene procent hoort die zich twee huizen kan veroorloven), maar denkbeeldig. Door ‘de ander’ niet lijfelijk, maar in fantasie toe te laten.
In de eerste plaats door ruimte te geven om over exen te praten. Door te delen wanneer je je aangetrokken voelt tot een ander. En dat kun je vervolgens ook doortrekken in rollenspellen. Hij de toerist, ik de twintiger die bijverdient met opgietingen in een sauna; ik de stiefmoeder, hij mijn stiefzoon; hij de vader, ik de student-oppas. Dit zijn scenario’s die zich in onze verbeelding afspelen en die we, tussen en buiten de lakens, ook hardop tegen elkaar uitspreken. Soms laten we een ander nog wat visueler en auditiever toe, door bijvoorbeeld samen porno te kijken. Ik wil dan graag weten welke vrouw hij aantrekkelijk vindt en vice versa en gebruiken het dan als springplank voor een ménage à troisfantasie.
Het idee dat mijn vriend het met anderen doet, of dat we het samen met anderen doen, wekt een bepaalde jaloezie in mij op. Niet verlammend of verwoestend, maar veilig – omdat het zich afspeelt binnen een verzonnen werkelijkheid. Het is een spel. Die jaloezie creëert afstand en daarmee aantrekkingskracht. Het gevoel van: ik wil jou. Je bent van mij. Het is een soort spelen met vuur zonder je te verbranden. Dit toelaten in de verbeelding werkt alleen als de basis klopt. Wanneer het gebouwd is op vertrouwen en wederzijds respect. Niet als vluchtroute, maar als speeltuin.
Fantasie bevrijdt. Onze verbeelding wil zich graag losworstelen van sociale normen en regels, ze gaat in tegen maatschappelijke taboes én het monogame ideaal. Volgens seksprofessor Daphne Gakes mag ze alleen in het brein blijven bestaan. Er is maar een klein percentage dat daadwerkelijk wordt uitgevoerd. En dat trekt de kaders. Tegelijk is de kracht van fantasie niet te onderschatten, want ons brein kan het niet goed van werkelijkheid onderscheiden, waardoor het uitspelen van zo’n fantasie verbluffend écht voelt.
Op deze manier de strak gespannen monogame touwtjes iets laten vieren brengt een soort speelsheid met zich mee. Het fundament van goede seks, als je het mij vraagt. Het is bovendien een uiting van vertrouwen. Wij kunnen het hebben om ‘die ander’ toe te laten en toch trouw te blijven aan onze monogame relatie. Het is een bevestiging dat ik de leukste relatie heb die er bestaat, juist omdat dit bespreekbaar is. Het nodigt uit tot dialoog, tot evaluaties van de relatie. Paradoxaal genoeg bescherm je de relatie door ruimte te geven. Niet omdat afstand garandeert dat iemand blijft, maar omdat te weinig afstand de liefde eerder verstikt. En ik kan je vertellen: het heeft iets verschrikkelijk aantrekkelijks als je met iemand samen bent die zich niet snel bedreigd voelt door een ander. En ik vind mezelf er ook een stuk leuker door.
Die avond na het bubbelbad in de hotelkamer begraaft mijn vriend zijn hoofd tussen mijn benen en bevredigt mij. Hij stopt en vraagt of ik al aan ‘hem’ denk. ‘Nee’, antwoord ik. En moedig hem vervolgens aan: ‘maar vertel eens, hoe ging dat verder in het bubbelbad tussen ons?’ Ik voel mijn opwinding direct exponentieel toenemen. Mijn vriend begint te fluisteren: ‘hij schuift naar je toe, je voelt zijn opwinding en je begint met hem te zoenen.’
‘Lekker’, zeg ik. En voeg toe: ‘en terwijl jij toekijkt hoe ik met hem zoen, glijdt je hand over mijn borst, zoen je mijn nek en voel ik jouw stijve tegen me aan.’ Met deze onbekende derde aanwezig in onze fantasie brengt mijn vriend mij daar in het bed van die hotelkamer tot een goddelijke climax. Ik voel weer die implosie van fonkelende cellen. Wat ontzeggen we onze geliefdes en onszelf als we dat nooit toelaten? Ik vermoed een hele hoop fonkelende cellen. We praten nog even na en vallen bevredigd in elkaars armen in slaap. Daar had ik dan weer niemand anders bij willen hebben.
Nina Pierson, Ongebonden; Lev Uitgevers, 285 pagina’s, € 22,99.
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant