Thomas Verbogt Ook in zijn nieuwe roman is het onderwerp weer twijfel, niets zeker weten. Daarbij past ook de soms wat aarzelende stijl, maar de lezer die de auteur de tijd wil geven wordt beloond.
Je hebt schrijvers die hun romans met strakke, pakkende, kristalheldere pagina’s beginnen, maar je hebt ze er ook tussen – en in alle eerlijkheid, dat zijn er nogal wat – die niet aan de gemeenplaats ontkomen dat alle begin ook in de schrijverij moeilijk is. Want dat is het natuurlijk ook, een lezer soepeltjes die geheel nieuwe wereld binnen laten glijden. Alles en iedereen is nieuw en moet bij de lezer geïntroduceerd worden, maar je mag dat ook weer niet al te braafjes en klip en klaar doen, want je bent een kunstenaar of je bent het niet en het is tenslotte het blaadje van de ANWB niet, die roman.
Thomas Verbogt: Foto’s van zonnige dagen. Wereldbibliotheek, 223 blz. €24,99
Zo denk ik dat er menig lezer zal zijn die hortend zal beginnen aan Foto’s van zonnige dagen, de nieuwe roman van Thomas Verbogt. De eerste paar zinnen van een roman, ben je geneigd te denken, moeten staan als een huis, die moeten je bij de lurven grijpen. Maar wat doet Verbogt: hij laat Rogier, een man van middelbare leeftijd, een ansichtkaart lezen met daarop één van de meest van twijfel doordesemde boodschappen aller tijden. De kaart in kwestie, schrijft de briefschrijfster, komt „waarschijnlijk” pas laat aan, terwijl ze zich iets „graag had herinnerd.” „Misschien wil je bellen”, vraagt ze zich af, maar „misschien ook niet.” „Waar heb ik het over?”, luidt haar volgende zin, alsof ze het voorgaande allemaal ook net zo goed níét had kunnen schrijven.
Als er daarna, op één zo’n miezerig klein stukje papier, dan nóg twee, drie vaagheden opgeworpen worden, dan vraag je je niet alleen af waarom deze kaart überhaupt verstuurd werd, maar ook waarom de lezer er deelgenoot van moest worden gemaakt.
Thomas Verbogt (1952) is, al vindt hij dit zelf vast een veel te boude bewering, zoiets als een socratisch schrijver. Zijn onderwerp is namelijk de twijfel, het niet zeker weten, het in actie brengen (voor zover we het schrijven tenminste met actie in verband kunnen brengen) van onzekerheid. Niet zo kiezelhard en programmatisch als Willem Frederik Hermans, maar ook stukken minder zijig en slap dan u vermoedelijk vermoedt, naar aanleiding van bovenstaand fragment. De lezer die al eerder een roman van Verbogt las, gooit deze nieuwe Verbogt dan ook niet onmiddellijk in de hoek, want die weet: dit is een schrijver die je even de ruimte en de tijd moet geven, omdat het nu eenmaal even duurt eer je in zijn groef bent beland.
Geïsoleerd, dus uit de context van het verhaal gelicht, zijn Verbogts zinnen soms ook niet bijzonder aantrekkelijk. Want Verbogt schrijft dus openlijk weifelend, maar ook wat troebel en slierterig soms – een eigenschap die je pas na verloop van tijd beter gaat begrijpen en omarmen. „Iedere dag”, staat er op de tweede pagina van de roman, „kan er een nieuw jaar beginnen, het hangt er maar van af welke betekenis je geeft aan hoe we tijd benoemen.”
‘Net niet, dit’, schreef ik er stellig bij in de kantlijn: zo’n boodschap kan veel stelliger, krachtiger en daarmee efficiënter verwoord worden. Maar verderop piepte ik wel anders en was ik, op een vergelijkbare manier als met eerdere Verbogten als Hoe alles moest beginnen (2017) en het voor de Libris geshortliste Als de winter voorbij is (2015), definitief in de ban geraakt van dit schrijven, dat simpelweg past bij de levens die erin gevat worden.
Want Rogier is een beetje een randfiguur. Niet in de zin van verlopen, maar als iemand die altijd behoefte had aan een zekere distantie en die noch in zijn werk, noch privé streefde naar een dominante, centrale positie. Hij schrijft essays over kunst, had aan de eveneens schrijvende Cleem één goede vriend, ontmoette Anna en kreeg samen met haar dochter Polly. Dat meisjesleven is al een mooi eind op weg, met Rogier als de sympathiek half-afwezige en inmiddels gescheiden vader, als Polly op een dag voor Rogiers ogen verongelukt. Behalve over waar rouwen uit bestaat voor zo’n beschouwelijk, secundair type als Rogier, is Foto’s van zonnige dagen ook een roman over niet-zien, over juist níét alles meekrijgen als je gewend bent om alles secuur, maar vanaf een afstandje te bekijken en overdenken. Of om sommige, onbedreigende zaken juist van microscopisch dichtbij te bekijken, maar de intiemere dingen niet.
Rogier is geen boef in Verbogts handen, de roman is geen afrekening met een verwaande, belezen kwast zoals Coetzee die geschreven zou kunnen hebben. Het beklemmende zit hem, en die ogenschijnlijk wankele stijl is hierbij dus juist stuttend, in het lot van ‘iemand als’ Rogier. Die de wereld op zijn manier leest, er wikkend en wegend het beste van probeerde te maken en die het essentiële pas achteraf ontdekte.
Wat is het toch een wonderlijk genre, de roman. Vang de eigenschappen van Foto’s van zonnige dagen in een paar bulletpoints (volop egocentrisme en zelfanalyse, amper sprake van een cultuurkritische component, sensitief, die hortende stijl) en je zou denken: laat die maar gaan. Maar het is een hele fijne roman.