Buitenlandse fictie In zijn absurdistische roman Arborescence schetst Rhett Davis op overtuigende wijze een wereld waarin mensen besluiten hun lichaam over te dragen aan de aarde. Ze zijn liever boom dan mens.
'Welke boom ben jij?' Beeld uit de serie Habitat(ten) van fotograaf Janine Schrijver waarbij ze mensen uitnodigt zich te verbinden met de natuur en zichzelf.
Rhett Davis: Arborescence, Fleet, 288 blz. € 25,99
Het is natuurlijk niet nieuw: mensen die liever een boom zijn. Denk aan de nimf Daphne die in een laurierboom verandert om te ontsnappen aan de lusten van de hitsige Apollo. Of aan de hoofdpersoon uit De vegetariër van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang die, nadat ze besluit te stoppen met vleeseten, het verlangen heeft haar vleselijke lichaam te verlaten om een boom te worden. Nu is daar nog een verhaal bij gekomen, een roman, zo pseudo-realistisch, dat je bijna gaat denken dat het kan: een wereld vol ‘omgeboomde’ mensen.
De Australische schrijver Rhett Davis – die in 2022 debuteerde met Hovering, een roman over ontwortelde stadsmensen – komt nu met Arborescence, een uiterst originele, licht satirische roman waarin hij op overtuigende wijze een wereld schetst waarin mensen besluiten hun lichaam op te offeren aan een betere wereld. De titel van het boek verwijst naar de Latijnse term arborescens: ‘boomachtig’ of ‘een boom worden’ en het verhaal vangt aan wanneer hoofdpersoon Bren en zijn vriendin Caelyn samen een onlinefilmpje bekijken van een groep mensen die met gespreide armen een boom nabootsen.
Performance art, denken ze, of gewoon wat stadsmensen die houden van ‘wacky shit’. Caelyn, die graag een artikel over het fenomeen wil schrijven, besluit de groep op te zoeken. Bren gaat mee en de eerste vrouw die ze tegenkomen – ,,gehuld in een bloemenjurk terwijl ze met gesloten ogen, halfopen mond en een verweerde huid op een heuvel staat” – blijkt vooral flink te stinken. Ze maakt deel uit van de Arborealists, een groep mensen die bijeen komen omdat ze willen opgaan in ‘het Totale Licht’. Ved, een van de mannen uit de groep, legt uit dat het ‘ombomen’ echter niet zo eenvoudig is. Arborescens, zo beweert hij, bestaat uit diverse stadia: eerst staat iemand, zonder voedsel, wekenlang stil, laat alles laten lopen (urine, uitwerpselen), waarna het pijnlijke wortelschieten aanvangt, de stam om het lichaam cirkelt en de takken en kruin de lucht inschieten.
Zowel Caelyn als Bren denken te zijn gestuit op een groep ecofanaten die menen een manier te hebben gevonden om zich van de moderne wereld af te keren. Eenmaal terug in de stad gaat Bren weer aan de slag voor een AI-bedrijf, genaamd ‘The Queue’, waarbij hij ‘werkpakketten’ moet verwerken voor een ‘ontlichaamde’ manager. Caelyn vindt werk in een tuincentrum. Maar niet voor lang, iets in haar zegt dat er wel degelijk meer aan de hand is en dat de Arborealisten minder gek zijn dan ze lijken. Ze besluit haar studie op te pakken, specialiseert zich in ‘psychobotany’ en begint aan een proefschrift te werken.
En dan wordt dit verhaal interessant, want Davis weet dit absurde gegeven vervolgens te koppelen aan allerlei filosofische en maatschappelijke kwesties. Iets wat sterk doet denken aan het nuchtere magisch-realisme van Rob van Essen die in zijn romans eveneens ondenkbare situaties op een registrerende, overtuigende manier weet neer te zetten. Terwijl wereldwijd steeds meer mensen met gestrekte armen in bossen en velden gaan staan, gelooft niemand dat deze mensen ook daadwerkelijk wortelschieten. Tot Caelyn het bewijs levert en vervolgens, als succesvol academicus, de wereld rondreist om de mensheid ervan te overtuigen dat dit ‘verbomen’ geen slechte zaak is.
Het leidt uiteraard tot allerlei morele, maatschappelijke en zelfs praktische discussies: moet je rouwen als een familielid een boom wordt, of is deze persoon er gewoon nog? Mag je overal ‘verbomen’ – in je achtertuin, midden op straat – of alleen bij een bos? Welke bemesting is goed voor een familielid? Is het vergiftigen van een boom moord? Ga je vreemd wanneer je met de beste vriendin van je vriendin naar bed ben gaat nadat je vriendin in een boom is veranderd?
Lekker melig, zou je denken, maar Davis snijdt wel degelijk belangrijke thema’s aan. Deze massale, vrijwillige ‘verboming’ biedt immers een praktische oplossing voor zowel de vergrijzing als de klimaatcrisis. Of, in de woorden van Caelyn: „Bomen zijn de hoogste vorm van leven. Het leven dat geeft, dat verbindt, dat vrede heeft met zijn plek en niet probeert deze te veranderen, niet meer wil dan wat het nodig heeft, niet neemt, niet vernietigt.” Ondertussen gaat het tussen Caelyn en Bren een stuk minder goed. Terwijl zij internationaal furore maakt, verliest hij zijn baan en kan hij ’s nachts niet meer slapen, gekweld door „houtachtige keelgeluiden van mensen die de laatste, pijnlijke stuiptrekkingen van het boom-worden doormaken.”
Naarmate de wereld steeds leger wordt en zijn alcoholverslaafde moeder steeds kwetsbaarder, geraakt Bren in een existentiële crisis: ,,We zijn allemaal gewond” , mijmert hij, „vol gaten die we proberen te vullen. Maar waar vullen we ze mee?” Toch ziet hij, nadat zijn moeder ook wortel schiet en verandert in een vijftien meter hoge subtropische boom, uiteindelijk de schoonheid in van een ontvolkte wereld. Misschien is deze verschuiving, deze zachtaardige vorm van herstel, wel onvermijdelijk, concludeert hij. „Als de hele planeet bedekt raakt met onze houten beenderen en nieuwe wortels en de wereld teruggaat naar het groen en de blauwe lucht, is dat dan zo erg?”