Tommy Wieringa is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
De vorige keer dat ik het graf van mijn moeder bezocht, was tijdens de boerenopstand. Eenmaal van de A28 af passeerde ik het plaatsje Rolde, waar uit ieder tweede huis een omgekeerde vlag stak, en bij zowat elke auto een rode boerenzakdoek aan de spiegel of de trekhaak zat geknoopt. Je moest hier geen autopech krijgen als vermeend progressieve westerling, je stak uit als een zwerende vinger – er hing geweld in de lucht. De oorlog waarmee het schorem van de Farmers Defence Force nog altijd dreigt.
Nu was het rustig in Rolde. Een rustige voorjaarsdag, de polarisatie was voor even met de winterjassen weggeborgen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een paar kilometer het dorp uit lag mijn moeder sinds een jaar of tien onder de bomen van een natuurbegraafplaats. Zij niet alleen, ook mijn pleegmoeder vond daar haar laatste onderdak. Door een speling van het lot werden ze vlak bij elkaar begraven, de een in een urn en de ander in een kist, mijn twee moeders die bij leven elkaars bloed wel konden drinken. De bittere vete is met hen begraven, de enige die er nog van weet ben ik.
De steen van mijn pleegmoeder is overdekt geraakt met een haartooi van mos, alleen de voorzijde met naam en jaartallen is onbegroeid; je kunt er noord en zuid goed aan aflezen.
De steen van mijn moeder ligt wat verloren bij een kruising tussen de paden, er bloeit hondsdraf omheen, een steentje op haar kei wijst op bezoek van mijn zusters onlangs. Ze hebben het graf vrijgemaakt van takken. Ik zit een tijdje op mijn hurken en spreek mijn moeder binnensmonds toe, met een verzoek om bijstand voor een van haar kleinkinderen onder andere, een beetje vreemd voor een verklaard materialist, maar de wortels van het spiritisme steken nu eenmaal dieper.
Hommels en zweefvliegen zijn uit de warme voorjaarsdagen tevoorschijn gekomen, dit is een plek om te blijven, om in het gras naast het graf van je moeder te liggen met de zon op je gezicht, maar als volwassene moet je altijd weer ergens anders naartoe, iets doen, zomaar ergens liggen met een strootje tussen je tanden is er niet meer bij.
Bij de viskraam in het centrum van Rolde eet ik een lekkerbek, het is drie jaar na de boerenonlusten, de kust is veilig.
Ik schuif aan bij twee dames aan een tafeltje in de zon. De een is 93, de ander 86, ze hebben van de natuurbegraafplaats gehoord, ze waren al van plan er eens een kijkje te nemen. Een vriendin van ze heeft er al een plekje uitgezocht.
Ik noem het voordeel van eeuwige grafrust: ‘Dus dat je niet na twintig jaar wordt geruimd omdat je kinderen de grafrechten niet willen betalen. Nee, je koopt een plekje met kadastrale aanduiding, waar je tot in de eeuwigheid mag blijven liggen.’
Daar hebben ze wel oren naar, maar dat er niks van tierelantijnen is toegestaan, alleen een kei of een plak hout met je naam erop, dat is ze toch wel een beetje te karig. Zelfs geen bloemetje?
Zelfs geen bloemetje. Wel zweefvliegen, hommels en ruisende bladeren boven je hoofd.
Ze denken er nog over.
Er is nog tijd.
Source: Volkskrant