Nederland kampt met overvolle asielzoekerscentra, mede doordat statushouders in azc’s niet kunnen doorstromen naar een reguliere woning. Tijd voor een nieuwe norm: woningdelen.
Gemeenten hebben een wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders, maar 70 procent haalt die niet. Daardoor houden mensen die inmiddels een verblijfsstatus hebben gekregen bedden in azc’s bezet, die bedoeld zijn voor nieuwe asielzoekers – wekelijks zo’n achthonderd tot duizend mensen.
Huisvesting voor statushouders concurreert direct met die voor andere woningzoekenden. Zolang er geen alternatieven zijn, blijft het beleid van voorrang voor statushouders bestaan. Die voorrang levert onvrede op. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat twee derde van de Nederlanders geen begrip heeft voor deze voorrang; slechts 10 procent vindt die terecht.
Over de auteurs
Jeroen Mens en Frank Wassenberg zijn woningmarktdeskundigen bij Platform31.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Het probleem zit niet alleen in het tekort, maar ook in het type woningen. De Nederlandse woningvoorraad bestaat vooral uit gezinswoningen, terwijl de meeste woningzoekenden alleen zijn of met twee. Aedes, de vereniging van woningcorporaties, houdt cijfers hierover bij. Circa een derde van de vrijkomende eengezinswoningen gaat naar alleenstaanden, en nog eens bijna een kwart naar stellen zonder kinderen.
Deze woningverdeling geldt ook voor statushouders, veelal jongeren onder de dertig, blijkt uit cijfers van het COA. Ook zij krijgen, net als andere alleenstaande woningzoekenden, regelmatig een zelfstandige (gezins)woning toegewezen. Dat is inefficiënt, onnodig en voedt wrevel bij andere woningzoekenden.
Voor veel alleenstaande statushouders is woningdelen een passende tussenoplossing – zeker vergeleken met een langer verblijf in een azc. Dat laatste vergroot de behoefte aan meer opvanglocaties, terwijl de maatschappelijke weerstand daartegen groot is, zoals de recente gemeenteraadsverkiezingen lieten zien.
Woningdelen is geen noodoplossing, maar slim en verantwoord voorraadgebruik. Meer mensen worden sneller geholpen, het bevordert sociale contacten en het kan integratie versnellen. Delen kan met andere statushouders, maar ook gemengd met studenten of starters – vrijwillig en met zorg voor passende matches. Een goede ‘klik’ is essentieel; je deelt tenslotte je huis.
Bezwaren zoals overlast en weerstand van omwonenden zijn reëel, maar niet uniek. We accepteren die ook bij studentenhuizen en zogeheten friends-contracten. Waarom hier dan niet? Enkele gemeenten en provincies experimenteren inmiddels met woningdelen voor statushouders. Het Rijk stimuleert dit tijdelijk met subsidies, inclusief mogelijkheden voor sociaal beheer, om overlast te voorkomen en een goede mix te waarborgen.
Onderzoek van Platform31 uit 2024 laat zien dat als woningcorporaties tien jaar lang slechts 4 à 5 procent van hun woningen inzetten voor woningdelen door alleenstaanden, circa 60 duizend woningzoekenden extra geholpen kunnen worden. Dat is geen marginale ingreep, maar een structureel effect.
Het vraagt wel om gezamenlijke actie: minder belemmerende lokale regelgeving (gemeenten), langere stimuleringsregelingen (Rijk) en aangepaste woningtoewijzing (corporaties en gemeenten). Er zijn inmiddels de nodige handreikingen met praktische kennis, voorbeelden en handvatten.
Een eengezinswoning of ruime flat verhuren aan twee of drie alleenstaanden is iets fundamenteel anders dan een gemengd-wonencomplex. In zulke complexen wonen tientallen tot soms honderden mensen met uiteenlopende achtergronden samen in één gebouw, met een eigen kamer en gedeelde voorzieningen. Van dit type bestaan inmiddels ruim 160 complexen, die doorgaans goed functioneren. Begin 2026 kwam daarop een pijnlijke uitzondering in het nieuws: Stek Oost in Amsterdam, waar ernstige problemen speelden en waarop onvoldoende werd gereageerd.
Voor succesvolle gemengd-wonencomplexen zijn enkele randvoorwaarden essentieel: selectie aan de poort, gemotiveerde bewoners, voldoende aandeel ‘dragende’ bewoners, goed sociaal beheer en de mogelijkheid tot uitplaatsing bij wangedrag. Je wilt bewoners die graag mét anderen wonen en dat ook aankunnen. In Stek Oost ontbraken deze voorwaarden, maar in veel andere complexen wordt hier zorgvuldig op gestuurd. Bij woningdelen liggen die voorwaarden vanzelf al gunstiger; het gaat immers om een enkele woning.
Maak woningdelen de norm voor jonge alleenstaande woningzoekenden, of ze nu uit Afghanistan, Amersfoort of Appingedam komen. Wie bereid is te delen, zou sneller geholpen moeten worden, terwijl de inschrijftijd gewoon doorloopt: je woont terwijl je wacht, werkt aan je integratie en bouwt lokale contacten op. Dat is eerlijker, efficiënter en vermindert maatschappelijke onrust over volle en nieuwe azc’s. Het verzacht bovendien het gevoel van onrechtvaardigheid dat bij veel woningzoekenden leeft.
Laat statushouders en andere jonge woningzoekenden samen de eerste stap in hun woonlijn zetten, voor wie dat wil. Woningdelen is geen noodgreep, maar een volwassen antwoord op de woningnood en opvangdruk. Wat nu nodig is, is politiek en bestuurlijk lef: bij het Rijk, gemeenten en woningcorporaties, om samen woningdelen tot norm te maken.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant