Home

De strafrechtspleging staat op de automatische stand

Wie een scherp stukje schrijft over de vastgelopen strafrechtspleging krijgt repliek. Zeker als je daarin de kritiek van de Rekenkamer, de inspectie en Kamer nog eens hebt versterkt. Dan geeft die ‘strafrechtketen’ vanzelf antwoord. Er leeft daar behoorlijke ergernis en frustratie over ‘de politiek’ zo blijkt, maar ook over het eigen apparaat.

Tegelijk valt me ook altijd het engagement op. Hoezeer rechters, politiemensen en officieren het ook zat raken, hun beroepsethos staat voorop. Kennelijk moeten ‘ze’ het er maar mee doen. En dus doen ze dat, ook al kraakt het aan alle kanten. Onlangs legde rechter-commissaris Chris Beuker in het Noorden z’n functie neer met een ferm j’accuse. Zó kan het eigenlijk niet langer. Maar dan toch met een ferme slotzin (op LinkedIn) ‘kop d’r veur’. Wat ‘hou vol’ betekent.

Zijn analyse van tien jaar strafpraktijk is zeer relevant en tegelijk ook bekend. „Het strafrecht moet oplossen wat jarenlang is verwaarloosd en wordt steeds vaker ingezet om maatschappelijke problemen op te vangen die [men] elders [liet] liggen.” Bezuinigen op de geestelijke gezondheidszorg, jeugdhulpverlening en verslavingszorg leidt tot „dweilen met de kraan open in de rechtszaal”. Beuker ziet een groeiende groep die „geen opleiding, geen werk, geen inkomen, geen opvang, geen begeleiding, geen hulp, geen toekomst, geen leven [heeft]. Wat je zaait, is wat je oogst.”

Het leidt tot een samenleving „waar verslaving, psychische ontregeling en uitzichtloosheid uitmonden in geweld, brandstichting en plundering. En waar we iedere keer doen alsof dit ons overkomt.” Beuker hekelt de Rutte-jaren van „marktwerking, zelfredzaamheid en doorgeschoten individualisering”. En: „Wie veiligheid wil, moet investeren in mensen. Alles daarbuiten is schijnbeleid.” Die zit. Magistraten spreken dus ook weleens búíten hun vonnis of requisitoir, zo blijkt. In het Dagblad van het Noorden deed hij het dunnetjes over.

Een evergreen op de werkvloer is ook ergernis over flutzaken die nooit de zitting hadden moeten halen maar dat toch doen. Een strafrechter mailde me dit voorbeeld. Een zaak tegen een 55-jarige invalide bijstandsgerechtigde bij wie thuis, na een tip van z’n ex (..), een defecte taser, knalpatronen en een airsoftwapen (van een familielid) werden gevonden. Wat de politie verzuimde na te trekken. Waarna het parket 1.000 euro boete oplegt, waartegen de man verzet aantekent, want geen geld. Waarna de dagvaarding de verdachte niet bereikt, want PostNL faalt. Waarna de officier op zitting er 200 euro boete van maakt plus 800 euro voorwaardelijk, want flauwekulzaak. Waarna de rechter het op 800 euro voorwaardelijk afhamert, om dezelfde reden. „Zo zijn er ieder jaar duizenden”, staat er in de mail. Bullshitzaken die de keten verstoppen.

Inmiddels is zijn rechtbank bezig met wietplantagezaken die in 2022 werden opgerold. Een achterstand van víér jaar dus. Hebben zulke zaken überhaupt wel nut? Hij vraagt het zich af. Wiet- en cokegebruik is wijdverbreid en breed geaccepteerd. „Intern stel ik weleens voor Opiumwetzaken alleen nog financieel te bestraffen”. Kun je algemeen voorkomend drugsgebruik nog wel als een serieuze inbreuk op de rechtsorde kwalificeren? „Ik zie nooit agressie door xtc-, maar wel door alcoholgebruik.” Eenzelfde twijfel bekruipt deze rechter bij de vele opgelegde zeer korte celstraffen. De hélft van alle opgelegde celstraffen is korter dan een maand. Drie van de vier is korter dan drie maanden. In de penitentiaire wereld denkt niemand dat zo’n kort verblijf in de cel enige kans biedt op resocialisatie of herstel. Hij suggereert de collega’s intern weleens „helemaal geen celstraffen korter dan zes maanden meer op te leggen”. Maar krijgt geen sjoege, nog niet. Staat de strafrechtspleging op de automatische piloot? Staat het water aan de lippen? Muurvast zit het in ieder geval.

Veel oorzaken hoorde ik vaker. Van het strafrecht wordt altijd te veel verwacht. Behalve voor vergelding, preventie en rehabilitatie zou het bijvoorbeeld ook voor ‘heling’ moeten zorgen, zo werd onlangs in NRC bepleit. In het opiniestuk kwam het aloude bezwaar kwam dat het strafrecht te veel om de dader draait. Om díéns schuld, diens handelen, om diens strafbaarheid; in het strafproces is het slachtoffer bijna een rekwisiet, een voorwerp, is de klacht. En de vele nieuwe slachtofferrechten veranderden dat niet echt, is mijn indruk.

Nog een evergreen. Er komt te veel matige wetgeving uit Den Haag, die in de praktijk niet goed uitvoerbaar is. Waarvoor dan wel is gewaarschuwd. Net als nieuwe prioriteiten, die automatisch andere verdringen. De zaakbehandeling wordt ook complexer en dus intensiever is de klacht. Slachtofferrechten zijn uitgebreid, er zijn meer tolken nodig, verdachten kregen door Europese rechtspraak ook meer rechten, het bestuur is lichtere zaken zelf gaan afdoen. Het aanbod van strafzaken is eenzijdig – te veel ‘laaghangend fruit’. Milieu-, zeden- en fraudezaken blijken duur, tijdrovend en vragen om schaarse expertise. Die is vaak niet in te huren: elders zijn salarissen beter. Rechtspraak en OM lopen ook achter in diverse samenstelling, in goede digitale werkomgeving, in bestuurlijke slagkracht. En daarmee ingebakken. Er zit dus stevige spanning in het apparaat – ook de volhouders en idealisten zijn er een keer klaar mee. Dan blijft alleen nog „kop d’r veur” over.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next