Home

De baby in deze roman van Claire Kilroy is een volwaardig personage

Claire Kilroy In fenomenaal pijnlijke passages beschrijft de Ierse schrijfster Claire Kilroy hoe een moeder voor een moeilijk kind zorgt terwijl de vader het af laat weten onder mom van „jij bent gewoon beter in die dingen”.

Höganäs, Sweden

Liefhebbers van het proza van Claire Kilroy (Dublin, 1973) hebben na haar vierde roman meer dan tien jaar moeten wachten op haar nieuwe roman: Soldaat, Matroos. In een interview met The Irish Times wijt ze de lacune aan het moederschap: ze kon de kinderopvang niet betalen, ging werken als lerares, maar daardoor had ze geen tijd meer om te schrijven. Ook werkte haar brein anders; haar woordenschat kromp, ze vergat dingen.

Claire Kilroy: Soldaat, Matroos. (Soldier Sailor) Vert. Lidwien Biekmann.

Nijgh & Van Ditmar, 254 blz.

€ 22,99

Nu is Soldaat, Matroos een roman, fictie, maar als de ervaring van de moeder die hierin de hoofdrol speelt (‘Soldaat’) die van Kilroy ook maar een beetje benadert, mogen we van een wonder spreken dat er überhaupt nog iets geschreven werd. Maar de roman kwam: een uit de tenen geschreven relaas over het moederschap. Matroos, de baby van Soldaat, is wat men tegenwoordig een ‘temperamentvol kind’ zou noemen: een kind met driftaanvallen, dat niks lust en niks wil, behalve als het niet mag of kan. Een kind waar je minstens vier armen en een dorp voor nodig hebt. Enter Soldaats echtgenoot, zou je denken, maar hij is wat men tegenwoordig een ‘klaphark’ zou noemen. Een man die weliswaar de kost verdient voor het hele gezin, maar die verder zijn handen overal vanaf trekt, niet weet wat je een kind te eten geeft en klaagt over zijn nachtrust als zijn vrouw in een hoofdstuk om niet licht te vergeten met een doodzieke (Tandjes! Kots! Poep! Gal! Koorts!), hysterische baby schippert. Zijn verdediging: „jij bent gewoon beter in die dingen”.

Dus daar gaat Soldaat: ze loopt ’s nachts met de kinderwagen rond om de baby stil te krijgen. Ze gaat met hem naar een speeltuin waar hij andere kinderen terroriseert. Ze probeert eten te bereiden terwijl Matroos, in de kamikazefase, de halve keuken en zichzelf afbreekt (echtgenoot: „hoe kun je nu rijst aan laten branden?”). Het is vreselijk en bij momenten (lucht!) ook geslaagde slapstick, bijvoorbeeld in een Mr. Bean-achtige passage waarin Soldaat iets met een wiebelend kind, een buggy, een regenzeiltje en een paraplu moet doen. Of wanneer ze met hem op een wip zit en denkt: „Als ik mijn volle gewicht had ingezet, zou ik je de ruimte in hebben gelanceerd” – je wéét dat ze het wil.

Matroos is natuurlijk ook maar een kind. We volgen hem tot hij vier is. Soms appt Soldaat haar echtgenoot een foto van een lief moment. Ze krijgt altijd een smiley terug. Ze is moe. Ze is zó moe dat haar zware lijf, haar wanhoop, haar verwondering over het verlies van zichzelf, bijna overslaat op de lezer. Ze is zo moe dat ze haar kind achterlaat in een bos, om hem vervolgens, blinde paniek, weer te moeten zoeken. Ze is zo moe dat ze waan niet van werkelijkheid kan onderscheiden – net zonde dat ze de lezer wel uitlegt hoe het eigenlijk zit. En tot overmaat van ramp, of juist verlichting, ontmoet de doodmoeë Soldaat een oude vriend: een vader die, in tegenstelling tot haar echtgenoot, wél voor zijn kinderen zorgt: oeh lala. De loopgraven in, zullen we!

Nederpopsong

Is de roman daarmee een jammerklacht over het moederschap, een aanval op een nutteloze vader? Niet helemaal; door de lullige ruzies tussen Soldaat en haar echtgenoot precies zo lullig op te tekenen, in bijvoorbeeld een fenomenaal pijnlijke Ikea-passage, is het ook een blik op haar eigen rol in de dynamiek. Wat ergens de zaak voor de lezer tamelijk frustrerend maakt. Waarom veranderen ze niet? Waarom zitten ze zo vast in die clichématige rollen? Die frustratie is dan weer een kundig opgeroepen echo van Soldaats frustratie, die van haar echtgenoot tot (het zal eens niet) het patriarchaat reikt. Ze bijt haar kind toe: „Kleine meisjes zijn veel verbaler dan hun mannelijke tegenhangers. Maar maak je geen zorgen, Matroos: jij gaat later meer verdienen dan die meiden.”

Het is jammer dat – zonder te veel te verklappen – haar snedigheid aan het eind van het boek ineens plaatsmaakt voor lyriek die ook op z’n plek zou zijn in een cheesy Nederpopsong: „Als de wind door de takken golft/ Maar de boom niet langer waakt over de kinderen/ al die schilderachtige kinderen …”

Als je die laatste paar pagina’s buiten beschouwing laat is Soldaat, Matroos een mooi geschreven liefdesverklaring aan Matroos. Zij vertelt het verhaal van hun wording aan hem, spreekt hem direct aan. „Nou Matroos”, schrijft ze in de eerste alinea van de roman, „Daar zijn we dan weer, jij en ik in elkaars armen.” Vaak spreekt ze tegen hem over „de baby”, alsof hij uit twee delen bestaat: het deel dat van haar is en het deel dat ze niet begrijpt, zijn onbereikbare drift. Matroos is door Kilroys geweldige vermogen te vertellen een onvergetelijk en volwaardig personage – iets wat je niet vaak over boekenbaby’s kunt zeggen. Je zou van hem gaan houden, net als Soldaat dat doet: „De aarde draait onder ons en alles is goed”, gaat de eerste alinea verder, „…voorlopig. Jij weet nog niet dat wat wij samen hebben tijdelijk is. Maar ik wel. Ik sluit mijn ogen en ik weet het. ” O, die verdomde vergankelijkheid. Niet alleen zij verandert in iemand anders, maar ook Matroos verandert iedere dag weer, en allebei veranderen ze richting een onontkoombaar eindpunt, waarvan Soldaat alleen maar kan hopen dat zij daar eerder is dan hij.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next