Home

EU heeft na Orbán gouden kans vetorecht in te perken, maar moet dat wel wíllen

De Europese Unie heeft dé kans om zichzelf grondig te hervormen na de verkiezingsnederlaag van dwarsligger Viktor Orbán. In Brussel klinkt al langer de roep om het vetorecht in te perken, maar dan moeten lidstaten dat zelf wel willen.

De kritiek op de Europese Unie is vaak dat die besluiteloos, log en weinig slagvaardig is. Dat heeft er deels mee te maken dat de macht in Brussel wordt gedeeld door de Europese Commissie en de nationale regeringen van 27 lidstaten. Al die regeringen moeten het ook nog eens met elkaar zijn op bijvoorbeeld het buitenlandbeleid.

Het is dan ook geen verrassing dat de Europese opluchting groot was toen zondagavond bleek dat er een einde komt aan het premierschap van Orbán. De Hongaar wordt in Brussel gezien als notoire dwarsligger die het Europese besluitvormingsproces gijzelt met zijn vetorecht, bijvoorbeeld als het gaat om steun aan Oekraïne.

Het dieptepunt was in december 2023. De EU wilde met Oekraïne onderhandelen over toetreding, maar Orbán hield dat tegen. De oplossing: Orbán ging tijdens de cruciale stemming naar het toilet, zodat hij niet tegen zijn eigen belangen hoefde te stemmen. De overige 26 EU-leiders konden de onderhandelingen met Kyiv met unanieme goedkeuring starten.

Dat nooit meer, zal Commissievoorzitter Ursula von der Leyen hebben gedacht. Nog geen 24 uur nadat de Hongaren een einde hadden gemaakt aan het premierschap van Orbán zocht ze de Brusselse camera's op. Haar boodschap: nu de EU van Orbán is verlost, moeten we ook af van het vetorecht van lidstaten.

"Er zijn juridisch gezien opties om het vetorecht in te ruilen voor meerderheidsstemmen", zegt Henri de Waele. Hij is deskundige op het gebied van Europees recht en verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Universiteit van Antwerpen. "Ook door voorgangers van Von der Leyen werd al op deze trom geroffeld."

Het vetorecht van lidstaten is bovendien door de jaren heen al heel erg ingeperkt. Voor zeker 80 procent van de zaken waarover de lidstaten stemmen, geldt dat een gekwalificeerde meerderheid moet worden bereikt. Dat betekent dat een voorstel in de regel goedkeuring moet krijgen van minimaal 55 procent van de lidstaten die in totaal 65 procent van de Europese bevolking vertegenwoordigen.

Het buitenlandbeleid is juist een van die weinige beleidsterreinen waarop nationale regeringen van oudsher hun vetorecht niet of nauwelijks willen opgeven. Om het vetorecht over buitenlandse zaken verder in te perken moeten alle 27 EU-leiders hun goedkeuring geven. "Het grote angstbeeld is toch dat er dan ineens allerlei besluiten buiten de nationale regeringen om genomen kunnen worden", zegt De Waele.

"Als je dit besluit neemt, neem je het ook voor de toekomst", voegt Ton van den Brink toe. Hij is als hoogleraar EU-wetgevingsvraagstukken verbonden aan de Universiteit Utrecht. "Dat betekent dat je ooit ook overstemd kan worden op buitenlandse thema's waarvan je nu nog niet weet wat de belangen zijn."

"Maar het onmogelijke is al wel vaker gebeurd in de Europese Unie", benadrukt Van den Brink. Het verleden wijst uit dat onder druk alles vloeibaar wordt. Als voorbeeld noemt hij het coronaherstelfonds, een pakket met verregaande financiële maatregelen dat lang werd tegengehouden door Noord-Europese landen. Maar naarmate de gevolgen van de crisis voelbaar werden, gingen ook die landen overstag.

De politieke omstandigheden zijn ook nu extreem. De kritiek op de besluiteloze en logge Brusselse besluitvorming zwelt weer aan nu de Amerikaanse president Donald Trump als een olifant door de geopolitieke porseleinkast raast. Brussel staat erbij en kijkt ernaar, is het gevoel.

Dat kan ook bij nationale regeringsleiders het gevoel aanwakkeren dat er toch iets fundamenteels moet veranderen, zegt Van den Brink. "Kijkend naar wat er in Iran gebeurt en de dreiging die van Rusland uitgaat, kan men denken: die Europese onzichtbaarheid heeft nu lang genoeg geduurd."

De EU is sowieso een project dat in tijden van crises is gevormd. Op momenten dat lidstaten in (economisch) zwaar weer zaten, waren ze bereid meer macht naar Brussel over te hevelen. Inmiddels is het buitenlandbeleid nog een van de weinige beleidsterreinen waarop lidstaten een vetorecht hebben.

Toch is de kans volgens De Waele en Van den Brink heel klein dat het vetorecht op buitenlandbeleid volledig wordt afgeschaft. Maar het zou wel kunnen dat een tussenoplossing wordt gezocht. De Europese Raad kan besluiten om specifieke thema's met een meerderheidsstemming te beslechten, bijvoorbeeld voor het instellen van sancties tegen landen als Rusland, zegt De Waele.

Een andere tussenoptie is stemmen via een zogeheten supermeerderheid van bijvoorbeeld 80 of 90 procent, stelt Van den Brink. Daarmee wordt voorkomen dat lidstaten het besluitvormingsproces met een veto kunnen gijzelen, maar moeten besluiten nog steeds groot draagvlak hebben.

Von der Leyen zal haar uiterste best doen om regeringsleiders ervan te overtuigen dat de EU moet hervormen, ook op het gebied van buitenland. "Maar ze kan niets forceren", zegt De Waele. De EU mag dan wel van Orbán verlost zijn, met Robert Fico in Slowakije en Andrej Babis in Tsjechië zitten er nóg twee Eurosceptische leiders in de Europese Raad.

Ook moet blijken hoe de samenwerking met Orbáns opvolger Peter Magyar eruit ziet. Hij zal naar verwachting het Hongaarse veto op een volgend Europees sanctiepakket tegen Rusland opheffen, in ruil voor de broodnodige Europese miljardensubsidies. Maar daarna moet volgens De Waele nog maar blijken hoe pro-Europees hij écht is.

Bovendien is niet gezegd dat er nooit meer een nieuwe Orbán zal opstaan in Brussel. Het Europese besluitvormingsproces op het gebied van buitenlands beleid blijft kwetsbaar voor dwarsliggers die de Brusselse slagkracht willen chanteren. Orbán heeft bewezen dat het kan.

Source: Nu.nl algemeen

Previous

Next