Home

Het type man dat de dingen doet zoals hij ze nu eenmaal doet

Nederlandse literatuur Wilfried de Jong en Benny Lindelauf schreven romans over mannen van middelbare leeftijd die door het leven onderuitgehaald dreigen te worden. In een staccato-stijl, die rechttoe-rechtaan lijkt, maar ook iets probeert te verhullen.

Wilfried de Jong: Mist. Zwartjes & Labovic, 200 blz. € 22,99

Benny Lindelauf: Het licht tussen onze vingers. Querido, 176 blz. € 20,-

Mannen van middelbare leeftijd: ze zijn vaak gestegen tot grote hoogte, maar kunnen lijden aan valangst. Of op zijn minst aan hoogtevrees. Wie weet gaan ze alsnog op hun bek? In Mist, de debuutroman van Wilfried de Jong (1957), betrekt een man weifelachtig een appartement op de achtenveertigste verdieping van een chique Rotterdamse flat. Is dit een goed idee, na een leven op de begane grond?

Het licht tussen onze vingers, de eerste roman voor volwassenen van de veelbekroonde jeugdboekenschrijver en scenarist Benny Lindelauf (1964), begint met een man die in een eik hangt. Twaalf meter boven de grond. Met precies onder hem een gietijzeren hek met punten. In zijn handen klemt hij een zieltogend kuiken (of is het al dood?). Zijn linkervoet zit klem, hetgeen naar zijn idee „zowel een zorg als een geruststelling” mag heten.

Ook de naamloze hoofdpersoon van De Jong koestert een vogel. Tegen wil en dank: er knalde een postduif tegen zijn nieuwe raam. Eigenlijk is hij bang voor vogels. Bij Lindelauf is hoofdpersoon Walter Bronoet, alvorens in die boom te belanden, vrijwilliger in een ooievaaropvang. Uit noodzaak, niet zozeer uit vogelliefde. Beide kerels exploreren via de vogels hun zorgzaamheid.

Espressoapparaat

Waar Lindelauf de boel meteen op scherp zet én dat zo houdt, schreef De Jong een kabbelend boek. Veel kom je niet te weten over zijn hoofdpersoon: hij woont samen met zijn espressoapparaat, houdt van jazz en van (race)fietsen (net als De Jong zelf), wilde ooit voetballer worden, heeft een kleermaker. „En wat voor werk doe je als ik vragen mag?” vraagt een buurvrouw. „Van alles. Maar ik ben wel zo’n beetje klaar”, luidt het antwoord. „Wat heerlijk”, zegt zij dan weer. „Ik heb het veel te druk.”

Aanvankelijk is het intrigerend, een hoofdpersoon die zo oningevuld en zo probleemloos is, en dit soort suffige dialogen: je verwacht dat er van alles volgt. Het zal toch wel schone schijn zijn? De man is aardig voor zijn nieuwe buren, gaat eens naar de sportruimte in het gebouw, naar het restaurant op het dak, naar de kelderbox, mijmert wat. En verder? Hij oefent met rondjes draaien op zijn bureaustoel, en o ja, gaat een keer zwemmen in de Maas en verzuipt bijna. Maar zelfs dat laatste zet niet echt iets in beweging in hem. De mist rond zijn nieuwe woonplek trekt op, dat wel: met wat goede wil kun je daarin lezen dat hij zich thuis gaat voelen. De inkijkjes bij de uiteenlopende buren zijn best boeiend, maar het zijn een soort aanzetten tot verhalen. Er komt geen lijn en geen vaart in.

De Jong werd in het verleden geprezen om zijn staccato-stijl. In columns en verhalen werkt het wel, die bondigheid, de eenvoudig verwoorde observaties, maar in deze roman heeft het iets opsommerigs. Toen dit, toen dat, dan zus, dan zo: „Het was benauwd in huis. De nachttemperatuur […] stond standaard op achttien graden. Ik zette een tuimelraam op een kier. Onmiddellijk voelde ik een frisse luchtstroom langs mijn gezicht trekken. Heerlijk.” Nou en? Mist is flets, het beklijft niet.

Het licht tussen onze vingers van Benny Lindelauf lijkt aanvankelijk dezelfde stilistische makke te hebben. Ook hier staan veel staccato zinnen die aan mededelingen doen denken: „Hij vroeg of hij een andere arts kon spreken. Ze glimlachte. Hij belde de rijschool. Die zeiden dat het hun speet.” Die stijl bevreemdt, want Lindelauf staat juist bekend om zijn epische vertellingen, vol luister, leven en fantasie. Denkt hij misschien dat hij voor volwassenen simpeler (uitgebeend?) moet schrijven dan voor kinderen en jongeren? Of is er iets anders aan de hand?

Gaandeweg wordt duidelijk hoe bij Lindelauf vorm en inhoud slim samenhangen. Bij hem staat de stijl in dienst van het verhaal. Hij kiest bewust dit register om de afgeperkte wereld van zijn hoofdpersoon te schetsen, hem te typeren en laat, naarmate de roman op gang is, de taal steeds meer stromen.

Kerel van stavast

Walter Bronoet is om te beginnen een kerel van stavast, iemand die de dingen doet zoals hij ze nu eenmaal doet. Dat lijkt sterk, maar in feite klampt hij zich vast aan zijn zekerheden. En die ontvallen hem, een voor een, om te beginnen met zijn baan. Hij wordt als rij-instructeur op non-actief gezet als zijn rechterbeen spasmen begint te vertonen. Je leest er haast overheen als er vervolgens nog zogenaamd helder en krachtig staat: „Hij had zijn vrouw natuurlijk niets verteld.”

Ho, stop. Wat heeft hij zijn vrouw allemaal nog meer niet verteld? De wereld van Bronoet wankelt niet alleen, die blijkt al lang aan het wankelen te zijn. Zijn zoon is al een aantal jaar zoek, vermist geraakt tijdens een wintersportreis op zijn zestiende, zijn dochter is van jongs af aan de weg kwijt en staat intussen nauwelijks meer met haar ouders in contact. Bronoet heeft een trauma. Nu hij niet alleen zijn werk kwijtraakt, maar ook zijn huis binnenkort gesloopt wordt, belandt hij in een vrije val.

Tussen de ooievaars (niet toevallig de vogels die volgens het volksgeloof de man zijn kinderen thuisbezorgen), ontdekt Bronoet dingen over zijn zoon, over zichzelf. Wrange zaken leiden tot nijpende toestanden: er zit veel spanning in de roman. Lindelaufs verhaal verrast, sleept mee. Wel is het wat al te netjes qua symboliek (Walter verpleegt een gewonde mannetjesooievaar, gaat te ver om een kuiken te redden, ziet andere kuikens haast over het hoofd). En het is ook te vol. In extra verhaallijnen over buren van wie huizen ook gesloopt worden, onderstreept Lindelauf andermaal hoe moeilijk verandering voor de mens is. Dat voegt weinig toe.

Literatuur

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next