Natuur Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht zijn andere perspectieven meer dan welkom, schrijft Chris Julien. Zo leeft een boom nooit alleen voor zichzelf.
Als je de deur uitgaat, kijk dan eens om je heen. Omringd door het stadse leven staan ze daar – rustig, eigenwijs, ritselend in de wind – de bomen. Meestal lopen we zo aan ze voorbij, maar wat nou als die bomen ons iets belangrijks te vertellen hebben? Om de ‘polycrisis’ van onze tijd het hoofd te bieden zullen we moeten leren multitasken, en juist de bomen zijn daarin goede leermeesters.
Chris Julien is filosoof en werkt met kunstenaarscollectief de Onkruidenier in Amsterdam-West aan een stadskwekerij voor bomen zonder paspoort.
Daar staan ze. Sommigen groots en onbeweeglijk, met herinneringen aan de moerasbossen van lang geleden. Anderen zijn kleine avonturiers die hun plek zoeken tussen de tegels en de fietsenrekken. Verderop zijn het bosjes, die gemoedelijk samenscholen in de wilde hoeken van het park.
Wat betekenen bomen voor een gemeenschap, wat is hun rol? Ze zijn diep geworteld in de grond, van waaruit de stam en takken zich opwerpen in een groene kruin vol bladeren. Ondanks hun standvastigheid zijn ze niet voor één gat te vangen. Waar een boom voor staat, hangt er maar net vanaf aan wie je het vraagt – aan ons mensen, aan andere levensvormen, of aan de bomen zelf?
Bij mij in de buurt staat een grote berk. Ik gok dat die zo oud is als de huizen hier, ruim vijftig jaar. Wat betekent die boom voor de buurt?
Een merel kiest vaak de hoogste puntjes van de berk om ’s morgens vroeg uit volle borst te zingen. Voor kauwtjes en halsbandparkieten is het een stamkroeg, waar ze in de schemering samenkomen om, zo vertelt de wetenschap ons, informatie uit te wisselen, oude vetes op te rakelen en vriendschappen aan te halen.
Zoals alle bomen is de berk een thuis voor velen. Met de wilg en de eik is de berk zelfs het meest populaire huis van Nederland. Een bont gezelschap van wezens vindt er een onderkomen. In de witte, papier-achtige plooien van de bast schuilen insecten, net als in het zachte mos dat zich vooral aan oude bomen hecht. In de holtes van grote berken, net als in populieren en beuken, wonen de vleermuizen. Tussen hun wortels strekken zich in het donker kilometers aan witte draden uit, die in de herfst als paddenstoelen opduiken in ons bovengrondse bestaan.
Die berk bloeit vroeg in de lente met hangende katjes en piepkleine bloemen. Samen met de wilgen voorzien zij de ontwakende bestuivers van een eerste maaltijd. Let maar eens op, nu veel van de natuur nog slaapt verspreiden ze de zoete, frisse geur die de lente aankondigt.
Elke boom heeft het leven om zich heen wat moois te bieden. Sappige vruchten, knapperige nootjes en besjes zo zuur dat je gezicht ervan vertrekt. Door de seizoenen heen bieden bomen een thuis en een feestmaal voor allerlei levens.
Als die berk ooit aan z’n einde komt en omvalt, dan transformeert die tot een pretpark voor talloze kevers en andere insecten. Misschien vinden vossen tussen de opgewerkte wortels wel de ingang van hun nieuwe nest.
Bomen onderhouden de nodige relaties en gemeenschappen, ook onderling. De berk lijkt wat dat betreft veel op ons: het is een sociale boom die graag contact maakt met anderen. Ze communiceren met chemische signalen in de lucht en hebben hun eigen ondergrondse netwerken; via schimmeldraden wisselen ze signalen en voedingsstoffen uit.
Bomen zijn al zo lang onderdeel van ons leven als er mensen zijn. Hoogleraar bio-antropologie Dean Falk beschrijft in The Botanic Age hoe de bomen, lang voor de steden, ons thuis waren. In die oude bomen vlochten onze vroege voorouders hun nesten en leerde de mensheid om te dromen.
Dat wij een oeroude relatie met bomen hebben kan ik me goed voorstellen. Als ik die berk zie, mijn hand even op zijn stam leg, dan weet ik dat we alles behalve vreemden zijn. Het is makkelijk vrienden worden met een boom, een rustige aanwezigheid vol leven.
Bomen bieden perspectief, troost, en het gevoel onderdeel te zijn van een plek. Ooit was niet het marktplein of de kermis het hart van de gemeenschap, maar een grote boom – vaak een linde (nog zo’n prachtige boom). Onder de zachtjes ademende bladeren van zo’n reus werd recht gesproken en de liefde verzegeld.
Ook voor hen die het allemaal wat concreter willen, zijn bomen een geschenk. Met hun groei vangen ze CO2 op en met hun bladerdek beschermen ze ons tegen de hitte. Ze zorgen niet alleen voor een aangename omgeving, maar zijn ook goed voor onze geest: hun aanwezigheid beschermt ons tegen depressie, slapeloosheid en stress. Hetzelfde geldt voor ons lichaam: bomen geven een betere weerstand, minder kans op hartfalen en zelfs een tragere celdeling!
Bomen blijken in hun schors nota bene een eigen microbioom te hebben, net als wij in onze buik. Die micro-samenleving van bacteriën en schimmels filtert de lucht en vangt veel meer CO2 op dan de boom alleen kan, en weet zelfs waterstof (een sterk broeikasgas) te vangen.
Hoe je een boom ook bekijkt, aanraakt of inademt, duidelijk is dat die niet enkel voor zichzelf bestaat. Als je alle betekenissen en relaties van de berk bij mij om de hoek overziet dan is die een mozaïek, schitterend in talloze facetten.
In die fonkeling tonen bomen zich multidimensionale wezens. Hun leven bestaat uit allerhande verknopingen die ze aangaan in tijd en ruimte – soms geduldig en dan weer snel, soms uitbundig en dan weer aards. De boom strekt zich uit en raakt verstrengeld met de omgeving; vangt een nest van eksters in de takken of gaat om in de volgende storm.
Zo leren bomen ons over hoe we op een ecologische manier naar de wereld kunnen kijken. Ecologisch gezien heeft een boom geen eenduidig nut. Net als elke andere levensvorm is er geen functie of rol die hun bestaan definieert. Juist in het samenspel van hun vele dimensies ontvouwt het leven zich.
Nederland dankt zijn historisch rijke biodiversiteit aan het feit dat we een rivierdelta zijn: vanuit heel Europa stroomden de zaden en soorten deze kant op, en velen vestigden zich hier. Elke nieuwe soort bracht nieuwe perspectieven met zich mee, nieuwe mogelijkheden en verknopingen.
De vele dimensies waarin de boom relaties aangaat zijn ook de dimensies van de stad. Net als de rivierdelta is de stad een smeltkroes voor verschillende manieren van leven. Het is een bio-culturele hotspot, waar een sering gemoedelijk leeft naast een eik, een ginko naast een iep. Tegenover de oude, versleten wens om de wereld terug te brengen tot één duidelijk nut, een land tot één volk, leren de bomen ons over de rijkheid van het alledaagse samenleven, en de eindeloze mogelijkheden die daaruit ontstaan.