Home

Stem van een literaire generatie? Jonge schrijvers zijn eindelijk ontsnapt uit dat korset

Boekenweek 2026 Het thema van deze Boekenweek is ‘Mijn generatie’. In de literatuurgeschiedenis hebben hemelbestormende schrijvers zich altijd graag neergezet als nieuwe generatie. Wat win en verlies je met dat denken in literaire generaties, en wie verlies je?

Illustratie Lotte Dijkstra

Wie is op dit moment dé woordvoerder van de huidige generatie schrijvers? En bestaan er nog wel auteurs die überhaupt een voortrekkersrol op zich willen nemen? ‘Een knellend korset’ noemde schrijfster Niña Weijers het behoren tot een literaire generatie in haar Kellendonklezing van 2020. Want waarom zou een gedeelde leeftijd leiden tot verwantschap tussen schrijvers?

Laat dat verzet tegen ingedeeld worden bij een generatie nu juist precies passen bij Weijers’ generatie, die van de (inmiddels ook al niet meer piepjonge) millennials. Niet dat ze zulke individualisten zijn, integendeel, maar wel omdat ze zelf niet graag denken binnen één enkel kader. De fluïditeit van de 21ste eeuw zit diep in hun DNA. Dat betekent ook dat millennials niet zo nodig hoeven af te rekenen met hun voorgangers – ze erkennen gewoon dat hun werk onmiskenbaar is beïnvloed door alles wat ervoor kwam.

Dat zat wel anders bij de jonge schrijvers van voorgaande generaties. Enthousiast verklaarden ze steeds weer het verleden dood en de toekomst van hen. Telkens weer nieuwe groepjes hemelbestormende jonge mannen richtten tijdschriften en bewegingen op door en voor hun leeftijdsgenoten. ‘Een vitale nieuwe generatie’ was de doelgroep van Forum in de jaren dertig. Het Vlaamse tijdschrift Tijd en Mens (1949-1955) had als ondertitel: ‘Tijdschrift van de Nieuwe Generatie’. En recenter, in de jaren ’80, omhelsden schrijvers als Ronald Giphart bijvoorbeeld het label Generatie Nix.

Jonge schrijvers hesen zich dus maar al te graag in een korset. Waarom? Wat levert het op je tot een generatie te verklaren? En wat verlies je ermee? En ook: wie verlies je ermee? Want laten we eerlijk zijn: Tijd en Mens had beter Tijd en Man kunnen heten. Er kwam geen vrouw aan te pas bij de groep schrijvers die het samen eens werden „over enkele esthetische en talrijke wijsgerige standpunten”. 

Zoveel hoop en verwachting sprak uit hun inleidingen en manifesten! En ambitie ook, voor de literatuur. Generaties worden zo al snel literaire stromingen op zich: de Tachtigers, de Vijftigers. Iedere nieuwe generatie heeft de taak uit de taalschat „een eigen persoonlijke uiting te scheppen”, schreven de Tachtigers bijvoorbeeld in De Nieuwe Gids. In het openingsnummer (1885) beloofden ze een geheel nieuwe literatuur na de „rijmelarij” van de domineedichters als Nicolaas Beets. Dat die uiting soms zo persoonlijk was dat die door de ouderen slecht begrepen werd, moest de nieuwe generatie schrijvers maar voor lief nemen. Dat, zo staat er in het nummer, „is een kwestie van jaren: op den duur zal zij zich de voldoening en den roem verwerven, te hebben gedaan, wat zig moest doen en de waardering van het ontwikkelde deel der natie te hebben veroverd”. Het is de cyclische gang der artistieke generaties in een notendop: verzet tegen het oude, het uitvinden van een nieuwe kunsttaal, die dan gecanoniseerd wordt zodra de nieuwe generatie vanzelf de ‘oude’ wordt.

En oud is burgerlijk en braaf. Dat uitgangspunt is een constante waarmee generaties in de literatuurgeschiedenis hun vadermoord steevast beginnen. Zo zette de redactie Tijd en Mens zich af tegen „de kleinburgerlijkheid, de corruptie en de wreedheid, die de voorgaande generatie’s haar niet hebben bespaard.”

Voorhoede van mannen

Een voorhoede van mannen die zichzelf met de nodige branie als generatie naar voren schuiven gebruiken daarvoor een manifest, een tijdschrift of een bloemlezing. Een oorlogsterm als ‘voorhoede’, oftewel avant-garde, zegt genoeg over de strijdlust waar de opvolging van literaire generaties mee gepaard ging. In het tweede manifest van De Stijl, uit 1920, zetten Van Doesburg en Mondriaan zich af tegen de „naturalistische cliché’s” van hun voorgangers en „de sentimenteele gevoelens eener verzwakte generatie”. Hun internationale generatiegenoten gingen in hun Futuristisch Manifest nog aanzienlijk verder. Zij wilden „de musea vernietigen, de bibliotheken, academies van elk soort, en strijden tegen moralisme, feminisme en tegen ieder soort opportunistische of vulgaire lafheid.” De Futuristen namen voor het gemak zelfs ‘de vrouw’ in het algemeen mee in hun minachting jegens alles wat sloom en ouderwets was, laat staan dat ze vrouwen in hun gelederen zouden toelaten.

Pas na de oorlog maakte de generatie van de Vijftigers iets meer ruimte voor vrouwelijke schrijvers en kunstenaars in hun gelederen. Maar van gelijkwaardigheid was geen sprake, beschrijft Arjen Fortuin in zijn biografie van Gerrit Kouwenaar, Men moet: „Wanneer de ‘experimentele jongens’ naar buiten traden, waren ze precies dat: jongens. Dichters die best naast hen op het podium hadden gepast, van Sonja Prins tot Ellen Warmond, stonden daar nooit.” Hun verhaal van breuk en machtsopvolging was op zichzelf al een mannelijk verhaal, compleet met de kroning van Lucebert als de ‘Keizer der Vijftigers’.

Kunstenaarsgeneraties hesen zichzelf zo vaak op de troon, en werden daarna tot op de dag van vandaag steeds weer gecanoniseerd door generaties elkaar napratende experts. Gretig werd het verhaal van strijd en overwinning overgenomen door historici die weer schreven over deze auteurs. Zij hebben immers de opdracht een verhaal te maken van een literatuurgeschiedenis, die anders zou bestaan uit een chaotische willekeur van enkelingen. Zelf in het leven geroepen, luidruchtige generaties komen daarbij goed van pas. Kunst moest en zou „een onafgebroken revoluzie” zijn, zoals een van de Tachtigers het noemde in de Nieuwe Gids.

En zo is het gekomen dat de literatuurgeschiedenis een verhaal is van vernieuwing op vernieuwing; een opeenvolging van doodverklaringen ook. Toen ik Nederlands studeerde in de jaren 90, noemde het handboek Twee eeuwen literatuurgeschiedenis ieder klein rebels tijdschriftje uit die twee eeuwen, maar niet de al even originele en belangwekkende ‘buitenstaanders’ als Maria Dermoût, Basuki Gunawan of Bea Vianen. Wie zich niet verenigde, bleef ongenoemd. Door die nadruk op vernieuwing was er in de moderne canon ook weinig ruimte voor generaties die niet zozeer de literatuur wilden vernieuwen, als wel de maatschappelij. Daarom leerden wij als studenten ook niets over schrijvers van politieke betekenis als Anton de Kom of Andreas Burnier. Wat een gemiste kans! Hun werk was niet alleen briljant, maar weerspiegelde wel degelijk nieuwe opvattingen. Over kolonisatie, slavernij, gender of de Jodenvervolging.

Gemeenschappelijk wereldbeeld

Want wat maakt een generatie? Een wereldbeeld dat zich vormt door denken over kunst, door paradigma’s in de filosofie, nauw verbonden met de grote golven van de geschiedenis. Een tijdgeest dus, een denkraam dat voortkomt uit intellectuele maar ook maatschappelijke krachten.

Niet alleen het einde van het ‘einde van de geschiedenis’ na 9/11 vormde de millennials, maar ook het post-structuralisme. De Holocaust vormde de Vijftigers, die tegelijk beïnvloed werden door de avant-garde van voor de oorlog. En de tweede feministische golf had een enorme invloed op de generatie van Mensje van Keulen die in de jaren zeventig begon te publiceren.

Wie ook kijkt naar teksten die aansloten bij de tijdgeest ziet dat het idee van een ‘generatie’ juist ruimte kan geven voor een frisse blik op de literatuur van het verleden. Dan blijkt de veelgelezen en daarna grondig vergeten roman De klop op de deur (1930) van Ina Boudier-Bakker bijvoorbeeld heel actueel. Haar ‘Amsterdamse familieroman’ beschrijft drie generaties die onder invloed staan van veranderende sociale en culturele krachten. Hoe deze Amsterdammers omgingen met overstromingen, vluchtelingen of andere crises is een waardevolle spiegel van onze tijd. Om nog maar te zwijgen over de conservatieve vooroorlogse romans die het fascisme van Mussolini verheerlijkten. Dat Jacqueline Bel in de literatuurgeschiedenis Bloed en rozen, over de jaren 1900-1945, die teksten wel opdiepte, toont hoe anders het verhaal wordt als de nadruk niet ligt op breuken en stromingen, maar op hoe verschillende generaties reageerden op de wereld en de tijdgeest.

Dan zie je dat een ontmoeting met leeftijdsgenoten die worstelden met dezelfde vragen of verlangens de jonge schrijver vleugels kon geven. Vleugels om zich te emanciperen, bijvoorbeeld, zoals de eerste nationalistische schrijvers uit Suriname. Anton de Kom werd beïnvloed door het communisme van Links Richten en tegelijk door het anti-kolonialisme van jonge Indonesische nationalisten die hij in Nederland ontmoette. Een generatie is dan geen literaire stroming, maar een wereldomspannende ommekeer.

En dan blijkt ook dat zulke urgente inhoud vanzelf nieuwe vormen schept, ook als generaties dat niet zo hard van de daken schreeuwden. Het ironische literaire gehalte van Wij slaven van Suriname, waarin De Kom de koloniale epistemologische structuren zelf ontmaskert, was niet alleen modern maar zelfs postmodern en postkoloniaal avant la lettre.

Bijna een eeuw later zien we nog steeds emancipatoire nieuwe genres ontstaan bij nieuwe generaties. Neem de hiphopartiesten die zich de New Wave noemen, zoals Aafje de Roest beschrijft in haar proefschrift De nieuwe golf. In hun miljoenen keren geluisterde en invloedrijke tracks spreken zij zich uit over hun ambivalente relatie met de straat, de buurt of hun afkomst. Ironisch noemen ze zich ‘De Jeugd van Tegenwoordig’ of de ‘Nieuwe Allochtoonse Generatie’, maar daarbij is er geen sprake van een breuk, maar juist van respect voor de traditie. Recht doen aan de helden van het zwart verzet is een belangrijk onderdeel van de realness, de authenticiteit van hiphop.

Machtsvertoon

Strijd met voorgangers is niets voor de huidige generatie. In de literaire wereld heeft polemiek binnen en tussen generaties plaatsgemaakt voor saamhorigheid. Toen een schrijver van de generatie millennials in 2014 werd uitgenodigd om gastschrijver te worden aan de Universiteit Leiden, vond die een positie op een voetstuk niet meer van deze tijd. In plaats daarvan kwamen er acht gastschrijvers van dezelfde generatie om de beurt colleges verzorgen. Het is die generatie ten voeten uit: meer denkend in relaties dan in individuen. Hun romans en gedichten gaan over netwerken van mensen, dieren, teksten, media, landschappen en zelfs ondergrondse schimmels. Auteurs als Eva Meijer, Mariken Heitman, Hanna Bervoets, Nina Polak, Maartje Wortel en Niña Weijers manifesteren zich niet als generatie, maar juist dat tekent hun generatie. Het wachten is op wat de Gen Z’ers daar tegenover gaan stellen. De kans dat ze met veel machtsvertoon hun voorgangers doodverklaren, zoals Gerrit Kouwenaar dat deed namens de Vijftigers („mooi dood of lelijk dood, groot dood of klein dood, maar dood, geschiedenis”), is klein.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Literatuur

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next