Filosofie Moeten we met problemen als klimaatverandering en verruwende internationale verhoudingen terugverlangen naar betere tijden? Volgens Andreas Reckwitz kan de geschiedenis alleen voort in het besef dat iedere vooruitgang zijn verlies heeft.
Een brandende kastanjeboom in Spanje tijdens een grote bosbrand in Oimbra, Ourense, in augustus 2025.
Je hoeft op een gemiddeld borrelavondje niet lang te wachten voordat iemand constateert dat de jongere generaties het niet meer zo goed zullen hebben als ‘wij’. Klimaatverandering, verruwende internationale verhoudingen, AI-massawerkloosheid en zelfs een onbereikbare woningmarkt zijn er de symptomen van. Het zal nooit meer zo worden als het was.
Andreas Reckwitz: Verlies. Een kernprobleem van de moderniteit. Vert. Huub Stegeman, Boom, 511 blz. €39,90
Hoe reëel die somberheid is, is vraag twee. Vooralsnog leven jongeren in een weelde die voor ‘boomers’ ondenkbaar was. Destijds leek een nucleaire Derde Wereldoorlog een dubbeltje op zijn kant, was de woningnood eveneens hoog en dienden al snel daarna ook het milieuprobleem en een dreigende uitputting van de aarde zich aan.
Eén verschil was er wel. Bij alle misère geloofde vrijwel iedereen dat het binnenkort beter zou worden. En dat werd het ook. De internationale politiek ontspande, de welvaart steeg, er werd noest gebouwd en zelfs de vervuiling van de leefomgeving werd met enig succes bestreden. Het gat in de ozonlaag was niet langer een probleem, over zure regen had niemand het meer.
Toch is het rotsvaste vertrouwen in de toekomst sinds een paar decennia vervluchtigd, zo constateert de Duitse socioloog Andreas Reckwitz in zijn intrigerende studie Verlies. Ouderen hebben hun optimisme verloren, jongeren hebben het nooit gehad. De gevolgen daarvan reiken verder dan de zorgen om klimaatverandering, hoe serieus die ook zijn.
Want met die uitzichtloosheid wordt volgens Reckwitz een lange traditie doorbroken. Minstens sinds de achttiende eeuw is de westerse cultuur ervan uitgegaan dat vooruitgang de motor van de historie was. Die mocht af en toe wat hobbels vertonen, maar aan de einder lag steevast een wereld waarin de mensheid beter af zou zijn.
Die verwachting maakte ook die hobbels verteerbaar. Tegenslagen waren hoogstens tijdelijk. En vooral: wat in die ontwikkeling verloren ging was nu eenmaal de prijs die voor het betere betaald moest worden. Want verlies, zo maakt Reckwitz duidelijk, is met vooruitgang inherent verweven. Industrialisatie vroeg zijn tol aan natuurschoon, verbroken dorpsverbanden, oude tradities. Elke emancipatie (derde stand, arbeiders, vrouwen) betekende verlies aan macht en status voor wie tot dan toe de dienst uitmaakten. Mondialisering doorbrak de vertrouwde geborgenheid van taal, gewoonten en een gedeelde etniciteit.
Dat was allemaal niet zo erg, zolang de toekomstverwachting die verliezen maar compenseerde. Treurnis daarover gold dan al snel als reactionaire nostalgie of zelfs een voortzetting van onrecht – want wát had de adel na de democratische omwenteling nu eigenlijk te klagen? Welke grond hadden de kerken verontwaardigd te zijn over een verlichte secularisatie? Op wat voor moraal kon oud en nieuw geld zich beroepen tegenover een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom?
Het geloof in de vooruitgang beschikte over talrijke mechanismen om de daarmee gepaard gaande ervaringen van verlies te compenseren of te smoren. Een inperking van de ‘verlieswaardigheid’ ontzegde sommige groepen het recht zich over hun neergang te beklagen. De heroïek van de te veroveren toekomst bedekte gevoelens van spijt onder een luidruchtig triomfalisme. „Negatieve gevoelens,” zo schrijft Reckwitz, „moesten zo veel mogelijk tot de binnenwereld beperkt blijven.”
Dat werkte zolang het geloof in de vooruitgang levenskrachtig bleef. Maar zodra dat instortte, keerde de verdrongen verlieservaring met verdubbelde kracht terug. Het gedenkteken voor de aanslagen van 9/11 in New York ziet Reckwitz daarvoor model staan. Het memoreert niet alleen een schokkende gebeurtenis die een eind maakte aan de droom van een triomferende liberale wereld, maar plaatste dat trauma ook in het hart van het westerse besef dat de samenleving kwetsbaar geworden was.
Zelfverzekerde verwachting van wat komen zou veranderde daarmee in angst voor het verlies van wat inmiddels gerealiseerd was. Niet alleen meer op de politieke rechterflank ging het nu om behoud van het bestaande; ook links begon zich vast te klampen aan van het moois dat er al was in plaats van uit te zien naar wat nog komen kon. Verworven rechten, baanzekerheid, natuur: gaandeweg realiseerde men zich dat dat alles in een handomdraai verloren kon gaan.
Dat bewustzijn dateert niet van 11 september 2001. Al in de jaren zeventig, schrijft Reckwitz, „begint het (vooruitgangs)model de eerste barsten te vertonen.” Het was tenslotte Joop den Uyl die al bij de oliecrisis voor het eerst met zorg vaststelde dat niets meer zou zijn als het geweest was. Gaandeweg drong het besef door dat de aarde eindig was, aangezwengeld door het roemruchte Rapport van de Club van Rome uit 1972.
En wellicht bleek daarmee ook het moderne geloof in onbeperkte vooruitgang eindig – aldus Reckwitz. Zo werd „de verhouding tussen verlies en geschiedenis op een opvallende wijze geherstructureerd.” Niet alleen de nieuwe ecologische inzichten waren daarvoor verantwoordelijk. Ook de individualisering en psychologisering van de samenleving speelt daarin een rol. De persoonlijke ervaring werd politiek relevant en daarmee kon verlies niet langer worden weggepoetst met het excuus dat je zonder gebroken eieren geen omelet kunt bakken.
De trauma’s daarvan kwamen nu centraal op het menu van de geschiedenis te staan. Niet de winnaars maar de slachtoffers werden de protagonisten van het verhaal dat de historie vertelt: om te beginnen die van de Holocaust, maar vervolgens ook die van de andere zwarte bladzijden uit het verleden. En aan de uitersten van het politieke spectrum werd (angst voor) verlies de drijvende kracht achter een door rancune bewogen populisme.
Zo ging de moderniteit over in laatmoderniteit, aldus Reckwitz: een besef van eindigheid dat tot voor kort postmoderniteit heette. Eenvoudigweg doorgaan op de oude weg lijkt hem riskant, een catastrofale of geleidelijke ineenstorting van het systeem een afschrikwekkend vooruitzicht. De enige uitweg die hij ziet is een transformatie van de moderniteit in een cultuur die haar ideaal van vooruitgang niet prijsgeeft, maar daarin wel een plaats gunt aan het besef van de kwetsbaarheid en het verlies die daarmee nu eenmaal onlosmakelijk verbonden zijn.
Zo pleit Reckwitz voor „het behouden en koesteren van vooruitgang als erfgoed”, dat wil zeggen niet langer als ideologie. De onbekommerde droom van vooruitgang is misschien uitgedroomd, maar dat betekent niet dat een moderniteit, die haar eigen verlieservaringen een plaats kan geven, geen toekomst zou hebben. Met betrekking tot het probleem van de klimaatverandering heeft Reckwitz weinig vertrouwen in een technologische oplossing. En wil de wereld haar leefbaarheid als erfgoed behouden, dan zal dat ongetwijfeld het verlies met zich meebrengen van een aantal luxueuze verworvenheden. De ‘herstelde moderniteit’ die hij bepleit zal echter geleerd hebben dat verlies te accepteren als de prijs die voor het behoud van alle gerealiseerde vooruitgang betaald moet worden.
Reckwitz’ Verlies vormt een overtuigend pleidooi voor zo’n bekommerde toekomst, gestoeld op een scherpzinnige analyse van het heden waarvan je af en toe rechtop in je stoel gaat zitten. Toegegeven: daar moet je bij het lezen van het boek even op wachten. Reckwitz heeft nogal de neiging tot een scholastiek-achtige systematisering van begrippen, casussen en uitsplitsingen. Pas na een bladzijde of honderd begint het boek pas echt te leven, en ook daarna zal Reckwitz zichzelf omwille van de systematiek nogal eens herhalen.
Maar daar staan een opwindende interpretatie van de moderniteit en een behartigenswaardige les voor de toekomst tegenover. Wát die voor de jongere generatie ook in petto mag hebben, het erfgoed ervan wijst tussen défaitisme en overmoed door een bezonnen uitweg aan. Nee, het zal nooit meer zo worden als het was, maar dat betekent nog geen terugval naar behoeftiger tijden. De geschiedenis kan voort, zolang zij beseft dat iedere vooruitgang zijn verlies of, op zijn Betondorps gezegd, ieder voordeel zijn nadeel heeft.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews