Italiaanse fictie In de tweede roman van Bernardo Zannoni raakt de emotionele twintiger Gero verlamd door grote existentiële vragen. Is het iets waar al zijn leeftijdgenoten doorheen gaan of staat Gero symbool voor de twintigers anno 2026?
Jongeren in Milaan
Gerolamo, ook wel Gero genoemd, is een jongen die veel bloost. Om de haverklap voelt hij „zich rood worden”, „zat hij zich in zijn eentje te schamen” of „bloosde hij een beetje”. Schaamte is een belangrijk thema in de tweede roman 25 van Bernardo Zannoni (1995), die in 2022 met zijn debuut Mijn stomme intenties de Premio Campiello, de grote Italiaanse literaire prijs, won. Gero die over een week vijfentwintig zal worden, lijkt ook vanwege de titel symbool te staan voor de verdwaalde (mannelijke) twintiger die verlamd wordt door grote existentiële vragen en emoties. Komt daar de schaamte vandaan? En heeft Zannoni het over existentiële problemen waar elke twintigjarige doorheen gaat, of staat Gero symbool voor de twintigers anno 2026. Wie kan zich herkennen in deze tobbende, en enigszins lethargische Gero?
Bernardo Zannoni: 25,
Vert. Willy Hemelrijk,
De Harmonie, 205 blz. €22,99
Gero’s ouders zijn allebei uit beeld. Toen hij één was, verdween eerst zijn vader, „hij was zomaar opgelost, op een dag in rook opgegaan”. En achttien jaar later verdween zijn moeder, „ook in rook opgegaan”. De enige die overbleef was zijn tante Clotilde die met haar „opgeblazen gezicht” in een „petieterig huisje” woont in een verder, behalve dat het er regent, niet gespecificeerd kustplaatsje ergens op de wereld. Van haar kleine uitkering onderhoudt ze Gero, ook spoort ze hem moederlijk aan eindelijk iets van zijn leven te maken. Misschien zou hij het als fotograaf kunnen proberen, zijn hobby, of gewoon een baantje kunnen nemen. Gero zelf is maar half geïnteresseerd in de aanmoedigingen van zijn tante. Zijn grote probleem is dat hij zich nou eenmaal „een onbeduidend wezen” voelt, aan de ene kant gekweld door de angst „niemand te zijn” en aan de andere kant verlangend naar een simpel leven als huisman in een villa, terwijl zijn droomvrouw de kost verdient als advocaat.
Hoewel Gero’s dilemma hier wat simplistisch gepresenteerd wordt, zullen veel twintigers en dertigers zich herkennen in de worsteling van Gero, het verlangen om iets voor te stellen in de wereld en de verlammende angst dat dit niet zal lukken waardoor alle ambitie bij voorbaat gefnuikt wordt. Minder geloofwaardig is de mate waarin de gevoelens en twijfels van de hoofdpersoon losgezongen lijken te zijn van de extreme en soms absurde gebeurtenissen in het boek. In de week voor zijn vijfentwintigste verjaardag gebeurt er veel: Gero’s beste vriend snijdt zijn polsen door en raakt in een coma, zijn buurman belooft hem een baantje in het slachthuis, wat hem in de problemen brengt en tot overmaat van ramp overlijdt zijn tante. In plaats van rouw of verdriet zijn het gevoelens van „overdonderende wanhoop”, „eenzaamheid”, „enorme schaamte”, de angst niets voor te stellen, of om „onzichtbaar” te zijn, die de grond onder zijn bestaan vandaan schoppen. Existentiële onzekerheden spoelen „als een golf over hem heen”.
Gero’s vragen en onzekerheden gaan nauwelijks over wat hij zelf van het leven wil, maar vooral over hoe anderen hem zien. Óf anderen hem wel zien. Daar heeft hij geen controle over. Misschien is dat waar de schaamte vandaan komt. „Als hij nou fotograaf was geweest, een beroemde fotograaf,” mijmert hij, „dan zou niemand hem negeren”. „Oké,” geeft hij toe, „hij kan mooie foto’s maken. Maar verder kon hij beter in een put springen”. Ook al zijn dergelijke onzekerheden herkenbaar, dit soort uitspraken maken van Gero een beetje een aansteller.
Dat geldt ook voor de andere personages die net als Gero kampen met loodzware gevoelens. De vriend die zijn polsen doorsneed zegt dat hij „verdwaald is” en „zo gemakkelijk verdwaal je niet in een glas water, maar als het gebeurt, is het nog erger dan in de oceaan,” waarmee hij lijkt te bedoelen dat je ook in een kleine vertrouwde omgeving erg kunt verdwalen. Gero’s buurjongen „weet niet hoe hij dit stomme leven moet aanpakken”. En zijn andere vriend, Amos, toont geen emoties tot plotseling alles eruit komt: „zijn ogen snikten gigantische tranen”. Zannoni’s stijl ontspoort nogal eens wanneer hij deze gevoelige jongens beschrijft, worstelend met het Leven. Met een hoofdletter L.
Opvallend is dat het in dit boek enkel om jongens gaat. Vrouwen zijn bijfiguren. Een belangrijke vraag is dan ook: hoe een man te zijn in deze tijd? Aan het begin twijfelt Gero, „Of hij eigenlijk wel een man was”. Hij wist het niet, maar zodra er een baantje in het verschiet ligt „dweilde [hij] de vloer als een nieuwe man, een echte man”. De vreugde wordt echter onmiddellijk weer de kop in gedrukt door nog meer existentiële twijfel. Pas tegen het einde vindt er een vrij plotselinge omkering plaats waarbij Gero ineens verantwoordelijkheid neemt. De aanleiding lijkt de hoogzwangere negentienjarige vriendin van zijn buurjongen te zijn.
Plotseling beseffen zowel Gero als zijn buurjongen dat, nu ze rond de vijfentwintig zijn („een breekpunt”) en er kinderen aankomen, er zorg gedragen moet worden voor het leven, voor andermans leven. Na dit vrij letterlijke keerpunt, voelt Gero zich „een man. Sterk en kwetsbaar”. De nieuwe man die verantwoordelijkheid neemt én ‘heroïsch’ zijn emoties durft te tonen is geboren. Zonder omhaal schrijft Zannoni: „Hij had zijn verantwoordelijkheid genomen en had gratie gekregen”. Dat wekt de indruk dat Gero voor zijn heil afhankelijk blijft van externe factoren, want wie verleent hem gratie? En hoever reikt die verantwoordelijkheid precies?
Dit alles maakt dat de boodschap, die wat opdringerig aanwezig is, uiteindelijk niet overtuigt. Hoewel de soms absurde gebeurtenissen, zoals het werk in een duister slachthuis en een bar waar je door middel van een pil dromen kunt beleven, zeker vermaken en Zannoni bij vlagen grappig is, blijft hij vaak hangen in clichés als: de jongens zouden eens goed „door elkaar gerammeld” moeten worden en tegelijkertijd treft geen van hen „enige blaam”. Gero ziet de dwalende jongens om hem heen, inclusief zichzelf, als een slachtoffer „van de tijd waarin ze leefden”. Merkwaardig is dat het onduidelijk blijft in welk tijdperk het verhaal zich afspeelt, behalve dat er terloops even wordt gerefereerd aan meditatieve yoga en een videogame over oorlog.
Je zou nog kunnen stellen dat de kwetsbaarheid van de mannen past in onze tijdsgeest, maar dat wordt door Zannoni nergens gespecificeerd. En als we om ons heen kijken naar de wereld van nu, kunnen we in ieder geval stellen dat dit niet voor alle mannen geldt. Het resultaat is een portret over een generatie twintigers tegen wie ik soms zou willen zeggen wat een vriend ooit tegen mij zei: neem alles en bovenal jezelf iets minder serieus. Je hoeft niet al het gewicht van de wereld op je schouders te dragen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews