Home

Hoogmoedig werden ze soms genoemd, maar de vrouwelijke oude meesters doen niet onder voor mannen van hun tijd

Vrouwelijke kunstenaars Ook in de 17de en 18de eeuw waren er al geweldige vrouwelijke kunstenaars, zo is nu te zien in een grote tentoonstelling in Gent. Ze blonken uit in zelfportretten; om zichzelf te presenteren als professional móésten ze wel.

Clara Peeters, 'Stilleven met kazen en rivierkreeften', ca. 1615.

Woedend was beeldhouwer Maria Faydherbe, eind 1632. In het religieuze Mechelen, een stad waar veel beeldhouwkunst werd geproduceerd, stapte ze op 7 december naar de schepenen toe. Ze was zo’n goede ‘meesteres in de beeldsnijkunst’ zei ze, dat zij niet onderdeed voor welke andere beeldhouwer dan ook. En zeker niet voor haar mannelijke collega’s van het gilde, die ze als ‘dozijnwerckers’ bestempelde.

Tentoonstelling

Onvergetelijk. Vrouwelijke kunstenaars van Antwerpen tot Amsterdam, 1600-1750. T/m 31 mei in het Museum voor Schone Kunsten, Gent. Info: www.mskgent.be

Toen waren meer mensen woedend. Hoe durfde deze vrouw zo hoogmoedig te zijn? De collega’s annex ‘dozijnwerckers’, diep beledigd, stelden een wedstrijd voor, om tegenover de schepenen in competitie ‘in het kunstigst’ figuren uit steen of hout te snijden. Waarschijnlijk is dit niet doorgegaan, maar de toon was gezet.

De exacte toedracht is niet overgeleverd, het vermoeden bestaat dat een en ander samenhing met een nieuwe Jezuïetenkapel die in Mechelen gebouwd werd. Faydherbe zou daarvoor een Mariabeeld maken, waarna mannelijke concurrenten haar die reeds toegezegde opdracht zouden hebben afgesnoept. Het was niet gebruikelijk om zo’n officiële publieke opdracht aan een vrouw te geven, zelfs al was dat een vrouw met een succesvolle kunstpraktijk. Dat een afwijzing niet aan haar talent kan hebben gelegen, bewijzen haar kleinplastieken in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Ze zijn gemaakt met zichtbare souplesse, zoals een mooie albasten Maria, het haar half opgestoken, nonchalant poserend in een eenvoudig kleed, het Jezuskind gezellig erbij met in zijn handje een globe als voorbode van het Koninkrijk Gods dat hem wacht.

De beeldjes van Faydherbe zijn te zien in een tentoonstelling met 143 objecten van zo’n 40 barokkunstenaars (1600-1750), allemaal vrouwen, uit de Lage Landen. Het past in de koortsachtige inhaalslag van musea om veronachtzaamd vrouwelijk talent aan de anonimiteit te onttrekken. ‘Onvergetelijk’ luidt de titel, die zichzelf meteen tegenspreekt, al is de ene exposant meer vergeten dan de ander. Judith Leyster is met haar zwierige schilderijen altijd bekend gebleven, en misschien kent u Maria Sibylla Merian of Clara Peeters, maar indrukwekkend wordt het als u al eens had gehoord van Michaelina Wautier of van Faydherbe, die – zeer uitzonderlijk – als vrouw haar sculpturen signeerde en zo haar naam in het achterwerk van een palmhouten Christus kerfde, op zijn lendendoek.

Mocht er zoiets als karma bestaan, dan zal het dat zijn waarom we wel nog haar naam kennen en niet die van de gildewerkers die ze uitdaagde – vermoedelijk inderdaad ongeïnspireerde ‘dozijnwerckers’ en dus terecht vergeten.

Maria Faydherbe, Crucifix, 1620-1635.

Anonieme makers

Faydherbes problemen stonden niet op zich. Vrouwelijke kunstenaars hadden vaak minder kansen en minder aanzien en niet zelden produceerden ze anoniem. Dat de tentoonstellingsmakers toch veel werken vonden, komt deels doordat in de 17de eeuw nu eenmaal enorm veel kunst gemaakt is. Schattingen lopen uiteen, maar mogelijk gaat het bij de noordelijke Nederlanden om meer dan 8 miljoen schilderijen – denk aan Rembrandt, Vermeer – en ook de Vlaamse productie was hoog – Jordaens, Rubens. Nu komt daar eerherstel bij voor hun vrouwelijke collega’s, maar toch is die minder glorieus. Deze vrouwen worden namelijk herontdekt wegens een verlangen naar een meer inclusieve kunstgeschiedschrijving en dat betekent ook aandacht voor meerdere vergeten hoofdstukken van dat VOC-tijdperk, oftewel kolonialisme en slavernij. Dat was die handelseconomie waar al die mooie schilderijen en kunstvoorwerpen als luxeproducten onderdeel van waren. Dus, word je eindelijk herontdekt na eeuwen stilte, is je mooie kunst ineens onderdeel van een geschiedenis met zwarte bladzijden.

Kunst is niet los te zien van die economie, van de politiek en maatschappelijke sectoren. Neem bijvoorbeeld de botanische netwerken van toen. De laatste jaren is er hernieuwde aandacht voor botanisch tekenaar Maria Sibylla Merian, die heel fijntjes planten en vogels en insecten tekende. Zij werkte ook voor Agnes Block, een invloedrijke amateur-botanicus. Block had langs de Vecht een landgoed waar ze zeldzame vogels hield, boomgaarden en bloementuinen had en daarmee een bron was voor plantkunde en natuurwetenschappen – ze was de eerste die in Europa een ananas wist te verbouwen. Die moest natuurlijk prominent erbij toen ze Jan Weenix een groepsportret liet schilderen van haar gezin in de tuin, ook in Gent te zien. Zulke tuinen waren openluchtlaboratoria, illustraties zoals van Merian golden als kennisinstrumenten en als oogstrelende kunstwerken, waardoor je ook in de winter nog kon genieten van kleurig getekende lentebloemen.

Maar ja. De keerzijde. Merian reisde ook mee naar Suriname, de Nederlandse kolonie. Daar haalde ze bij vrouwen in slavernij kennis over planten op die gunstig was voor haar onderzoek, en voor het Westen. Merians reis paste in de koloniale expansie van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, kunst onderstreepte de rijkdom daarvan. In Gent hangt een handwaaier die Catharina Backer met klassieke goden beschilderde, boven een handvat van ivoor. In vitrines ligt bewerkelijk kant, het belangrijkste Vlaamse exportproduct dat ook naar de koloniale elites in Zuid-Amerika ging. Johanna Vergouwen kopieerde bekende Vlaamse schilderijen op handzaam formaat, speciaal voor de export naar die Spaanse koloniën. En toch, tot voor kort, en nog steeds, zeggen velen bij deze artistieke weelde enkel: ‘Wat prachtig’. Als je alleen die fraaie kant ziet, niet de politieke betekenis, dan werkt koloniale propaganda door.

Judith Leyster, ‘Jonge vrouw die door een man wordt belaagd’, 1631.

Maria Sibylla Merian, Afbeelding 69 uit ‘Dissertation in Insect Generations and Metamorphosis in Surinam’, 2de editie, 1719.

Dat aspect komt in de expositie niet duidelijk naar voren, in de tentoonstellingscatalogus is er meer aandacht voor. Daarvoor is uitgebreid onderzoek gedaan naar onder meer de rol van vrouwen in de kunsthandel en naar enkele vrouwen die we nu niet meer kennen maar die in hun tijd bekend waren, een enkeling zelfs beroemd. Bijvoorbeeld Johanna Koerten met haar papierknipkunst, een intussen vergeten kunstvorm, maar destijds populair; uit papier sneed Koerten uiterst minutieus portretjes van bijvoorbeeld Willem III of tsaar Peter de Grote – erg knap en destijds stukken duurder dan menig schilderij, maar, zo blijkt in Gent, best saai om te zien.

Geen anatomische lessen

Al met al hadden sommige vrouwen een aardige rol in die kunstwereld. In heel Europa bestierden ze ateliers als meubelmaker, edelsmid en beeldhouwer, ze waren ontwerper of plateelbakker, of deden de financiële bedrijfsvoering. Niet dat alle deuren voor ze opengingen. Aan haar normaliter zo geslaagde stillevens voegde Clara Peeters een keer een vrouwenfiguur toe en dan zie je: o ja, vrouwen kregen geen anatomische lessen met naaktstudies. Peeters’ vrouwfiguur ziet er stijfjes uit, de arm steekt raar uit de mouw. Dan liever stillevens, fruit kan altijd gewillig poseren. En er waren meer obstakels voor vrouwen, zoals natuurlijk het huwelijk. Als getrouwde vrouwen al schilderden dan deden ze dat vaak onder de naam van hun man, en anders van hun vader of broer.

Zodoende zakten vrouwelijke kunstenaars vaak anoniem weg in de kunstgeschiedschrijving. Bronnenmateriaal is schaars. Nu is dit een probleem in de hele vrouwengeschiedenis, waarbij historici bij wijze van oplossing soms dan maar uitzoomen: belicht vrouwen als groep en in een breder verband. Zoiets is te doen bij de vele kantwerksters en naaisters. Kant was een ambachtelijk en zeer hoogwaardig product. De namen van de maaksters weten we niet, ze werden door schilders vereeuwigd als toonbeelden van vrouwelijke deugdzaamheid – al werd er een geïdealiseerd beeld geschetst van hun omstandigheden, vredig thuis aan het werk met een naaiwerkje op schoot. De realiteit was anders: textielarbeidsters waren werkzaam in productiehuizen, ze deden er geestdodend werk en konden maar moeilijk rondkomen, seksuele exploitatie lag op de loer. Dat maakte ze kwetsbaar, zoals te zien is op een schilderij van Leyster. Zij portretteerde een naaister met een dreigende mannenfiguur die haar muntstukken aanbiedt. Mogelijk schilderde Leyster dit vooral als waarschuwing tegen onzedelijkheid, toch helpt zo’n schilderij als document. Want samen brengen die schilderijen en het kantwerk een groep ambachtsvrouwen in beeld, en worden ze minder onzichtbaar.

Als je dat zo ziet, besef dan wat feministen al jaren zeggen: het persoonlijke is politiek. Het persoonlijke moet daarom geopenbaard worden, naar buiten gebracht. Het aardige is dat die vrouwelijke barokkunstenaars dat in feite ook al deden: door zelfportretten. Vrouwen beoefenden dit genre eerder dan mannelijke collega’s. Die hadden al genoeg vinkjes maar voor die vrouwen, voor wie het knokken was, hielp het zelfportret om zichzelf te presenteren als professional.

Zaalfoto met zelfportretten in de tentoonstelling ‘Onvergetelijk’ in MSK Gent.

Ze zijn te zien in de eerste zaal van de tentoonstelling in Gent, een portrettenzaal: Maria Schalcken, Louise Hollandine van de Palts, kunstenaar annex geleerde Anna Maria van Schurman, een vrolijk lachende Judith Leyster. Allemaal kijken ze je vanachter hun schildersezels aan, blakend van zelfvertrouwen, hun schilderijen bijna als pamfletten.

En toch gebeurt hier ook iets ongemakkelijks. Dat zit hem in het grote schilderij van Pictura waar de tentoonstelling prominent mee begint. De muze van de schilderkunst staat glorieus voor haar schildersezel, maar is vooral een anonieme personificatie van een ideaal. Liever dat dan een portret van een echte vrouwelijke collega met haar naam erbij, zo lijkt de opdrachtgever of maker te hebben gedacht.

Maar dat is niet het enige pijnpunt. Want na alle moeite die in deze tentoonstelling is gestoken, alle onderzoek en internationale bruiklenen, is deze te zien in een museum waar de vaste opstelling bestaat uit tientallen zalen vol oude kunst van mannen. Wel neef Lucas Faydherbe, niet Maria Faydherbe. Wel een bloemenschilderij van Frans Ykens, niet een van Catarina II Ykens. Dan merk je pas goed hoe zo’n aparte vrouwententoonstelling, naast die officiële canon, toch een beetje een doekje voor het bloeden is.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Beeldende kunst

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next