Boekenweekgeschenk Zelf vindt de auteur zijn Piaggio eerder een lief verhaaltje dan serieuze literatuur. Maar ook als je geen literaire kwaliteit verwacht, valt Hendrik Groens visitekaartje en cadeau voor de lezer tegen.
Hendrik Groen: Piaggio. CPNB, 94 blz. Gratis bij € 17,50 aan Nederlandstalige boeken
Als je één onbetwistbaar ding over de boeken van Hendrik Groen kunt zeggen, is het wel dat ze pretentieloos zijn. Gespeend van enige kunstzinnige of literaire ambitie. Bijzonderheid, eigenzinnigheid, uitzonderlijkheid, daar gaat het Groen niet om.
Zijn Boekenweekgeschenk is bedoeld als „een heel lief, leuk, klein verhaaltje dat mensen even tussendoor lezen en denken: oh, wat leuk zeg! Meer niet”, zei Peter de Smet, de man achter het pseudoniem, in de Volkskrant. In NRC zei hij dat het hem met zijn boeken te doen is om het plezier van „heel veel mensen”: „Ze hebben gelachen, een traantje gelaten, ik heb ze een momentje geluk bezorgd.”
Moet je daar dan wel wat mee, als literatuurcriticus? Constateren dat Groens Boekenweekgeschenk inderdaad geen literatuur is? Of het dan maar liever links laten liggen, want je moet een vis niet beoordelen op zijn vermogen in een boom te klimmen? Beter: het beoordelen op wat het wél wil zijn, namelijk een „heel lief, leuk, klein verhaaltje” voor tussendoor.
Laten we dat doen. Een ‘verhaaltje’, ‘voor tussendoor’. Klopt. Met Piaggio, over twee wat sneue, maar o zo goeiige ongeveer-zestigers die samen in zo’n driewielerwagentje de Alpen over tuffen, ben je niet lang bezig, letterlijk noch figuurlijk. Hap, slik, weg.
Lief? Nou, je voelt vanaf het begin aan dat vrijgezellen Marieke en Anton het misschien wel leuk met elkaar gaan krijgen, en inderdaad – al moet je met je verlangen naar vertedering wel door dit soort broodnuchtere dialogen heen kijken: „‘Nou, ík vind je een hele leuke en aardige man, die alles tiptop heeft geregeld.’ ‘Dank je, dat is lief. Jij bent ook een hele leuke vrouw.’ ‘Dank je. Mijn moeder zei het altijd al: bewaar je mooie woorden en complimenten niet tot op de begrafenis.’”
Leuk? Er zitten grapjes in. Goed voor, nou ja, een flauwe glimlach – enigszins afhankelijk van je gevoel voor humor. Voorbeeldje: Marieke wordt kotsmisselijk van de haarspeldbochten en pakt de verkeerde plastic zak, „niet de lege die ze had klaargelegd”. Ze braakt over de lunchbroodjes heen. Tja.
Oké, toegegeven: dat is niet alles, qua leuk. Waar Hendrik Groen goed in is, in al zijn boeken, is het tonen van kneuterigheid. Van die herkenbare Nederlandse zelfingenomen nuchterheid, die alle spontaniteit en hartelijkheid smoort. Zoals in deze verjaardagsscène, aan het begin van het verhaal: „‘Hier, je cadeau.’ […] ‘Kijk nou eens, een waterkoker. En precies de goede’, zei ze tevreden. ‘Daar heb je me dan ook twee keer over geappt’, antwoordde Anton met een vals lachje.” Niet subtiel, niet vrij van clichés, wel treffend klein, best leuk.
Dat zal niet het ‘klein’ zijn waar De Smet op doelde, maar behalve kleinzielig houdt Groen het verhaal inderdaad ook bescheiden en daarmee ook flink clichématig en voorspelbaar. Het gaat over die Alpentocht, ingewikkelder wordt het niet. Al voelt dat wel als een gemiste kans: Anton en Marieke worstelen allebei bijvoorbeeld met onaangename familieleden, haar dochter en zijn vader, die hen, op hún leeftijd, nog steeds weten te tergen, klein weten te houden. Maar daar gaat het niet over, laat staan dat dat wordt opgelost.
Nog zoiets: dat het ook best ongemakkelijk kan zijn voor twee verlegen mensen die elkaar nog nauwelijks kenden (!) om dagenlang dij aan dij in een Piaggio te zitten, die ook nog lek slaat en pech krijgt, daar stapt het verhaal ook wel erg snel overheen. „Marieke kletste, Anton luisterde en samen hadden ze ‘Een potje met vet’ gezongen”, noteert Groen, maar waaróver zij dan kletste, dagenlang…? Gaat dat zomaar, probleemloos?
Dat is dus wel degelijk een (niet-literair) kritiekpunt. Als verhaal is Piaggio tamelijk duf, maar ook krakkemikkig. Je zou bijvoorbeeld kunnen blijven haken bij Mariekes wagenziekte, terwijl de Piaggio op slakkentempo rijdt. „De snelheidsmeter trilde rond de 15”, staat er – 15 kilometer per uur, en dan toch hondsberoerd? Dat klopt toch niet? Ook de calamiteit aan het thuisfront die aan het eind nog even roet in het eten gooit, berust op een heel flauw, ongeloofwaardig misverstand. Ook als Groen met Piaggio niets belangwekkends te zeggen heeft, niets meer wil bieden dan een lach en een traan voor tussendoor, had hij beter werk mogen leveren. Hij had zijn personages serieuzer mogen nemen, in plaats van te schrijven dat Anton op een boos moment „als in een tekenfilm, een gebalde vuist in de lucht stak”; want allemachtig, dit ís toch geen tekenfilm? Aan Piaggio zit kraak noch smaak. Deze vis is geen groot boomklimmer, nee, maar hij zwemt ook moeizaam.
Je kunt redeneren dat dat niet uitmaakt: de vis verkóópt namelijk wel. Dan volg je Peter de Smets eigen opvatting over „waar het Boekenweekgeschenk voor bedoeld is, namelijk mensen naar de boekhandel krijgen”, zoals hij in deze krant zei. Maar dat is een vreemde, haast gevaarlijke redenering, want zo maakt het in feite ook niet meer uit wat mensen ervan vinden. Tegen de tijd dat ze dat bepaald hebben, zijn ze immers allang terug van de boekhandel.
Maar nee, alsjeblieft zeg. Ten eerste is die redenering diep cynisch, en ten tweede is die redenering het Boekenweekgeschenk onwaardig.
Iedere schrijver die ervoor gevraagd wordt zegt het: het Boekenweekgeschenk schrijven is de grootste eer die een schrijver ten deel kan vallen. Zoiets móét je misschien ook zeggen, voor je gevoel, maar toch is het opvallend. Niet: een bestseller, mond-tot-mondreclame, fans en hun liefde. Niet: de Nobelprijs. Ook niet: een lezer in tranen, iemand inspireren. Een verfilming. Nee, de grootste erkenning is dat je een novelle schrijft die in de grootste oplage van het jaar gratis wordt weggegeven. Ja, voor wie nog niet zo bekend is, is dat bereik natuurlijk een droom: honderdduizenden krijgen ineens, ongevraagd maar welwillend, je boek in handen. Jouw tekst krijgt de kans te communiceren zoals die nog nooit heeft gecommuniceerd.
Maar multibestsellerschrijver Hendrik Groen, die het volgens de interviews óók de grootst denkbare eer vindt, heeft dat bereik al. Dus zal het hem toch om iets anders gaan. De erkenning. Om de namen waar hij ineens tussen staat, grote namen, Campert, Haasse, Wieringa. Het feit dat zijn werk het kennelijk verdient cadeau gedaan te worden aan iedereen. Het is daarmee een visitekaartje: we kozen één schrijver uit al wat de Nederlandse boekenwereld te bieden heeft, en dit is het geworden. Het is een bekroning.
Dat het geschenk alleen een consumententrekker is, is dus onwaar. Het Boekenweekgeschenk heeft behalve een economische ook een culturele betekenis, zoals de organisator CPNB die als uitverkiezer daarmee ook heeft. Met de keuze voor Groen richt de CPNB zich op de lezer die misschien één boek per jaar leest, en door de grote naam hopelijk wel twee – dat is beleid, en daar is iets voor te zeggen. Maar met een Boekenweekgeschenk zonder enige literaire pretentie, en tot overmaat van ramp ook nog krakkemikkig, sneeuwt de culturele waarde wel erg onder. Op den duur tast dat de eer aan.
De Smet deed in deze krant minzaam over de leesbevorderende kwaliteit van „ingewikkelde, vernieuwende kunst met een grote K”, en dat siert hem niet. Er zit echt nog wel licht tussen Hendrik Groen en avant-gardistische poëzie. Dat zou het Boekenweekgeschenk bij uitstek kunnen tonen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews