Acteurs De helft van de genomineerde films voor de Oscar voor beste film bevat ‘non-acteurs’ dit jaar. Van echte militairen tot professoren en koorddansers – waarom casten regisseurs ‘amateurs’?
Rapper Tyler the Creator als taxichauffeur in 'Marty Supreme'.
Stonerthriller One Battle After Another zit vol met memorabele personages – een revolutionair met wietbrein, een Mexicaanse karateleraar die een vluchtelingennetwerk bestiert, een groep neonazi’s die zich de Christmas Adventurers Club noemt… Maar slechts één van hen keerde terug in mijn nachtmerries: Danvers, gespeeld door James Raterman. Een meedogenloze militair die zijn slachtoffers ondervraagt en afperst in tl-verlichte martelkantoren. Hij is een meedogenloze protocolrobot. Je kunt hem smeken en aanvliegen, een beroep doen op zijn moeder, ethiek, vaderland of God – hij zal je nooit laten gaan.
Deze week kwam ik erachter waarom hij zo eng is: Raterman is géén acteur. Hij werkte decennialang bij de Secret Service en Homeland Security. Regisseur Paul Thomas Anderson spotte hem in de docuserie The Trade over mensensmokkel en de opiatencrisis, en gaf hem letterlijk de rol van zijn leven.
Een zogenaamde ‘non-acteur’ dus. En die zagen we vaker dit jaar. In de helft van de films die genomineerd zijn voor de Oscar voor beste film spelen amateurs. F1 zit vol met coureurs, The Secret Agent gaf de 79-jarige naaister en tapijtenmaker Tânia Maria een grote rol, en de verminkte ravepelgrims in Sirât werden op straat gecast omdat ze er precies doorleefd genoeg uitzagen.
In pingpongbiofilm Marty Supreme zitten zelfs meer amateurs dan professionals. Cruciale rollen worden gespeeld door rapper Tyler the Creator, reality-tv-zakenman Kevin O’Leary, schrijver Pico Iyer… En vrijwel elke scène vulde regisseur Josh Safdie met markante (New Yorkse) koppen.
De ‘non-acteur’ is niet nieuw. Denk aan de talloze regisseurs die in hun eigen films figureerden, beroemdheden (Donald Trump) die zichzelf speelden, of films als Roma die mensen zonder acteerervaring in de hoofdrol castten. Maar door het internet lijken er de laatste jaren meer amateurs in films te spelen. Sociale media maken het castingdirectors mogelijk om verder te kijken dan de bekende gezichten en smoelenboeken van agentschappen. Daarnaast is er een financiële reden om, bijvoorbeeld, influencers te casten: ze zijn wandelende marketingapparaten.
Dat heeft zo zijn nadelen. Non-acteurs zijn niet getraind in het opwekken van heftige emotie, of in het beheersen ervan. Dat bleek tijdens de opnames van Marty Supreme. Timothée Chalamet probeerde daar wat woede op te poken bij een stugge tegenspeler, totdat die hem tussen takes toebeet: „Ik kom net uit de gevangenis, na 30 jaar. Je wilt niet met mij fucken. ”
Maar in de Oscargenomineerde films zie je ook wat een non-acteur kan toevoegen aan een film. Een uniek talent, bijvoorbeeld, zoals zanger Miles Caton zijn stem en muziek toevoegt aan Sinners. Of een uiterlijk: waarom zou je een acteur schminken en kostbare nepprotheses aanmeten, als je ook ‘het perfecte gezicht’ op straat kunt vinden?
Het belangrijkste is: non-acteurs kunnen authenticiteit toevoegen. F1 leeft omdat er échte coureurs inzitten. Marty Supreme voelt écht omdat de mensen op het scherm, ten minste deels, zichzelf zijn.
Misschien is het daarom geen toeval dat de grootste kanshebbers voor de Oscars dit jaar allemaal non-acteurs bevatten. In tijden van AI, botox, nepnieuws en leugens hebben we behoefte aan films als Sinners, One Battle After Another, Sirât… Films die iets wezenlijks over de echte wereld willen zeggen. En over ons. Want zijn we niet allemaal een beetje non-acteurs?