Home

Ik ben er meer en meer van overtuigd dat de opvoeder boven alles een diplomaat moet zijn

De sneeuw smolt, de oorlog ging verder, maar vrijwel niemand had het er meer over, alleen voor een synagoge op Lexington Avenue stond meer politie dan gewoonlijk, maar dat kan toeval zijn.

Een kennis in Brooklyn zei: ‘De mensen zijn bang.’

Zijn ze dat niet altijd geweest?

Ik antwoordde: ‘Wij zijn gemaakt voor een beetje oorlog.’

Marlene Dietrich zong: ‘Ich bin von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt.’ Maar we zijn ook op oorlog ingesteld. Ik had al dagen dag en nacht met mijn zoon doorgebracht, misschien kwam het daardoor.

Op een avond zei hij: ‘Als je zo tegen me doet ga ik nooit meer in bad.’

De machteloze ouder dreigt, het minder machteloze kind dreigt terug.

‘Dat is goed’, zei ik, ‘blijf voor altijd vies. Al word je een dakloze. Ik heb er vrede mee.’

Toen we weer nader tot elkaar waren gekomen – ik ben er meer en meer van overtuigd dat de opvoeder boven alles een diplomaat moet zijn – bezochten we een stervende.

Ze lag in bed en vroeg: ‘Ga ik dood?’

‘Voorlopig niet’, zei ik, want ze zou nog naar Uruguay gaan, daarna Italië, en ik had de indruk dat ze vooral Uruguay wel wilde halen. De stervenden zijn pittig.

Mijn zoon was bang voor haar.

Er werd eten besteld, restaurantbezoek was te ingrijpend. De zoon at slecht. Droge, geroosterde boterhammen, omeletjes, groentesoep, watermeloen, mango, pasta, koekjes, af en toe een garnalendumpling. Dat is zijn dieet.

Elke ochtend zeg ik: ‘Mag papa alsjeblieft boter op de boterham doen?’

Het kind roept terug: ‘Nee, dat mag papa niet.’

Ik ben van de school aanbieden ja, dwingen nee. Papa druipt af met zijn boter.

We namen afscheid van de stervende. Ik zei: ‘We zien elkaar van de zomer in Italië.’

Want de hoop gaat door. Net als de oorlog.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next