Dansen lijkt soms zo makkelijk, maar is in de praktijk nog knap lastig, voor zowel het lijf als de hersenen. Hoe leer je het best een nieuwe dansbeweging?
is wetenschapsjournalist en epidemioloog en schrijft voor de Volkskrant vooral over biomedische onderwerpen
In tv-programma’s zoals Project Dans en So You Think You Can Dance ziet het er zo eenvoudig uit: kandidaten die de geavanceerdste choreografie tot in de puntjes beheersen. Maar als je zelf de nieuwe bewegingen bij je zumbaklasje onder de knie probeert te krijgen of de passen van steps in de sportschool instudeert, valt dat niet altijd mee. Hoe leer je het best een nieuwe (dans)beweging?
Dansen is geen natuurlijke, maar een cultureel bepaalde beweging, vertelt Peter Beek, hoogleraar coördinatiedynamica aan de Vrije Universiteit. Op twee benen lopen was evolutionair nuttig en daarom bestaan daar ‘voorgeprogrammeerde’ schakelingen in het ruggenmerg voor. Voor dansen geldt dat niet. Dansen is ook een stuk ingewikkelder voor het lijf en de hersenen. ‘Er is de beweging zelf, meerdere ledematen doen mee met strekken, buigen en draaien, en dan moet je ook nog je balans zien te bewaren en de bewegingen goed ritmisch timen en expressief uitvoeren’, zegt Beek.
Beter Leven
In de rubriek Beter Leven beantwoordt de Volkskrant, samen met experts, praktische vragen op het terrein van onder meer gezondheid, geld en duurzaamheid. Zelf een vraag voor deze rubriek? beterleven@volkskrant.nl
Meerdere delen van je brein zijn dan ook actief bij dansbewegingen. Verschillende delen van de hersenschors bijvoorbeeld, het evolutionair jongste deel van de hersenen, aan de buitenkant van het brein. Die zijn betrokken bij welke beweging je wilt uitvoeren en bij wat je ziet, voelt en uiteindelijk doet. De hersenschors stuurt bewuste bewegingen aan en is dan ook sterk actief in de eerste fase van het leren van nieuwe complexe bewegingen. In deze fase spelen cognitieve processen een belangrijke rol: ‘Wat voor beweging moet ik maken, en hoe stel ik me die voor?’, zegt Beek.
De tweede fase van het leren kenmerkt zich door trial-and-error. Hier zijn de kleine hersenen bij betrokken. ‘Je probeert een beweging uit te voeren, maar dat lukt niet helemaal. De kleine hersenen zorgen ervoor dat je steeds betere overeenstemming krijgt tussen wat de bedoeling was en het resultaat.’
De derde en laatste fase is wanneer de nieuwe beweging geautomatiseerd is en weinig tot geen bewuste sturing meer vergt. De beweging is een routine geworden en structuren in het midden van het brein spelen nu een hoofdrol bij de aansturing ervan.
Dat je echt je hele brein nodig hebt om een dans goed voor elkaar te krijgen, weet ook Euvgenia Parakhina, choreograaf en danser. Ze had twee dagen de tijd om de deelnemers van Project Dans de tango, een wals, slow foxtrot en quickstep aan te leren. ‘Ik leg altijd eerst de logica uit, en probeer het daarna visueel te maken, bijvoorbeeld met tekeningen. Veel dansers zijn visueel ingesteld. En ik laat het ze voelen, bijvoorbeeld hoe ze hun heup of rug moeten bewegen.’
‘Je leert ook een danstaal’, vult haar collega en danscoach Natascha Dejong aan. Veel dansbewegingen, of figuren, hebben een naam, zoals arabesk (de typische ‘ballerinapose’ op een been), chassé, pivot turns of cucaracha’s. Dejong: ‘Het is net als een boek lezen. Als je de woorden al kent, kun je de verhaallijn ook makkelijker onthouden.’
Over hoe goed je die verhaallijn van een dans onthoudt, zijn de wetenschappelijke inzichten in de loop der jaren wel wat veranderd, vertelt Beek. Vroeger dachten wetenschappers dat je met veel oefenen steeds dichter in de buurt van een soort ideaalbeweging kwam die altijd en voor iedereen hetzelfde was.
Dit idee is inmiddels achterhaald. Ieder persoon lost op zijn of haar eigen manier een ‘motorisch probleem’ op: hoe je brein precies samenwerkt met je spieren om de gewenste beweging voor elkaar te krijgen is sterk individueel bepaald. Zo’n beweging is nooit exact hetzelfde en iedere danser geeft daar op een eigen manier invulling aan. Zelfs professionele dansers zijn te herkennen aan een eigen stijl. ‘Net als je aan het geluid van de voetstappen herkent welke collega komt aansloffen’, zegt Beek.
Beeldspraak, zoals ‘landen als een kaars’, helpt om een motorisch probleem op te lossen, zegt Beek. ‘Het maakt het al sneller een geheel als je de aandacht weghaalt van de losse passen en snapt met wat voor energie of flow je een beweging moet maken’, zegt ook Dejong.
Dejong zag deelnemers aan Project Dans soms gefrustreerd raken of zelfs in paniek raken als het niet lukte. ‘Daarmee blokkeer je jezelf. Als je vanuit plezier werkt, maakt dat het makkelijker om iets nieuws te leren.’
Ook volgens Beek maakt je mindset uit. ‘Als je denkt: pff, ik leer het nooit, dan zit je je leerproces in de weg.’ Positieve feedback is belangrijk om te voorkomen dat je in die negatieve gedachten terechtkomt. ‘Zoals bij iedere vorm van leren, dus ook bij motorisch leren, leiden positieve verwachtingen en ervaringen tot een beter leerresultaat.’
Voor Parakhina werkt honderd keer kijken het best, zegt ze. ‘Ik probeer de logica te vinden: welk deel van het lichaam beweegt eerst, welk komt daarna? En ten slotte probeer ik het te timen.’ Oefenen voor de spiegel of een filmpje van jezelf maken kan ook helpen.
Herhaling is belangrijk, zeggen de drie deskundigen: eerst in kleine blokjes, later in grotere. En dat wat je probeert te bereiken, moet niet te ver af staan van je niveau. Is het te moeilijk, dan zal het niet lukken en raak je sneller gefrustreerd. Dejong: ‘Sta jezelf toe om fouten te maken en gun jezelf de tijd om het te leren. Na een tijdje komt het echt wel.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant