Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Peter Holla (63) ging als districtschef even mee met de wijkagent. Het werd een dag die hij nooit meer vergeet.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit is een ongelooflijk verhaal, dat de kern en het onverwachte van het politiewerk scherp laat zien. Het gebeurde in 2005, ik was districtschef van de regio Haarlemmermeer en mijn werk bestond vooral uit vergaderen, vergaderen en, o ja, vergaderen.
‘Een van onze drie basisteams zat in Zwanenburg. Ik woon daar in de buurt, dus ik ging ’s ochtends geregeld naar dat bureau, even koffiedrinken, ouwehoeren, horen wat er op de werkvloer speelt, en dan door naar mijn werk in Hoofddorp.
‘Ook die ochtend zat ik daar in Zwanenburg, beetje kletsen met Arjan, de wijkagent. Tijdens ons gesprek vroeg de meldkamer of hij wilde gaan kijken bij de woning van een man die niet op zijn werk was verschenen.
‘‘Vind je ’t leuk als ik even meega?’, vroeg ik, want ik vind het altijd leuk om weer de straat op te gaan. Dat was goed, dus Arjan en ik reden samen de Dennenlaan af. Op de eerste verdieping van het appartementencomplex belden we aan, niemand deed open. We vroegen de buurman of we even door zijn huis mochten, om via zijn balkon op het balkon van onze man te kunnen kijken. Die buurman was chagrijnig, hij stond op het punt om naar zijn werk te gaan, maar stond het toe.
‘Met een stoel klommen we over de afscheiding tussen de balkons, en zagen meteen dat de glazen schuifpui van onze man op een kier stond. We gluurden naar binnen en keken elkaar aan: zien we dit nou goed?
‘In de woonkamer lag een man op zijn buik, dood, met zijn hoofd in een plas bloed. Dus wij zeiden tegen die buurman: ‘Ga maar lekker naar je werk, want dit gaat héél lang duren.’ We belden de recherche, raakten niets meer aan en wachtten op dat balkon totdat de opsporingscollega’s kwamen.
‘Na tien minuten wachten keek ik om de hoek van het huis door een ruitje naar binnen. ‘Dit kan niet waar zijn’, zei ik hardop. Ik zag een man, in diezelfde woonkamer, voor de tv zitten. Bewegingloos. Je zag alleen zijn achterhoofd. We wisten meteen: die is ook dood. Want we hadden ontzettend veel herrie gemaakt, maar hij bewoog niet.’
‘Dus wij belden weer de recherche: ‘Er zijn twéé doden. Jullie moeten nu een team Grootschalige Opsporing starten.’ Die kwamen met een uitschuifladder het balkon op. We vertelden dat we niet binnen waren geweest, niets hadden aangeraakt en dat de plaats delict dus schoon was, en vertrokken om een proces-verbaal van bevindingen te maken. Een paar uur later belde een van de rechercheurs: ‘Willen jullie het verhaal nog sterker hebben? Er is een derde dode.’ We waren verbijsterd.
‘Wat was er gebeurd? Even verderop woonde een stel van wie de man terminaal ziek was. Hij wist dat hij binnen enkele maanden ging overlijden aan kanker, en ontdekte die ochtend een brief van zijn vrouw aan zijn beste vriend, waaruit bleek dat ze een intieme relatie hadden. Hij voelde zich belazerd door zijn eigen vrouw en zijn beste vriend.
‘In een vlaag van woede heeft hij zijn vrouw doodgestoken en is vervolgens met een pistool naar het huis van die vriend vertrokken. Die deed nietsvermoedend de centrale benedendeur van het appartementencomplex voor hem open, zette zijn eigen voordeur op een kier en ging weer voor de tv zitten. Zijn beste vriend heeft hem doodgeschoten en daarna zelfmoord gepleegd.
‘Dus het was doodslag, moord en zelfmoord in één ochtend, in twee huizen, op nog geen 300 meter van elkaar. Dat is nou typisch politiewerk. Je komt maandagochtend op het bureau, bakkie koffie, beetje bijpraten en het wordt een dag die je nooit meer vergeet.
‘Ook typerend: wij zien de drama’s achter de voordeuren. Ik was 17 jaar toen ik bij de politie begon, 19 toen ik voor het eerst stage liep. Mijn referentiekader was mijn eigen gezin, hoe ik zelf was opgegroeid: heel netjes, correct, erg liefdevol in Amsterdam-West, ook in een flat, op tweehoog, boven de Hema. Dan denk je: dit is de wereld.
‘Maar in je werk kom je achter talloze andere voordeuren, wij zien al het verborgen leed. Naar buiten toe en op sociale media doen mensen zich altijd heel mooi voor, ze houden de schijn op, laten zich van hun mooiste kant zien, maar er is zo veel verborgen leed in de wereld.
‘Ik woon daar nog steeds, in de buurt van Zwanenburg. Als ik langs dat appartementencomplex kom, denk ik altijd aan die ochtend. Drie doden, omdat je vrouw en je beste vriend je belazeren in de allerlaatste fase van je leven. Wat een drama.
‘Dat is zo’n beetje de rode draad in mijn leven geworden: de gemiddelde burger weet niet hoeveel ellende zich in onze maatschappij achter die voordeuren afspeelt. Wij wel.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant