Zuster Thérèse van Horne is 100 jaar. Haar roepnaam Toke werd Thérèse zodra ze op haar 25ste toetrad tot de orde van Medische Missiezusters. Een handicap zat haar grote droom in de weg.
Zuster Thérèse van Horne woont in een fraai klooster in hartje Maastricht, dat nu dienstdoet als verzorgings- en verpleeghuis. Ze bewoont een kleine kamer met aan de muren iconen en familiefoto’s. En twee ingelijste onderscheidingen, één van de paus en één van koning Willem-Alexander. Die kreeg ze vorig jaar, voor haar 100ste. Ze was er helemaal niet blij mee, merkt ze op, nog steeds een beetje verontwaardigd. ‘Ik vond het overdreven; al die aandacht en poespas hoeven niet voor mij, daar ben ik niet mee opgevoed. Mijn moeder, die tien kinderen heeft gebaard, díé had een onderscheiding verdiend.’
Hoe gaat het met u?
‘Ik moet weer mijn weg zoeken sinds mijn medezuster Irma een paar maanden geleden is overleden, enkele weken na haar 100ste verjaardag. Ik heb jarenlang voor haar gezorgd, ze had ook een kamer hier in huis. Ik regelde alles voor haar en ging twee keer per dag naar haar toe. Toen ze stervende was, heb ik tweeënhalve dag aan haar bed gezeten. Ik hield haar hand vast, af en toe duwde ze met haar vinger in mijn handpalm, om te voelen of ik er nog was. Op het laatst kwam de pastor. ‘Zit je hier alleen?’, vroeg hij, en bleef ook tot het einde. Dat was een hele steun voor mij. Ik vond het moeilijk om Irma te zien sterven, ze kon niet goed meer ademen. Ik ben dankbaar dat ik haar heb mogen begeleiden.’
U bent misschien wel de oudste mantelzorger van Nederland, zei een van uw nichten.
(Ze lijkt te schrikken van dit inzicht en slaat beide handen voor haar mond.) ‘Het komt zo uit, hè, door de omstandigheden. Ik heb mijn hele leven gezorgd, eerst voor mijn zieke moeder, daarna voor mijn zieke vader en bij de Medische Missiezusters werd ik bejaarden- en ziekenverzorgster. Sinds ik hier woon, al 25 jaar lang, zorg ik voor mijn medezusters. Nu ben ik nog de enige hier in huis van onze congregatie.'
Dus nu u bijna 101 jaar bent, kunt u eindelijk een beetje uitrusten?
‘Eigenlijk was het zorgen voor zr. Irma te zwaar, maar het was mijn lot. Nu heb ik zoveel rust dat ik toekom aan dingen waarvoor ik nooit tijd had, zoals de stad in gaan, winkels en de markt bezoeken. Je voelt je een stuk minder eenzaam als je de deur weer uitgaat.
‘Elke ochtend sta ik om half 7 op, ga me wassen en aankleden, ontbijten, bidden in de kapel en na afloop maak ik een wandeling door de tuin. Bij terugkomst in mijn kamer was ik de wielen van mijn rollator. In de middag stap ik op de hometrainer. Ik heb er altijd naar gestreefd mezelf te redden.’
Kunt u iets vertellen over de Medische Missiezusters?
‘Het is een religieuze orde die in 1925 is opgericht door Anna Dengel, een Oostenrijkse arts. Ze wilde medische zorg verlenen in landen waar vrouwen geen toegang hadden tot de gezondheidszorg, omdat ze niet door mannelijke artsen geholpen mochten worden – en man waren artsen bijna allemaal. Anna kreeg geen toestemming van de paus, omdat de katholieke kerk religieuze vrouwen verbood medische hulp te geven. Ze besloot toch aan de slag te gaan, met nog een arts en twee verpleegkundigen, en richtte de Medische Missiezusters op, gesteund door een paar bisschoppen. Pas in 1936 gaf de paus toestemming en vanaf dat moment groeide haar orde.’
Heeft u ook in het buitenland gewerkt?
‘Dat was mijn droom en mijn doel, maar het is niet gelukt. Ik was al 25 jaar toen ik het klooster inging. Ik kon mij niet meteen in volle glorie aanpassen, want ik was niets gewend, ik was vastgeroest doordat ik tot die tijd vrij geïsoleerd had geleefd. In het begin was ik onder de indruk van het gezelschap van tachtig vrouwen in het klooster. Ze moesten me erbij halen.
‘Ik had alleen lagere school gehad. Om voor de missie te kunnen werken, moest je Engels kunnen en de taal leren van de regio waar je ging werken. Ik kreeg Engelse les, maar ik bleek geen talenknobbel te hebben. De huisarts ontdekte tijdens een keuring dat ik slechthorend was. Dat maakte het nog moeilijker een vreemde taal te leren en de mensen daar goed te kunnen horen, dus was de missie niet mogelijk voor mij. Ik kreeg een gehoorapparaat en lipleesles en mocht een opleiding voor bejaarden- en ziekenverzorgster volgen, zodat ik in Nederland mensen kon helpen. In het klooster verzorgde ik zusters die terugkwamen van de missie en hoorde al hun verhalen.’
Hoe bent u met die tegenslag omgegaan?
‘Ik wilde per se naar de missie. Dat had ik als kind op de lagere school al bedacht. Op zondagmiddag ging ik vaak de deuren langs om geld in te zamelen voor goede doelen. Toen na mijn intrede in het klooster de missie onmogelijk bleek, door mijn slechthorendheid, gaf dat mij een minderwaardig gevoel. De zusters wilden dat uit mijn hoofd praten, maar dat lukte niet. Ik heb er lang mee geworsteld, maar nu ben ik wel zover dat ik het kan aanvaarden als mijn lot. Er zijn zoveel dingen in het leven die niet slagen, dat moet je leren te accepteren. Zo zie ik dat.
‘Ik haalde voldoening uit mijn werk in Nederland, ik heb in bejaardenhuizen gewerkt, ben koster geweest en ik heb gezorgd voor zuster Francesca Haak, die theoloog was. Op mijn 46ste haalde ik met financiële steun van een schoonzus mijn rijbewijs en daarna reed ik deze zuster overal naar toe in mijn Dafje. Zij zei altijd: ‘Ik wijs je de weg’, maar haar aanwijzingen kwamen altijd te laat. Op een keer ging het mis op een rotonde bij Trier. Ik remde en achter mij werd getoeterd. De zuster droeg een habijt, ik niet, ik vroeg haar naar iedereen te zwaaien – en ja, het getoeter stopte.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Mijn ouders waren beiden van boerenafkomst. Ze waren tegenpolen: mijn vader was heel streng, mijn moeder zachtaardig. Ze verwende mijn vader, alles draaide om hem en dat vond hij heel gewoon. Ze kregen tien kinderen. Een broertje stierf na veertien dagen, een zusje na elf maanden en mijn broer Cor was 22 toen hij dodelijk gewond raakte door een vliegende bom, die tijdens de oorlog vlak achter ons huis neerkwam. Er bleven dus zeven kinderen over, van wie ik de jongste was.
‘Ons boerenbedrijf in Heythuysen was groot, we hadden stamboekpaarden, dekhengsten, varkens en kippen. We verbouwden rogge en aardappelen, en hadden vier werknemers in dienst, die bij ons inwoonden. Tijdens de aardappeloogst huurde mijn vader dagloners in. Ik weet nog dat op een zondag een groep meisjes langsliep, ze zeiden tegen elkaar: ‘Stil, dit is een boer met stoute paarden.’ Ze bedoelden onze dekhengsten.’ (Ze moet er nog hard om lachen.)
‘Het ergste kwam toen een broer van mijn vader open tbc kreeg. Mijn moeder ging daar nachtdiensten doen, overdag was ze met haar toen nog acht kinderen, ze werkte dus dag en nacht. Ze raakte ook besmet. Na een jaar in een sanatorium kwam ze naar huis. Er werd een houten barak voor haar gebouwd – in de avond zaten we daar met zijn allen omheen. Mijn twee oudste zussen deden het huishouden en ik assisteerde ze. Alle eten en was van mijn moeder moesten apart gehouden worden om besmetting te voorkomen.
‘Na twee jaar overleed ze, ik was 17 jaar. Mijn vader ging haar achterna en kreeg ook open tbc, de oudsten waren al het huis uit en ik was nog alleen thuis met mijn broer Hein. Ik had mij al aangemeld bij de Medische Missiezusters en was aangenomen. Mijn koffer stond gepakt in de gang. De huisarts zei: ‘Het gaat niet goed met je vader, omdat jij weggaat.’ Hoelang heeft hij nog?, vroeg ik. ‘Een halfjaar’, antwoordde de huisarts. Ik stelde mijn vertrek uit.
‘Uiteindelijk ben ik drie jaar thuisgebleven om voor mijn vader te zorgen. Dat was een eenzame tijd, ik had weinig contacten. Mensen uit de buurt vonden het onmenselijk dat ik hierdoor niet naar het klooster kon. Mijn oudste broer regelde een plek voor onze vader in een verzorgingshuis. Vader vond het heel moeilijk dat ik niks meer voor hem deed en in 1950 het klooster inging – elke keer als ik langskwam, begon hij te huilen.’
Was uw keuze voor het klooster ook een vlucht?
‘Nee, nee. In mijn tijd had je als meisje weinig mogelijkheden, de missie bood kansen.’
Heeft het celibaat u moeite gekost?
‘Nee, daar koos ik voor, net zoals iemand kan kiezen voor een huwelijk. Ik ben misschien weleens verliefd geweest, maar naar een relatie heb ik nooit verlangd. Als je ergens voor kiest, maak je het af.’
Wat is de gelukkigste tijd van uw leven geweest?
‘Toen we nog allemaal bij elkaar waren als gezin. We leefden niet uitbundig, maar stelden geen eisen en waren tevreden. Veel ontspanning was er niet, als kinderen waren we onderdanig aan onze ouders en deden wat van ons gevraagd werd, zoals werken op het land. Maar we waren gelukkig.’
geboren: 14 maart 1925 in Heythuysen
woont: in een woonzorgcentrum in Maastricht
beroep: bejaarden- en ziekenverzorgster
familie: 25 nichten en neven
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant