‘Burgers van het wakkere dam, of dinges, het dorp ofzo, hier spreekt Kaas, jullie burgemeester. Jullie moeten nu al jullie dikke bolle ogen sluiten want ik zeg dat, en ik ben de baas. Oh. Cléo is weer van tafel weggelopen, mama.’
‘Cléo, kom terug. Even leuk meedoen.’
Op vakantie speelt mijn roedel iedere avond Weerwolven van Wakkerdam. De spelers krijgen een kaart die ze aan niemand mogen laten zien, waarop staat welke rol ze vervullen. Iedereen is burger, behalve één weerwolf en één burgemeester: de spelleider. Wanneer de burgers slapen, vermoordt de weerwolf een van hen. Daarna moet er gestemd worden wie van de spelers de weerwolf is. Aan het einde winnen de overgebleven burgers, of de weerwolf.
‘En de weewwofwowakke,’ ‘Kaas, wat heb je nou weer? Een koek? Waar heb je die…Oké, eerst je mond leegeten.’ ‘Bro, Kaas spuugt allemaal stukjes koek op mijn gezicht.’
‘NIET! Dat doe ik NIET, Ezra. En de weerwolf wordt wakker ZEI IK TOCH! En hij vermoordt iemand en nu worden we allemaal wakker, BEHALVE EZRA want die is dood. Jammer, Ezra. En nu allemaal zeggen wie de weerwolf is.’
‘Hmm…ik denk dat het mama is.’ ‘Maar papa, jij denkt altijd dat mama het is.’
‘Ik ben het niet, mijn lieve kinderen. Ik zweer het.’ ‘Oh ja, waar zweer je dan op, mama?’ ‘Ik zweer op…’ ‘Niet nu al beginnen met zweren, jongens. Zweren is geen argument.’
‘Willem, stop met deze afleidingsmanoeuvres. Ik ken je toch. Hij liegt, jongens. Geloof me. Jullie vader is de weerwolf.’
‘Cléo zit onder de tafel stickers te plakken, mama.’ ‘Cléo, wat doe je? Nee, we zijn een spelletje aan het doen. Kom nou even zitten, liefje. Straks mag je weer met je stickers.’
‘Jongens, jullie moeder heeft geen scrupules. Ze’ – ‘Wat is scrupules?’ ‘Dat wil zeggen dat ik volgens jullie vader in staat ben om mijn eigen bloed te verraden, lieverdjes.’ ‘Dat is inderdaad precies wat ik wilde zeggen.’ ‘Bruuuh, even chill.’ ‘Ezra, jij bent dood, dus zwijg. Kaas? Kunnen we door?’
‘Oké. Dan gaan we nu stemmen, burgers van het wakkere dam.’ ‘Ezra mag ook stemmen hè, ook al is hij dood.’ ‘Cléo, kom nou even zitten. Je moet stemmen. Ik stem op papa.’
‘En ik stem op jullie mama.’
‘Cléo wijst naar Ezra. Maar hij is vermoord. Dan kan hij dus niet de weerwolf zijn, Cléo. Dan wijst ze nu naar…mij. Cléo! Maar ik ben je moeder!’
‘Ezra, ik, de burgemeester, vraag jou ook jouw superbelangrijke stem uit te brengen.’
‘Oh, wee mij. Hoe kan ik nu kiezen tussen mijn moedertje en mijn vadertje.’ ‘Ezra, stem gewoon op je vader. Kijk dan naar die stiekeme kraaloogjes.’ ‘Maar papa heeft juist mooie ogen.’
‘Ezra, stem maar op mij.’ ‘Nee, Cléo. Bij dit spel moet je juist niet willen dat iemand op je stemt, want dan ben je…dan ben je? Dan ben je af, Cléo. Ja, goed zo, schatje. Nou Ezra, voor de draad ermee.’
‘Ik stem op mama.’
‘Waaaat? Ik heb jullie het leven gegeven, ondankbaar addergebroed. Hier, mijn kaart. Kijk dan! Ik ben BURGER.’
‘Jammer voor je zeg, dat ze mij, hun vader, eerder geloven.’ ‘Laat jij dan nu ook maar je kaart zien, valsspeler.’ ‘Ja papa, laat nu maar je kaart zien, WEERWOLF.’ ‘Prima, kijk maar. Ik ben ook een burger.’
‘Maar wie is dan de weerwolf?’
‘Cléo? Lieverd? Draai je kaartje maar om.’ ‘Wow.’ ‘Kijk dan! Cléo is gewoon de weerwolf.’ Moppie, weet je zelf wel dat je de weerwolf was? Heb je nou je mond vol? Hoe kom je aan die koek? Wat zeg je?’
‘IK FEI: JULLIE FIJN ALLEMAAL FUKKELS.’
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden