Home

De man achter Hendrik Groen stapt uit de luwte, voor even dan

Tien jaar geleden belde Haro Kraak aan bij Peter de Smet: ‘Bent u Hendrik Groen?’ De Smet ontkende, maar stapt nu als auteur van het Boekenweekgeschenk toch achter zijn pseudoniem vandaan, de luwte uit. Een eenmalig uitstapje, als het aan De Smet ligt. ‘Wat maakt jou beter dan de Privé?’

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over identiteit, polarisatie en extremisme.

‘Hoeveel moet ik er nog?’, vraagt Peter de Smet als het interview met RTL Boulevard is afgelopen. ‘Nog één! Nee, nog twee!’, zegt een pr-medewerker die De Smet met zachte hand richting de camera van de NOS dirigeert.

‘Het is geen straf, hoor’, zegt De Smet over het mediacircus waar hij het middelpunt van is. Een paar minuten eerder is een klein rood bestelautootje, een Piaggio Ape, het STRAAT Museum in Amsterdam-Noord binnengereden, een industrieel hip decor met gigantische streetart dat prettig detoneert met de alledaagse verschijning van de hoofdpersoon van deze koude februaridag.

Dan volgt een prachtig moment van onversneden boekenglamour, bedacht door de mensen van stichting CPNB. Uit de laadklep kruipt De Smet, gekleed in een leren jasje, een spijkerbroek en witte gympen. Er klinkt wat gejoel. Hij zwaait, terwijl zijn benen nog uit de wagen bungelen. Alsof hij wil zeggen: ik ben het dus.

Ik, Peter de Smet. De man achter Hendrik Groen.

Hier staat de auteur van het Boekenweekgeschenk getiteld Piaggio, naar datzelfde autootje met drie wielen. Meer dan een miljoen boeken verkocht hij al, de luchtig-nuchtere dagboeken van de ietwat rebelse bejaarde Hendrik Groen. Er volgden tientallen vertalingen, toneelbewerkingen en een zeer geliefde serie van Omroep Max, en daarna nog meerdere romans, waarvan eentje ook weer tot Max-serie is gemaakt en zondag van start gaat. Al met al een van de grootste literaire verkoopsuccessen van deze eeuw.

Eenmalig uitstapje

En nu laat hij zich zien aan de wereld. ‘Ik kom uit de boekenkast’, zegt Peter de Smet met een lach. Onwennig friemelt hij aan de rand van zijn broekzak, terwijl hij vragen beantwoordt. Hij is 71 jaar en staat voor het eerst in zijn leven te poseren voor professionele fotografen. Een eenmalig uitstapje van zes weken, van nu tot aan het eind van de Boekenweek, en dan weer de luwte in als het aan hem ligt.

Ik kijk naar hem en denk: het is hem inderdaad. Het is tien jaar geleden dat ik het gezicht van Peter de Smet voor het laatst zag. In april 2016 belde ik bij hem thuis aan. Onaangekondigd. Zijn adres had ik gevonden in het register van de Kamer van Koophandel. Ik had één brandende vraag voor hem. ‘Bent u Hendrik Groen?’

Nee, zei hij.

Ik legde hem vervolgens enkele nogal overtuigende bevindingen voor van een maandenlange zoektocht. Het antwoord bleef: nee, sorry. Het boek van Hendrik Groen dat ik mee had om te laten signeren bleef in mijn rugtas. ‘Het is toch ook helemaal niet leuk om te weten wie Hendrik Groen is?’, zei hij ten slotte. Een zin die nog altijd een kleine steek schuldgevoel bij me oproept.

Het gebeurt niet vaak dat een stuk waar je aan werkt wezenlijke gevolgen heeft, klein of groot, voor de persoon om wie het gaat, of voor de samenleving. Meestal blijft het bij wat reuring, een rimpeling in de vijver. Eigenlijk wil ik nog altijd weten wat mijn handelen destijds teweeg heeft gebracht. Heeft het verhaal iets onomkeerbaar veranderd in zijn leven?

Ontmaskering

Op de redactie draaiden we ook rondjes om dit ethische dilemma. Het geitenpaadje dat we, mogelijk ingegeven door enig opportunisme, toen namen: het mysterie rond Hendrik Groen is, bewust of onbewust, óók een belangrijk onderdeel van de marketing. De ontrafeling ervan werd een publiek gezelschapsspel en ging ook zonder een bijdrage van de Volkskrant onverminderd door. We wilden met dit verhaal het succes van de boekenreeks doorgronden, dat onlosmakelijk verbonden is met het nieuwsgierig makende pseudoniem.

Het schuldgevoel zakte vlak na het aanbellen wel iets weg; ik was niet de enige die met de ontmaskering bezig was. De middag voordat mijn verhaal werd gepubliceerd, verscheen ineens een kort nieuwsbericht van NRC: ‘Peter de Smet is Hendrik Groen.’ Ik heb nooit achterhaald of die timing toeval was. De NRC-journalisten hadden niet aangebeld, maar De Smet gewoon opgebeld, en het bericht direct online gezet.

Haastig werden ook mijn stuk en het bijbehorende nieuwsbericht op volkskrant.nl gepubliceerd. Maar het was al te laat; op Teletekst, ANP, alle nieuwssites, overal stond dat NRC de onthulling bracht. In het nieuws werd hij omschreven als 61-jarige bibliothecaris. Maar dat was hij niet, hij was 23 jaar lang conciërge bij een muziekschool in Noord geweest.

Tien jaar later word ik bij binnenkomst in het STRAAT Museum door de CPNB-medewerker begroet met de woorden: ‘Ah, de man van de spoiler!’

Op een paar meter afstand luister ik mee met de eerste tv-interviews die De Smet geeft. Al snel blijkt dat hij niet zo veel verschilt van Hendrik Groen, de verteller die alles relativeert en met lichte spot de wereld om hem heen beziet. Stel Peter de Smet een vraag en hij geeft een rechtdoorzee antwoord, zo straight als maar kan, zonder franje, ego of kletskoek.

Waarom wilde je anoniem zijn? ‘Ik wil niet te veel heisa. Bovendien: boeken zijn belangrijk, maar schrijvers doen er niet toe.’

Waarom stap je nu toch uit de anonimiteit? ‘Omdat het een grote eer is om het geschenk te schrijven.’

Waarom zijn je boeken zo populair? ‘De herkenbaarheid. En de boeken zijn niet te dik of te moeilijk. Mensen kunnen eenvoudig en met plezier het eind halen.’

Wat moeten we weten over Peter de Smet? ‘Van mij hoef je niets te weten.’

Zonder gedoe

Toch zijn er dingen die je eventueel over hem zou willen weten. Bijvoorbeeld: hoe werd hij ooit Hendrik Groen? Nou, onder meer door eens wat te laten lezen aan zijn goede vriend Carel Helder, schrijver en directeur/barman van het kleinste podium van Nederland, het Torpedo Theater in Amsterdam.

‘Ik kan niet veel,’ zegt Helder, ‘maar ik kan wel goed inschatten of ergens wat in zit. En hier zat wat in. Ik wist meteen: dit gaan heel veel mensen leuk vinden.’

Elke dag verscheen een stukje uit het dagboek van Hendrik Groen op het blog van torpedomagazine.nl. Helder: ‘Dat werd door bijna niemand gelezen, maar wel door mensen van uitgeverijen. Dus binnen de kortste keren had Peter een uitgever.’

Ze kennen elkaar uit Amsterdam-Noord. Van het voetballen en het volleyballen en nog een paar ‘grote gezelschappen’, waar ‘Peter altijd het voortouw’ neemt, zegt Helder. ‘Hij heeft een vrij dominant karakter, niet op een vervelende manier, hoor.’ De Smet nam ooit het baantje over dat Helder had als conciërge bij de muziekschool. ‘Ik heb daar ook weleens een dichtbundeltje gemaakt. Dat kon heel goed, in de verloren uren.’

Helder begreep wel dat hij een pseudoniem hanteerde. ‘Dan kun je schrijven wat je wil, zonder gedoe.’ Hij hoopt voor De Smet dat die binnenkort weer terug naar zijn privéleven kan. ‘Je moet er niet aan wennen, al die aandacht, dat doet een mens niet veel goeds. Hij is er niet gevoelig voor, hoor. Hij is niet iemand die het fijn vindt om in de belangstelling te staan of over zichzelf te praten. Succes dus, met het interview.’

Verrassing

We spreken af in een café in Noord, niet ver van de pont. Als De Smet het café in loopt, twijfel ik even of hij het wel is zo onopvallend ziet hij eruit. Later vertelt hij me dat hij, zelfs nadat hij in het NOS Journaal en RTL Tonight te zien was, door niemand op straat wordt herkend. Hij heeft een vriendelijk gezicht, met kort grijs haar, zijn wangen bollen als hij lacht.

Vandaag is het de 100ste geboortedag van zijn vader. ‘Veertien jaar geleden overleed hij. 86 werd hij. Ik heb hem enkele jaren voor zijn dood een stuk of vijf keer geïnterviewd en daar een biografietje van gemaakt. Mijn vader kwam van niets. In zijn jeugd ging hij nooit op vakantie. Er was geen cola en geen televisie. Hij ging nog elke ochtend naar de kerk. De snelmis. Twintig minuten en dan naar school.’

De Smet groeide op in een katholiek gezin met zes kinderen. ‘Een leuk gezin met altijd veel geschreeuw en gelach en gedoe.’ Het waren verzuilde tijden. ‘Wij gingen naar de katholieke kleuterschool, katholieke lagere scholen en de katholieke voetbalclub.’ Langzaam is de welvaart het huis in gekomen, zegt hij. ‘Mijn vader had een kantoorbaan en hij ging gestaag beter verdienen.’

En zelf kon hij gaan studeren. ‘Ik heb zes jaar Nederlands gedaan. Niet afgemaakt trouwens. Al mijn studiegenoten gingen het onderwijs in. Het was voor iedereen beter dat ik dat niet deed.’ Ambities had hij weinig. Hij werkte een tijdje bij een reclamebureau en kon toen het baantje overnemen bij de muziekschool. ‘Daar schreef ik ook voorstellingen en bedacht ik van alles en nog wat.’

Dan gebeurt er iets wat ik niet had verwacht. Het dominante en voortouwnemerige karakter van Peter de Smet komt tot uiting. Onze voorgeschiedenis wilde ik aan het eind van het gesprek ter sprake brengen, maar dat is buiten De Smet gerekend. Verbaasd kijk ik hoe hij uit zijn jas een opgerolde, tien jaar oude krant haalt.

‘Ik heb je verhaal nog eens gelezen’, zegt hij. ‘Leuk stuk, daar gaat het niet om. Maar ik denk wel: wat is nou het principiële verschil met de Privé en dit stuk? Als ik iets per se voor mezelf wil houden en jij gaat het in de krant zetten.’

Ik stamel iets over oprechte interesse in zijn werk en dat de helft van het stuk een verklaring is van het succes. Maar dat is uiteindelijk geen goed argument, weet hij ook. ‘Waarom eigent een journalist zich het recht toe om een geheim breed bekend te maken? Terwijl het dus niet gaat om een misstand.’

Misschien moeten we de vraag omdraaien, zeg ik. ‘Als je per se geen publiek figuur wil worden, waarom meng je je dan zo in het publieke domein?’

‘Dat doe ik niet, ik schrijf een boek.’

Maar dat boek is onderdeel van het publieke domein, werp ik tegen, en heeft honderdduizenden lezers aan zich gebonden. Had hij dan gedacht dat het nooit zou uitkomen?

‘Tuurlijk wel, er waren tientallen bekenden die het wisten. Dus op enig moment zou het uitkomen. Ik was er ook niet zo bang voor. Maar ik dacht wel: zolang het duurt, vind ik het prima. En uiteindelijk was mijn inschatting: als het bekend wordt en ik reageer totaal niet, dan bloedt het dood. En dat gebeurde ook.’

Stiekem

Op de Privé na. Hij vertelt over een man die niet lang na de onthulling aanbelde. ‘Hij had een of ander lulverhaal. Hij vroeg: mag ik iets ophangen in die boom met vogelhuisjes? Ga je gang, zei ik. Ik dacht: beetje een rare man. Maar wat bleek: aan de overkant zat een fotograaf van de Privé en die maakte stiekem een foto van mij.’

Hij begint vervolgens over ‘een of ander kutstuk in de Quote’ dat recent verscheen. ‘Zo rijk is Hendrik Groen, ehm successchrijver Peter de Smet’, is de kop. ‘Ze noemen me multimiljonair. Onzin. Ze zoeken dan op hoeveel vermogen er in mijn bv zit. Maar dat zegt niet zo veel. Als mijn huis op die bv staat, dan is dat dus geen geld waar ik even bij kan. Als je zo rekent, is iedereen met een mooi koophuis in Nederland miljonair.’

Hij wil maar zeggen: het is precies al die heisa die hij nou net had willen vermijden toen het ooit begon. Hij heeft al die interviews ‘niet nodig’, zegt hij. Naar het contact met lezers kijkt hij niet in het bijzonder uit. ‘Dat voegt niet zo veel toe’, zegt hij over de fanmail, waar hij zelden op reageert. Over de signeersessies in de Boekenweek, zegt hij met een lach: ‘Ik ben benieuwd. Als het heel druk wordt, moet ik misschien maar een stempel gebruiken.’

Herkenbaarheid

En dan was er deze week nóg iemand die hem ‘multimiljonair’ en zelfs ‘een ramp voor Nederland’ noemde. In een radiocolumn voor de BNNVara-rubriek Druktemakers tierde dichter Joost Oomen: ‘Ik gun Peter de Smet zijn enorme lezerspubliek, herkenbaarheid scoort en als je daar heel goed in bent, dan hoef je je daar niet voor te schamen. Maar is het origineel? Nee. Is het kunst? Ook niet. En kunst, echte originele, nieuwe perspectieven biedende kunst, dat hebben we als land nou net zo ontzettend nodig.’

‘Daar haal ik mijn schouders over op’, zegt De Smet. ‘Er is altijd wel iemand die het niks vindt. Daar was ik op voorbereid. Mensen sturen het me door. Een lichte ergernis kan ik niet onderdrukken. Hij zal zelf wel een heel vernieuwende schrijver zijn met een heel klein publiek. Het is helemaal niet aan hem om te bepalen wat de waarde van het Boekenweekgeschenk is. Als hij kunst met een grote K wil promoten, moet hij dat op een andere manier doen.’

Nee, hij heeft niets tegen die kunst met de grote K, zegt hij, maar laat ieder toch maken en lezen wat-ie wil. Zelf leest hij graag Paulien Cornelisse en Nico Dijkshoorn, twee schrijvers die toevallig vaak werden genoemd als mogelijke Hendrik Groen. ‘Ik hou van grappige dingen, talig, en niet te lang. Alles is te lang tegenwoordig. Vooral films. Maar ook boeken. En interviews. Hou dit interview ook maar kort.’

Twintig Arena’s

Het is zijn drijfveer ‘dat er heel veel mensen met heel veel plezier mijn boeken lezen’, zegt hij. ‘In de tv-serie gaat Evert dood, André van Duin dus. Ik zit voor de tv en realiseer me opeens: er zitten nu gewoon 2 miljoen mensen met een zakdoek in hun hand. Ja, dat zijn twintig Arena’s helemaal vol.’

Snel voegt hij eraan toe: ‘Ik heb in Nederland iets van 700 duizend boeken verkocht. 17 miljoen mensen hebben het dus niet gelezen. Het is allemaal niet zo belangrijk.’

Pretentie, literair of anderszins, is hem geheel vreemd. Over zijn Boekenweekgeschenk zegt hij: ‘Dit is gewoon een heel lief, leuk, klein verhaaltje dat mensen even tussendoor lezen en denken: oh, wat leuk zeg! Meer niet.’

Dat verhaal is als volgt samen te vatten. Anton en Marieke, een zestiger en vijftiger die beiden met hun ziel onder de arm rondlopen, ontmoeten elkaar op een feestje. Als ze een paar drankjes te veel op hebben, besluiten ze op een roadtrip te gaan. Geheel tegen hun aarzelende en niet-avontuurlijke aard in. Ze kopen een Piaggio Ape in een buitenwijk van Milaan en tuffen daarmee de Alpen over, met 30 kilometer per uur.

Ja, de personages van Peter de Smet zijn nadrukkelijk gewoontjes. Ze heten Evert, Eefje, Coby, Lidy, Grietje en Edward. Ze dragen ‘makkelijke schoenen’ als ze met de trein gaan, nemen dan ook een thermoskan koffie mee en eten daar een sprits bij. Ze zeggen dingen tegen zichzelf als: ‘Ik moet mezelf een schop onder mijn twijfelkontje geven’.

Op driekwart van Piaggio zegt Marieke tegen Anton: ‘Als er een verkiezing was voor de gewoonste man en vrouw van Nederland zouden we allebei een goede kans maken.’

‘Maar intussen’, zegt Anton, ‘rijden wij toch maar mooi in ons karretje in het zonnetje door Duitsland, dus wie maakt ons wat?’

Doorsnee

Wat vindt De Smet zo aantrekkelijk aan doorsnee hoofdpersonen? ‘Dat is het leven’, zegt hij. ‘Jullie bij de krant houden je bezig met politiek en klimaatverandering en weet ik veel wat. Meer dan de helft van Nederland is daar helemaal niet mee bezig. Iedereen zit in zijn eigen denkwereld en denkt dat dat dé wereld is. Daar moeten we echt vanaf.’

Een missie wil hij het niet noemen, als vanzelf schrijft hij over deze mensen. Het zijn de mensen die hij kent uit zijn buurt. De mensen die daar steeds meer vervangen worden door een ander slag, jonger, rijker en mondiger. Ach, hoe de stad is veranderd, en het land ook, daar kan hij wel een tijd over doorgaan. Maar wie zit er te wachten op de mening van een schrijver?

Hij niet.

En het interview wordt al te lang, dus kappen nou.

Voordat hij weggaat geef ik hem mijn exemplaar van Piaggio en vraag of hij deze dan wel wil signeren. Hij lacht. ‘Vooruit, omdat ik niet rancuneus ben.’ Hij krabbelt wat. ‘Voilà.’ Op de eerste pagina staat een boodschap, ondertekend door Hendrik Groen, kenmerkend kort: ‘Goedmakertje?’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next