In Nederland valt Perlita voor een blonde man met blauwe ogen. Pas als ze met hem samenwoont, durft ze dat aan haar ouders in Indonesië te vertellen. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Perlita (75, gepensioneerd docent Nederlands): ‘Als kind speelde ik altijd met poppen met blond haar en blauwe ogen, donkere poppen bestonden toen niet. Ik droomde toen al dat ik later zou trouwen met een man met blauwe ogen en blond haar. Ik was een klein verwend meisje. In Jakarta, waar ik opgroeide, was het normaal om personeel te hebben. We hadden niet alleen hulp in de huishouding, maar ook een tuinman, een kok en een chauffeur. Ik mocht niet eens zelf mijn kamer opruimen. Mijn vader had drie echtgenotes, mijn moeder was zijn derde vrouw. Die andere vrouwen hadden meerdere kinderen, ik was enig kind. Omdat mijn vader weinig thuis was, waren mijn moeder en ik altijd samen en ontzettend close.
‘Ik ging Nederlands studeren omdat mijn ouders thuis vaak Nederlands met elkaar spraken. Onderdeel van de studie was dat ik één jaar naar de universiteit in Leiden mocht om de cultuur en de Nederlanders te leren kennen. Ik keek daar ontzettend naar uit, het leek me heerlijk om in een koud land te wonen, ik had een hekel aan de hitte. Ik verheugde me ook op de vrijheid die ik in Indonesië nooit had gekend. Op mijn 24ste moest ik mijn ouders nog altijd toestemming vragen als ik wegging. Met wie, hoe laat, waarnaartoe? Het gevoel van onafhankelijkheid was onbeschrijfelijk als ik ’s avonds door Leiden fietste en zelf kon bepalen hoe laat ik naar huis ging.
‘Ik ontmoette hem in de mensa, het studentenrestaurant waar we altijd aten. Hij was een slimme jongen, studeerde scheikunde. Hij was de man over wie ik als klein meisje had gedroomd, met blauwe ogen en blond haar. Op zijn beurt vond hij het heel interessant dat ik uit Jakarta kwam. Hij was dol op de Indonesische keuken en kwam vaak bij mij eten. We werden smoorverliefd, hadden een heerlijk jaar. Hij wilde graag dat ik bleef, maar dat kon niet, ik moest terug. De avond voor mijn vertrek hebben we alleen maar gehuild. Met een steen in mijn maag stapte ik het vliegtuig in.
‘Terug in Indonesië voelde ik me een vogeltje dat in een kooi werd opgesloten. Ik durfde mijn moeder niet over mijn vriend te vertellen omdat ik wist dat ze het zou afkeuren. Mijn moeder had wel in de gaten dat het niet goed met mij ging, want ik zat alleen maar op mijn kamer, sprak niet, at niet. Mijn vriend schreef veel brieven, soms stuurde hij een pakketje met pannenkoekenmeel van Koopmans. Toen mijn moeder de post begon te saboteren, liet ik hem zijn brieven naar mijn vriendin sturen. Ik wilde niets liever dan terug naar Nederland. Mijn vriend spaarde voor een ticket voor mij. Omdat ik wist dat mijn ouders het nooit zouden accepteren, moest ik een smoes verzinnen. Die leugen is de kern van mijn spijtgevoel.
‘Ik heb tegen mijn moeder gezegd dat ik naar Nederland terug wilde voor een reünie van de vriendengroep met wie ik had gestudeerd. In Javaanse gezinnen speelde bijgeloof een grote rol en ik had van mijn oma geleerd dat als je iets wilde bereiken, je twee dagen per week moest vasten. Een paar maanden vastte ik op maandag en donderdag en bad ik iedere zonsondergang om naar Nederland te gaan. En verdomd, het vasten werkte. Mijn ouders geloofden mij en ik mocht voor drie maanden naar Nederland. Mijn vader zette de handtekening die ik nodig had als ongehuwde vrouw.
‘In het vliegtuig naar Nederland kreeg ik last van spijtgevoelens die ik de rest van mijn leven niet meer kwijt zou raken. Wat deed ik mijn moeder aan? Ik voelde me een slecht mens. Op het moment dat ik mijn vriend en zijn ouders op Schiphol zag, was ik dolgelukkig. We gingen stiekem samenwonen en verzwegen dat voor mijn moeder. Na die drie maanden begonnen de brieven van mijn moeder van toon te veranderen. Wanneer kom je terug? Wat is er aan de hand? Ik durfde de waarheid niet te zeggen, maar ik kon er natuurlijk ook niet onderuit. Uiteindelijk heb ik een brief geschreven waarin ik vertelde dat ik mijn grote liefde had gevonden en niet zou terugkomen. Ik kreeg, zoals verwacht, een woedende brief terug: ik zou het wel voelen, het ongeluk zou me achtervolgen omdat ik haar dit aandeed.
‘Hoewel ik ontzettend gelukkig was, was ik van binnen verscheurd. Elke dag voelde ik me schuldig tegenover mijn moeder en had ik spijt dat ik haar dit had aangedaan. Toen we in 1978 trouwden, heb ik mijn ouders dat niet verteld. Ik worstelde met mijn bijgeloof, wist niet waar mijn moeder toe in staat was als ze het zou weten. Ik was bang voor haar en bang voor de consequenties. Een paar weken na ons huwelijk heeft een goede vriendin uit Jakarta het aan mijn ouders verteld. Mijn vader schreef meteen een brief: ik weet dat jullie getrouwd zijn en dat is goed. Maar hij had makkelijk praten, want hij had nog acht andere kinderen. Mijn moeder liet helemaal niets horen. Doodse stilte.
‘Toen ik zwanger was van mijn oudste zoon, heb ik mijn moeder verteld dat ze oma zou worden. Ze was blij, nieuwsgierig en wilde me komen opzoeken. Voor het eerst maakte ze kennis met mijn man, na al die jaren. Er bleek alleen helemaal geen ruimte om over pijnlijke zaken te praten. Een paar jaar later overleed mijn vader. In Indonesië is het de gewoonte dat kinderen voor hun ouders zorgen, dus ik vroeg mijn moeder naar Nederland te komen met de bedoeling dat ze hier zou blijven. Ze heeft tien maanden bij ons in huis gewoond, en dat waren zware maanden. Haar boosheid zat zo diep dat ze heel snel kwaad op mij werd. Bovendien kon ze niet aarden, ze werd steeds ongelukkiger. Ze is teruggekeerd en hier nooit meer geweest.
‘Ik ging elk jaar drie weken naar Indonesië, in mijn eentje, daartoe voelde ik me verplicht. Ik heb haar ook altijd financieel gesteund zodat ze daar een comfortabel leven kon leiden. Talloze keren heb ik haar gezegd dat ik me zo schuldig voelde en dat het me speet dat ik was weggegaan. Maar ze wilde er niet over praten, heeft niet één keer gezegd: ‘Het geeft niet, jij bent gelukkig.’ Ze heeft nooit iets gezegd om mij van mijn spijtgevoel af te helpen. Integendeel, ze was heel vaak boos op me. Ze zei tegen iedereen: ‘Ik heb maar één dochter en die is weggevlogen.’ Ze was diep ongelukkig, en dat was mijn schuld.
‘Terwijl ik echt heel gelukkig was met mijn gezin, met mijn man en mijn twee jongens, was er altijd een schaduwzijde. Als ik het opnieuw zou moeten doen, zou ik een andere beslissing hebben genomen. Als ik mezelf had opgeofferd voor mijn moeder, had ik die zware last niet hoeven dragen. Door mijn keuze is mijn moeder haar hele leven verdrietig geweest en altijd in haar uppie gebleven. Toen mijn moeder op 96-jarige leeftijd overleed, is er een zwaar juk van mijn schouders gevallen. Maar het gevoel van spijt heeft het niet weggenomen. Ze heeft me bedankt voor mijn financiële steun, maar ik had zo gehoopt dat ze zou zeggen: ‘Ik vergeef je.’
‘De les die ik ervan heb geleerd is dat ik mijn kinderen vrijlaat. Een van mijn twee zoons heeft in het buitenland gewoond. Ik vond dat jammer, maar ik dacht vooral: als hij gelukkig is, ben ik het ook.’
Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Perlita gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant