Pacifisme We blijven niet veilig door te investeren in defensie, wel door een uitgebreid sociaal weefsel van zorg en solidariteit. Iedereen die dat soft vindt, begrijpt te weinig van hoe leven gemaakt en onderhouden wordt, schrijft Marguerite van den Berg.
daisy flower wrapped in gun bullet
‘Zolang ze munitie hebben gaan ze door”, zegt de moeder van een omgekomen jongeman in Brechts toneelstuk De moeder (1932). Ze loopt langs een rij vrouwen die koper inleveren zodat er munitie van gemaakt kan worden. De vrouwen geloven de propaganda en denken dat zo de oorlog eerder ten einde komt. De moeder is vastberaden om ze te overtuigen van het tegendeel. „Wie koper levert, verlengt de oorlog”, brengt ze in. De vrouwen zijn verenigd in hun verlangen dat de oorlog stopt, dat hun zonen en echtgenoten terugkeren van het front. Brecht laat ze via het betoog van de moeder zien dat meer munitie dat juist in de weg zal staan.
Brecht vertelt dit verhaal niet voor niets vanuit het perspectief van een moeder. Vrouwen hebben zich veel ingezet voor vrede en voor ontwapening. Dat is niet omdat vrouwen vanzelf, of ‘natuurlijk’, zorgend of meer op vrede gericht zijn. Maar de zorgtaken die ze – historisch gezien – vaak vervullen, maken wel dat ze goed begrijpen hoeveel werk en aandacht er nodig is om leven mogelijk te maken. En dus hoe kwetsbaar dat leven is.
Marguerite van den Berg is universitair hoofddocent bij het Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht. Ze is auteur van onder meer Kwetsbaar – politieke mogelijkheden. Ook schrijft ze voor Het kantoor voor feministische liefdesbrieven.
Er bestaat een lange en rijke geschiedenis van bewegingen van vrouwen voor vrede en van feministisch vredesactivisme. Daar kunnen we nu veel van leren. De bewegingen waaraan we ons vrouwenkiesrecht te danken hebben, organiseerden bijvoorbeeld al protesten tegen bewapening en voor vredesonderhandelingen – midden in de Eerste Wereldoorlog, nota bene.
Aletta Jacobs organiseerde in 1915 zo’n vrouwenvredescongres in de dierentuin van Den Haag. Daar vergaderden vrouwen uit meerdere Europese landen terwijl hun mannen, vaders, broers en zonen in de loopgraven tegen elkaar vochten en massaal sneuvelden. In lastige gesprekken dachten de vrouwen samen na over hoe de oorlog beëindigd kon worden en hoe ze konden bijdragen aan duurzame vrede. Ze lieten daarbij bewust buiten beschouwing hoe of door wie de oorlog was begonnen (met dat gesprek, dachten ze wijs, kwam het einde van de oorlog niet dichterbij) en richtten hun aandacht op vrede en wat daarvoor nodig was.
Recenter vredesactivisme in Nederland was een reactie op de kernwapenwedloop in de jaren zeventig en tachtig. Zo protesteerden in 1981 400.000 mensen in Amsterdam tegen de plaatsing van NAVO-kruisraketten in Nederland. „Help kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland”, was de leus, die mensen met heel verschillende achtergronden op de been bracht.
Waar Nederland eerder in de twintigste eeuw geen bijzonder sterke of grote vredesbeweging had, kwamen in 1981 verschillende elementen samen. Zo waren er veel socialistische, sociaaldemocratische en confessionele organisaties die zich in wilden zetten voor ontwapening, met de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in het geheugen en – na de bombardementen op Nagasaki en Hiroshima – de wetenschap wat een kernbom kan aanrichten.
Er waren bij het protest ook vrouwengroepen en feministisch activisten. Groepen zoals ‘Vrouwen voor vrede’ keerden zich tegen het militarisme. Zij waren niet allemaal expliciet feministisch, maar namen wel deel vanuit hun vrouw-zijn en de rollen die daarbij hoorden. Vrede was te belangrijk om aan mannen over te laten, besloten ze. Lokale afdelingen organiseerden studiemiddagen en de vrouwen gingen samen naar protesten.
In 1915 én in 1981 (en de gewelddadige jaren daartussen) waren feministische en vrouwelijke vredesactivisten het erover eens: het belangrijkste doel was ontwapening, want wapens zullen worden gebruikt en verwoesting zaaien. Inderdaad: ‘zolang ze munitie hebben gaan ze door’.
Die munitie wordt steeds dodelijker en destructiever. We hebben nu rondvliegende drones waarmee mensen op afstand kunnen moorden, kernwapens die al het leven kunnen wegvagen, en alles ertussenin – op een gemiddelde wapenbeurs kun je precies horen hoe effectief die spullen lichamen uiteenrijten. Een hele industrie die de dood produceert.
Maar wat is er nodig voor leven? Dat begrepen de vrouwen in vredesbewegingen maar al te goed. Zo zette Vrouwen voor vrede zich in voor een rechtvaardiger verdeling van welvaart en welzijn en een wereld waarin „het milieu wordt ontzien”. In hun doelstellingen noemen ze al expliciet het belang van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, alsook van mensen met verschillende achtergrond of ‘ras’.
Die verbinding van algemenere principes van gelijkwaardigheid en de bescherming van leven vinden we ook terug op andere momenten in de geschiedenis van het vrouwenvredesactivisme. Dat activisme was internationaal. In 1981 was er ook in het Verenigd Koninkrijk protest tegen de plaatsing van kernwapens, bij de luchtmachtbasis Greenham Commons. De demonstranten – allen vrouw – stonden in een kring, hand in hand, rondom de hekken van het luchtmachtterrein. Ze noemden hun actie ‘embrace the base’ – omhels de basis.
De vrouwen stonden er vanuit hun rol als moeder, zuster of dochter. Ze maakten van hun genderrol een wapen. Zo vroegen ze de militairen op het terrein: „Waarom wil je mijn kind vermoorden?” De vrouwen van Greenham Common zouden blijven tot 2000, toen de basis dan eindelijk werd opgeheven en als park teruggegeven aan de gemeenschap. Vrouwen die erbij waren, vertellen nu dat ze kwamen voor het protest tegen kernwapens en bleven voor het feminisme en de solidariteit. De vrouwen leerden daar dat die twee verbonden zijn: het zorg dragen voor leven in solidariteit was een uiting van feminisme, en moest voor hen noodzakelijkerwijs ook verzet tegen (kern)wapens betekenen.
Onlangs liep New Start af, het wapenbeheersingsverdrag tussen Rusland en de Verenigde Staten. Wat in de decennia na de Tweede Wereldoorlog bevochten en onderhandeld werd – een grens aan kernwapens – staat nu weer op het spel. Bovendien wordt er in ons eigen land spectaculair in wapens geïnvesteerd. Het nieuwe kabinet wil miljarden vrijmaken voor defensie, die het deels wil betalen via bezuinigingen op de zorg.
Maar we hebben van activisten kunnen leren dat vrede en rechtvaardigheid verbonden zijn. Dat we veilig blijven door een uitgebreid sociaal weefsel van zorg en solidariteit, een weefsel dat door dagelijks onderhoud wordt gemaakt en beschermd. Inzet voor ontwapening en tegen (kern)wapens is verbonden aan inzet voor het leven op aarde . Praktijken van liefde, zorg, solidariteit of wederkerigheid. Iedereen die dat soft vindt, begrijpt te weinig van hoe leven gemaakt en onderhouden wordt.
De dominante logica nu is dat meer wapens onze garantie op veiligheid zijn. Feministen en vredesactivisten weten beter. Het gaat ons om een andere soort veiligheid, een verzameling veiligheden: veilig zijn betekent dat er geen drones op je worden afgestuurd. Het betekent dat er geen nachtelijke raketaanvallen zijn op de huizen van burgers. Het betekent toegang tot wat je nodig hebt om te leven. Water, voedsel, medicijnen.
Het betekent ook dat je erop kunt rekenen dat je beschermd wordt tegen je ex als die je bedreigt. Dat je verzorgd zult worden als je oud of ziek bent. Dat je je vrij kunt uitspreken voor vrede en tegen bewapening. Dat je je kind kunt laten opgroeien zonder de continue dreiging van seksueel geweld. Dat niet alle zorg almaar op dezelfde overvraagde en uitgeputte schouders terecht komt.
Dat is natuurlijk wel wat de voorgenomen bezuinigingen op de zorg zullen betekenen. Volgens de kabinetsplannen moet ‘de samenleving’ die bezuinigingen opvangen. ‘De samenleving’ – dat is een vage term voor de onbetaalde arbeid van vrouwen. Zij doen het leeuwendeel van de mantelzorg, van de zorg voor kinderen, van de zorg voor het huishouden – zij zorgen ervoor, kortom, dat het leven door kan gaan en steeds opnieuw begint. En daarnaast hebben ze natuurlijk ook nog hun betaalde baan.
Dat vrouwen zo veel betaald en onbetaald werk op zich nemen, wordt in de sociaalwetenschappelijke literatuur wel de forever available thesis genoemd: je kunt als politicus of beleidsmaker altijd nóg meer taken onbetaald op de schouders van vrouwen dumpen. Voor de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van ons samenleven zijn dit soort bezuinigingen dus heel slecht nieuws – de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving zegt niet voor niets dat ons samenleven ‘hypernerveus’ is.
Zorg kost tijd en geld. Het is geen verzamelbak waar alles in kan dat niet fatsoenlijk betaald kan worden omdat er gevechtsvliegtuigen moeten worden aangeschaft. Zorg en samenleven zijn kwetsbaar, zoals alle leven kwetsbaar is. Het sociale en ecologische weefsel dat ons in leven houdt – dat ons draagt – vergt voortdurende aandacht en bescherming. Juist op wat kwetsbaar is, wordt nu bezuinigd. Tegelijk: iedereen is kwetsbaar. Dat kan ons verbinden in solidariteit, of uit elkaar spelen.
Vredesactivisme ging nooit over een simpel standpunt tegen oorlog of wapens. Altijd ging het om het scheppen van de voorwaarden voor vrede en rechtvaardigheid. De vraag was altijd: als we wapens en oorlog afwijzen, wat hebben we dan nodig? Hoe kunnen we kwetsbaar leven beschermen zonder (kern)wapens? Welk evenwicht kunnen we vinden dat niet gaat over nieuwe wapeninvesteringen? Hoe kan onze kwetsbaarheid iets anders zijn dan een roep om oorlog?
De Amerikaanse schrijver en vredesactivist Grace Paley schreef in haaar essays in de jaren tachtig dat termen als vrede en rechtvaardigheid soms tot heftige reacties kunnen leiden. Ze koos haar woorden zorgvuldig, want onze woorden hebben gevolgen. Ook nu weer wordt veel gesproken over bedreiging en verdediging en minder over vrede en rechtvaardigheid. Paley schreef over de koppigheid die nodig was voor haar vredesactivisme. De geweldloze acties en vredeskampementen waaraan zij meedeed, zoals die in Seneca, New York begin jaren tachtig, werden vaak geridiculiseerd. Die koppigheid blijft nodig, want we zijn pas veilig als we zorgdragen voor het leven. Paley:
„Wij zijn gemaakt van bloed en bot, wij zijn gemaakt van een zoete en eindige bron, water.
Wij staan niet toe dat deze gewelddadige spellen doorgaan. […] Wij weten dat er een gezonde, verstandige, liefdevolle manier is om te leven en we gaan ook zo leven […], met onze broeders en zusters in alle landen in deze wereld.”
Wij zijn gemaakt van bloed, bot en water. We zijn verbonden met de aarde, met ander leven daar. Dat gegeven maakt ons afhankelijk en kwetsbaar. Maar „wij weten dat er een gezonde, verstandige en liefdevolle manier is om te leven en wij gaan ook zo leven”. Dat wist Aletta Jacobs, dat wisten de leden van Vrouwen voor vrede, de demonstranten bij Greenham Common.
Gelukkig zijn er ook hedendaagse demonstranten die dit weten. De protesten tegen de genocide in Gaza zijn ook vredesprotesten. Daar zijn ook weer veel feministen en queer activisten actief. Demonstranten die begrijpen dat ze zich moeten verzetten tegen de onderdrukking van Palestijnen omdat die verbonden is met hun leven hier. Mensen die weten wat het betekent om kwetsbaar te zijn en hoe leven te beschermen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen