Net toen Marina Yee eindelijk haar plaats in de mode had gevonden, kreeg ze te horen dat ze alvleesklierkanker heeft. „Het is bijna om te lachen, echt waar.”
Yee is een van de Zes van Antwerpen, de beroemde groep Belgische ontwerpers die veertig jaar geleden doorbrak. Als enige van de groep bleef zij op de achtergrond.
Dit is het laatste interview dat Yee (1958-2025) gaf.
Marina Yee in haar showroom in Parijs (2024)
Het is de laatste woensdag van oktober. In haar kamer in het kleine Sint-Jozefziekenhuis in Mortsel, een voorstad van Antwerpen, is Marina Yee (67) net wakker geworden. Ze draagt een ziekenhuishesje, slangetjes verbinden haar aan ziekenhuisapparatuur. Ze is heel mager, haar haar is heel kort, maar haar ogen zijn opgemaakt met dikke, zwarte eyeliner. De muur waarop ze vanuit haar bed uitkijkt is op haar verzoek hardroze geverfd – beige, de oorspronkelijke kleur, kon ze niet verdragen. Over een stoel hangt een door haar ontworpen olijfgroene wollen trui, met extra lange mouwen. Ze eet een groen soepje dat een vriendin voor haar heeft gemaakt.
Veertig jaar geleden stond Yee met vijf andere jonge Belgische modeontwerpers op een beurs in Londen. Hun namen waren lastig uit te spreken voor niet-Nederlandstaligen – op die van Yee na – en dus werden ze The Antwerp Six genoemd. Ze hadden elkaar leren kennen op de modeafdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Ze gingen samen uit, waren met z’n allen meegegaan op Belgische handelsmissies naar Japan, deden mee aan modewedstrijden, hielden elkaar scherp. Niemand van hen kon zo goed tekenen als Yee, zeggen ze allemaal. Maar ze was ook rebels. „Ik was op school altijd bang dat mijn werk niet op tijd af zou zijn”, zegt Ann Demeulemeester. „Marina was veel nonchalanter, die ging op gevoel af. Dus dan kreeg je zo’n situatie dat ik allang klaar was, maar de dag voor de beoordelingen haar ging helpen met naaien. Op een bepaalde manier kon ik wel jaloers op haar zijn, ik was zo plichtsgetrouw.”
„Marina was geweldig, creatief tot en met”, zegt Dries Van Noten, die toen ze allebei nog op de academie zaten samen met haar collecties maakte voor een confectiemerk. „Dat maakte het boeiend om met haar te werken. Ze was ook wild, een beetje losgeslagen eigenlijk, ze had lak aan regels, soms moest ik haar wakker bellen. Maar daarmee heeft ze mijn blik wel verruimd.”Van Noten, Demeulemeester, Walter Van Beirendonck en Dirk Bikkembergs groeiden uit tot internationale modenamen. Het succes van Dirk Van Saene was bescheidener, maar ook hij showde zijn collecties in Parijs. Marie, het merk waarmee Yee zich in Londen presenteerde, kwam niet van de grond. Toen Martin Margiela, met wie ze jarenlang een knipperlichtrelatie had, begin jaren negentig veel succes kreeg, gaf ze de droom van een eigen merk op.
Ze ontwierp voor andere merken, zoals grotematenlabel Lena Lena en Dirk Bikkembergs, gaf les aan modestudenten in Gent en Den Haag, had een café, of beter gezegd lunchroom, in Brussel, en had daar later ook even een klein modewinkeltje annex atelier. Ze maakte theaterkostuums en collages, stelde tentoonstellingen samen.
Hoe onzichtbaar ze vaak ook was, vergeten werd ze niet: als de mysterieuze van de Zes, als de vrouw die verdween, een belofte die nooit was vervuld, had ze een bijna mythische status in de modewereld.
Pas een paar jaar geleden pakte ze de draad weer op en ditmaal met meer succes. Haar eigen modemerk Marina Yee heeft zo’n vijftig verkooppunten over de hele wereld. Dat ze twee jaar geleden, juist toen ze eindelijk haar plaats in de mode had gevonden, te horen kreeg dat ze alvleesklierkanker heeft, noemt ze „kafkaësk”: „Het is bijna om te lachen, echt waar.”
Tussen de behandelingen door bleef ze werken. Ze hield zo lang mogelijk geheim dat ze ziek was. Ook toen ze in 2024 voor het eerst aan tafel zat met haar voormalige schoolgenoten om te praten over de tentoonstelling over de Zes, die eind maart opent in modemuseum MoMu in Antwerpen, vertelde ze er niet over. Sinds ze in september werd opgenomen in het ziekenhuis is ze niet meer naar huis geweest. Inmiddels ligt ze op de palliatieve afdeling, maar ze maakt nog altijd schetsen voor nieuwe collecties.
Marina Yee in 2022
„Ik heb nog veel dingen te doen”, zegt ze. „Als ik nu zou sterven, kan dat allemaal niet meer. Dat zou ik spijtig vinden. Maar dat is het. Ik ben niet bang om te sterven, ik ben niet bang om erover te spreken. Het is wat het is.”
Tijdens het gesprek, ze praat een uur lang, kondigt ze een paar keer aan dat ze moet stoppen omdat ze moe is, en gaat dan toch verder. Haar stem is zacht, maar vaak fel. „Ik vind het vervelend dat ik mijn stem niet meer heb”, zegt ze aan het begin van het gesprek. „Ik heb normaal een mooie stem. De vibratie is nog maar half van wat het was. Maar ik ben mondiger dan ooit. Ik heb niks te verliezen. Shoot.”
„Mensen zeiden wel over mij: dat is een raar kind. Maar toen zei mama: raar, dat is in het Frans uitzonderlijk, rare, dus dat is zeer goed. Ik deed rare dingen in de zin dat ik vroeg was met veel dingen, of anders. Op mijn zesde maakte ik cake, elk weekend was ik cake aan het bakken, bloemstukken aan het maken, dingen die kinderen niet zo snel deden uit zichzelf. Ik won altijd prijzen, met gedichten, met verhaaltjes. Marina heeft smaak, zei mama, die heeft een eigen wil, laat Marina maar gewoon Marina zijn. Daarmee heb ik veel geluk gehad, dat ik niet een ouder had die zei: doe normaal. Zij had er plezier in, omdat ze een deel van zichzelf zag in mij, de dingen die ze nooit had kunnen doen. Ze gaf mij een enorme vrijheid. En ik denk dat vrijheid het belangrijkste is geweest in mijn leven, de focus, het streefdoel, het einddoel, de enige optie. Ben ik vrij genoeg om dit te kunnen doen? Ben ik vrij genoeg om te zeggen wat ik wil zeggen? Kan ik tonen wat ik wil?”
„Nee, niet altijd. Of ik had de vrijheid, maar geen publiek.”
„Je zou denken dat ik de underdogpositie had van de jongste, maar ik was de oudste. De andere drie waren normaal. Het was altijd Marina, Marina. O, Marina, mooi zeg. Wat goed, Marina. Ik kon dat niet tegenhouden, ik was wie ik was.”
„Oeh, ik denk dat David Bowie er iets mee te maken heeft, ik leerde hem kennen toen hij Ziggy Stardust was. Een jongen die een crush op mij had, had mij een cassette met zijn muziek gegeven: ‘Dit is een Engelse zanger die opkomt.’ Ook die plaatjes van hem, met die kleding, met make-up, de decadentie, de androgynie, die vrijheid om jezelf te zijn, die hele beweging – het pakte mij zo hard, terwijl ik zelf helemaal niet struggelde om mezelf te kunnen zijn, dat was helemaal geen issue. Mijn moeder is daar helemaal in meegegaan, die nam mijn zusje en mij mee naar [modewinkel] Biba in Londen. Het was niet helemaal mijn stijl, maar ik was totaal overweldigd, het was zo eigen: make-up, rare hoedjes en mutskes, schoenen, kousen, kleedjes, rare prints. Zo anders dan in België. En dan mocht ik iets kiezen. Ik nam een bikerjasje van zwart satijn, helemaal op mijn lichaam geplakt. Ik voelde me de koningin van de wereld, ik wás David Bowie. Davida Bowie, eigenlijk. Ik heb zo’n spijt dat ik dat jasje niet heb behouden – mijn moeder heeft het weggegooid. Zij heeft me trouwens ook heel erg geïnspireerd. Mijn ma zag er goed uit hoor, laarzen tot hier, hotpants. Mensen keken aan de schoolpoort: wow, wat is dat? Maar wij hebben ons dat niet aangetrokken. We verhuisden toch weer ergens anders heen, konden we weer opnieuw beginnen.”
Yee – haar naam komt van haar Chinese grootvader – woonde als baby een jaar in Congo, toen nog een kolonie van België, waar haar vader ambtenaar was. Terug in België ging hij als directeur van warenhuisketen Grand Bazar van vestiging naar vestiging, tot het gezin in de jaren zeventig neerstreek in Hasselt. „Op iedere school moest ik weer uitleggen: ik ben Marina en ik kan goed tekenen. Ik was soms heel eenzaam. Maar ik werd nooit gepest. Ik denk omdat ik uitgesproken, vrij, dynamisch, energiek was. Ze durfden mij niet aan te vallen.”
Marina was zeker zo’n verschijning als haar moeder. Zoals Geert Bruloot, samensteller van de tentoonstelling in MoMu en de motor achter de presentatie van de Zes in Londen, zich haar herinnert uit de jaren tachtig: „Zij wás mode.”
Dirk Bikkembergs heeft verteld hoe hij haar op de allereerste dag op de kunstacademie tegenkwam: lang blond haar, gekleed in een witte parka van parachutestof die opbolde in de wind. Zijn twijfels of hij toch niet rechten had moeten gaan studeren waren in één klap verdwenen toen hij haar zag.
„Ik wist natuurlijk wel wat ik aanhad”, zegt Yee. „Ik had mij flink opgetut, want je wil indruk maken, hè. En dan kwam ik binnen, en zat Ann daar, en Dries en Dirkske Van Saene. Walter zat in een hogere klas.”
„Ja. We zaten samen op Sint-Lukas [een middelbare kunstopleiding in Hasselt]. Ik was vijftien toen ik daar opkwam. Het begon toen ik daar een jaar of zo zat. Ik weet nog dat ik de trap opliep en naar mijn schoenen keek. Ik zei: ‘Martin, ik heb zo’n rare droom gehad, en in die droom was ik verliefd op u, raar hè.’ Martin bleef staan. Hij pakte mijn hand en hij zei: ‘Ja, ik ook.’ Ik vond dat eigenlijk helemaal geen goed idee. Ik zag hem als een vriend, een kameraad: oh, heb je dit gezien, heb je de nieuwe Avenue gezien, zullen we naar de Bijenkorf gaan om te shoppen, ik wil die rok maken, hoe zal ik dat doen? Heb je die nieuwe make-up van die en die gezien? Ik had in die tijd van die heel zware make-up. Als je de allereerste show van Martin ziet, uit 1988, dan zie je Marina lopen. Ik ben er heel erg kwaad over dat hij dat nooit heeft toegegeven. Heel erg kwaad. En niet alleen het haar en de make-up van de eerste modellen, ook hoe ik me met kleding uitdrukte: binnenstebuiten, too tight. Niet de ontwerpen, die waren van hem. Maar het eerste vrouwbeeld, die eerste looks, dat was ik hè. Ik was volledig muze. Alles wat ik zei, zoog hij op. Dat mocht, maar ik wist niet dat hij het ging gebruiken voor zijn modeshow, dat heeft hij nooit gezegd. Ik was gewoon gebruikt, en hij had daar alle goud in handen. Hij had een nieuwe manier van mode gebracht, een nieuwe visie. Na afloop was het eerste dat hij deed mij zoeken, om me te knuffelen en te vragen wat ik ervan vond. Hij had helemaal niet door dat hij mij had onthoofd. En ik kon het ook niet aan de anderen zeggen, want die waren allemaal aan het klappen, niemand wilde dat horen. Ik was moederziel alleen.”
Na die show woonde Yee nog een tijd bij Margiela in Parijs, tot ze in 1992 definitief vertrok. „Ik ben naar mijn ouders gegaan. Ik zei: ik heb geen doel, geen toekomst meer. Mag ik hier een tijdje komen wonen?”
„Ik ging met iedereen mee naar de beurs in Londen, maar was dat uit plezier? Het was omdat ik dacht dat het moest. Het voelde niet goed. Ik wist dat ik het niet ging volhouden. Die anderen, zeker Ann en Dries, waren veel pragmatischer ingesteld. Ze hadden al een superplan: we gaan een collectie maken met goede designs, we gaan een showroom opzetten, we gaan invloedrijke mensen van de pers benaderen, we nodigen goede winkels uit, wij gaan produceren en ons brood verdienen.”
„Ik was een ongeleid projectiel. Ik meen dat. Ik was meer zo van: wat ben ik hier aan het doen? Ik had een collectie gemaakt voor iemand die uit de business kwam, maar het ging voor geen meter, ook omdat ik er zelf niet achter stond. Er zijn wat goeie dingen in boetieks terechtgekomen, maar dat waren maar vijf stukjes.”
„Toen dat gebeurde, was ik al gestopt.”
„Spijt? Ik ben 25 of 30 jaar in therapie geweest. Ik heb aan de rand van zelfmoord gestaan. Maar ik verborg dat. Zij waren zo in de glorie, en ik zat onder mijn boom – dat is de metafoor die ik eigenlijk constant gebruik. Maar ik was blij voor hen. Bij sommige pieken, zoals toen Ann op de cover van Vogue kwam, was ik een beetje jaloers, maar niet kwaadaardig, ik gunde het haar. Ik wist wat voor ongelooflijke talenten ze allemaal waren, en ze werkten zo ontzettend hard. Maar het was pijnlijk dat zij het konden doen en ik niet. Ik was veel te onzeker om terug te komen met een grote collectie. Dat is mijn ding, hè, faalangst. En het had ook niet gekund, want het had waarschijnlijk ook dicht gelegen bij wat Martin deed. Ik was een vrouw die ontwierp voor vrouwen, vanuit mezelf, en hij gebruikte in het begin mijn look. En hij was al een soort idool geworden, dus ik was trapped. Maar ik genoot wel van wat hij deed.”
Marina Yee in 2003 haar net geopende winkeltje/atelier in Brussel
„In de tijd dat ik bij mijn ouders woonde kwam mijn broer af en toe langs, en mijn broer had veel vrienden. Zo ontmoette ik Jan-Willem. Ik had natuurlijk geen lief meer, omdat ik Martin in Parijs had achtergelaten. Hij kwam vaak langs. Hij was gek van mij, en heel lief. Van het een kwam het ander en ineens was ik zwanger van Tzara. En dat heeft me gered. Tzara was een doel, een wezenlijk doel, een doel van liefde. Tot dan toe had ik alleen maar die mode gehad. En ineens zie je dat wezentje en dan denk je: dit is gewoon een heel ander leven.
„Ik ben een doener, ik moet elke dag iets doen. Op het erf van mijn vader knapte ik kapotte meubeltjes op, en die beschilderde ik dan. Mijn broer nam die mee naar beurzen en dan was het altijd meteen verkocht. Mijn zus zei: nu is het gedaan, we gaan dat goed aanpakken, je bent zwanger en kunt niet eeuwig bij papa en mama blijven. Zij woonde in Brussel en heeft een pand gevonden waar ik die meubels kon verkopen. Op een dag kwam er iemand binnen, die ging aan een van de tafels zitten, keek op en zei: koffie graag, en ik wil ook een gekookt eitje en een croissantje. Ik ben de winkel uit geslopen en naar de bakker gegaan. Een ei heb ik niet gevonden, koffie had ik al voor mezelf en boter ook. Daarna kwamen er nog meer mensen en zat ik in de shit. Jan-Willem kwam binnen en die heb ik eitjes en meer broodjes laten halen. Zo is Indigo begonnen. We mochten geen vuur gebruiken, dus ik maakte thuis groentetaarten, die waren een groot succes, chocolademelk in de winter, verse limonade in de zomer. Ik heb zo jaren heel zoet gewerkt. Jan-Willem deed de keuken, ik hield me bezig met de inrichting, ik heb dat kot drie keer opnieuw geverfd. En ondertussen deed ik nog allemaal andere projectjes. Maar met de meubels ging het minder en minder.”
„Dat komt door Raf.” Rafael Adriaensens, die haar zakenpartner zou worden en die eerder werkte met ontwerpers als Raf Simons en Ann Demeulemeester. Ze ontmoetten elkaar in de zomer van 2019, toen hij jurylid was bij de examens van de modeopleiding in Gent, waar zij ook mode doceerde, en spraken daarna nog eens af. „Die kwam bij mij thuis en zei: ‘Heb jij dat gemaakt? Dat ook? Dat gaat allemaal in de collectie.’ Die stortte zich erin.”
Ze was toen al een paar jaar bezig met een voorzichtige terugkeer. De eigenaar van de Japanse boetiek Laila had in MoMu een popje met een miniatuurontwerp van haar gezien en wist haar via een vriendin van Martin Margiela op te sporen. Bij zijn winkel verkocht ze de unieke stukken die ze altijd voor zichzelf was blijven maken en die waren samengesteld uit tweedehands kledingstukken. Kort daarop kreeg ze een agent in Japan en begon ze met een kleine, wat commerciëlere lijn die uitsluitend in Japanse winkels hing.
Adriaensens bracht de collectie naar Europese winkels, en nam haar alles uit handen, behalve het ontwerpen. Najaar 2021 hingen de eerste resultaten van hun samenwerking in de winkels.„Met Raf is het compleet op zijn plaats gevallen”, zegt Yee. Dat is zo mooi. Dit merk is echt zijn levenswerk. En van mij. Wij zijn allebei monsters, modemonsters. We bijten elkaars neus af, maar dat kan, omdat we op gelijke hoogte zijn en dat ook weten. Ik ben er niet bang voor.
„Waar ik heel blij mee ben, is dat mijn zaak veel succes heeft. Ik maak draagbare, comfortabele mode van kwaliteit, met een klein hoekje” – een onverwacht, vaak tikje rauw detail – „en dat hoekje moet je zoeken. Het hoeft niet zo op te vallen. Ik wil dat het lange tijd draagbaar is. Er zijn mensen die hun hele loon eraan spenderen, en die doen dat zeer bewust. Ik ben daar heel trots op. Eigenlijk ben ik trots op alles wat ik heb gedaan. Ook de failures, ook het feit dat ik zolang heb moeten zoeken, want dat heeft mij gemaakt tot de kunstenaar die ik moest zijn. Een kunstenaar die mode maakt, die heel intuïtief werkt. Ik heb mijn talent niet opgesloten – voor een deel wel, maar nu niet meer. Ik heb alles gedaan zoals het moest. Zonder hoogmoed, want ik heb een hekel aan hoogmoed en aan posh.”
Marina Yee met Rafael Adriaensens bij de laatste show van Dries Van Noten in 2024
„Toen ik het hoorde dacht ik: ah fijn, eindelijk, een mooie afsluiting, met ook een boek, een documentaire. We kunnen er daarna nog even fijn over napraten en filosoferen, maar dan is het goed geweest. Bij elk interview dat wij krijgen, begint iedereen altijd over de Zes. Dat mag, ik ben ook nog steeds overdonderd door de impact die we hebben gehad. Ongelooflijk – als we dat toen hadden geweten. Ergens was ik natuurlijk ook fier, hè. Want voor de rest had ik niet veel.”
„Ann is hier geweest, met Patrick [Robyn, haar echtgenoot]. Martin heeft een brief geschreven dat hij wil langskomen, maar dat is dertig jaar te laat, sorry.
„Weet je al dat ik een feestje ga geven op 13 november? Marina’s ik ben nog even niet dood-feestje. Buiten en binnen, met haardvuur, en ik wil eten en drinken zonder afwas. Niet chic, gewoon relaxed. Iedereen moet iets meebrengen, maximaal ter grootte van een ansichtkaart, een bloemetje of een aandenken, en dat hangen we in een boom.”
Marina Yee overleed op 1 november 2025, drie dagen na dit gesprek. Ze werd in besloten kring begraven. Haar zakenpartner Rafael Adriaensens zet het merk Marina Yee voort op basis van haar schetsen en eerdere ontwerpen.
Boven Collage van Yee en een op haar schetsen gebaseerd jasjes in de Parijse showroom van het merk Marina Yee, januari 2026.
Van 28 maart t/m 10 mei zijn bij Gallery Sofie Van de Velde in Antwerpen assemblages, collages en andere kunstwerken te zien van Marina Yee.