Home

Iedereen (van musicals tot extreemrechts) claimt Willem van Oranje als nationaal icoon: hoe zit dat?

Willem van Oranje leeft! En hij zingt, in de musical over zijn leven. Ook wordt de nationale held van Nederland tegenwoordig omarmd door extreemrechts. Wat was hij voor een man?

schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.

Helemaal alleen staat Willem van Oranje op het podium. De musical over zijn leven is al halverwege, hij is net halsoverkop naar Duitsland gevlucht.

De hertog van Alva, zojuist in de Spaanse Nederlanden gearriveerd, heeft het op hem gemunt. Twee van zijn vrienden zijn al onthoofd, zijn zoon is ontvoerd en Nederlandse bezittingen zijn geconfisqueerd.

Het zit de bevoorrechte prins niet mee.

En zo komt hij in Dillenburg, in de bibliotheek van zijn ouderlijk kasteel, tot een allesbepalende keuze.

‘Te lang gewacht, te lang geweifeld’, begint hij te zingen. Lang had hij toegekeken hoe de katholieke koning Filips II de ‘ketters’, protestanten, liet opjagen en verbranden, de belastingen in de Nederlanden verhoogde en de macht inperkte van edelen zoals hij – opstandig genoemd, maar hij was nooit écht in opstand gekomen.

En toen was het 1566, brak de Beeldenstorm uit en kwam Alva de duimschroeven nog eens extra aandraaien.

‘Was het het waard?’, vraagt Oranje zich af. Hij zingt over zijn eerzucht, de doelen die hij ooit had: allemaal niet zo belangrijk meer. Langzaam begint hem iets te dagen. ‘Misschien moest het zo lopen, zodat ik onderken/ Dat ik niet alleen maar voor mezelf geboren ben.’

De stemming slaat om. De muziek zwelt aan, Oranje loopt naar voren op het toneel. Achter hem zakken filmschermen naar beneden, en plots zien we een landschap. Een groen weiland, met een dorpje in de verte en een stuk of vier molens met langzaam ronddraaiende wieken.

‘Nu moet ik doen/ Wat dit volk van mij verwacht’, zingt hij. Aan de hemel gloort een oranje gloed. ‘Ik vecht terug’, en hij trekt zijn zwaard.

Toe-eigening

Dan is de pauze. Het publiek in het stampvolle Prinsentheater in Delft, waar Willem van Oranje De musical speelt, begint te klappen.

Mij bekruipt hetzelfde gemengde gevoel als toen ik de poster van de musical zag. Het is ook ongeveer hetzelfde beeld: iemand op een steigerend paard met getrokken zwaard tegen een oranje lucht. Daarboven: ‘Zijn leven. Zijn strijd. Ons verhaal.’

Nationalisme smaakt nooit helemaal lekker. Het zijn de aanhangers van Geert Wilders die al jaren met de driekleur dwepen, de PVV die AI-beelden van typisch Nederlandse landschappen met blonde gezinnetjes verspreidt.

Onder de kleuren van de prinsenvlag, het oranje-blanje-bleu, namen de watergeuzen in 1572 Den Briel in: een keerpunt in de Nederlandse Opstand, ook bekend als de Tachtigjarige Oorlog. Het oranje verwees naar Willem, die na zijn keuze te Dillenburg de onbetwiste leider werd van die strijd tegen Spanje.

Nu eigenen extreemrechtse clubs zich die vlag toe. De prinsenvlag is blikvanger tijdens protesten, eerst tegen de coronamaatregelen, toen tegen immigratie en azc’s.

De verjaardag van Willem van Oranje wordt al sinds de jaren negentig elk jaar door leden van Voorpost herdacht, en sinds 2023 in samenwerking met de (toepasselijk genoemde) Geuzenbond. Leden van deze extreemrechtse clubs leggen bloemen of maken foto’s bij standbeelden van Willem van Oranje in Delft, Dordrecht en Brussel, zingen geuzenliederen en het Wilhelmus op bijeenkomsten, en doen soms een ‘plechtige eed aan Willem van Oranje’.

De Geuzenbond, een in 2018 opgerichte jongerenorganisatie, streeft naar een witte etnostaat en pleit voor ‘remigratie’. Voorpost werd in de jaren zeventig opgericht om voor de eenwording van Nederland en Vlaanderen te pleiten (de ‘Groot-Nederlandse gedachte’) en het apartheidsregime in Zuid-Afrika te ondersteunen.

Tegenwoordig strijden ze tegen de ‘omvolking’, een complottheorie die stelt dat het witte Nederlandse volk langzaamaan wordt vervangen door zogenaamde ‘vreemdelingen’. En: verschillende kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen op de kieslijsten van Forum voor Democratie hebben een verleden bij Voorpost en de Geuzenbond.

Patriottisch

Kortom, je zit in het theater, kijkt naar Willem van Oranje – en je hebt al deze dingen in je achterhoofd.

‘Nu moet ik doen/ Wat dit volk van mij verwacht’, zingt hij en ik denk: welk volk?

Kun je als niet-extreemrechtse Nederlander nog patriottisch zijn? Kun je als niet-extreemrechtse Nederlander nog trots zijn op ons nationale verleden, op Willem van Oranje?

Hij is het ultieme nationalistische symbool, de man die als martelaar stierf voor zijn land, voor de vrijheid van godsdienst en geweten. ‘Heb medelijden met dit arme volk’, zou hij in zijn laatste adem hebben verzucht.

In werkelijkheid was hij op slag dood, maar wie maalt om de werkelijkheid? Al tijdens zijn leven presenteerde zijn propagandamachine hem als ‘Vader des Vaderlands’, om de troepen achter hem te mobiliseren. Na zijn dood werd hij als held herinnerd. Zijn familie bleef een politieke invloed van belang en uiteindelijk, in 1815, werd ze koninklijk.

Met de vestiging van de Nederlandse monarchie begon in Europa ook de eeuw van het nationalisme. Kersverse natiestaten kregen gloednieuwe oude wortels, want de geschiedenis werd gebruikt als instrument en de Opstand werd hét oorsprongsverhaal voor Nederland.

Niet verwonderlijk dus dat er in 1933 groots werd uitgepakt, toen het vierhonderd jaar geleden was dat de prins werd geboren. Op verschillende plekken door het land werden herdenkingen georganiseerd, maar klap op de vuurpijl was wel de productie van Willem van Oranje, de eerste lange Nederlandse speelfilm mét geluid die de bioscopen haalde. Een ‘nationaal-historisch document voor het Nederlandsche volk’, aldus de aankondiging.

Erg geslaagd was de film niet, vonden de critici en ook het publiek destijds; hij werd slechts tien keer vertoond. Iets langer dan een uur moesten kijkers hun aandacht houden bij de langdradige scènes – zo marcheert Alva tweeënhalve minuut lang, vanuit hetzelfde perspectief bekeken, met zijn bombastische leger Brussel binnen – en de historische gebeurtenissen die zich met weinig uitleg opvolgen; voorkennis leek verondersteld.

Sowieso wordt er in de film nauwelijks gesproken. Slechts af en toe zegt Oranje iets als ‘ik sta alleen in mijn plicht’ (tegen zijn moeder), of ‘het geld ontbreekt ons’ (na een militaire nederlaag). Of hij zegt iets beroemds als ‘ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen heersen’ – alles uiteraard plechtig uitgesproken.

Willem van Oranje, de onkreukbare held. Kennelijk was dat ook zo ongeveer de opdracht die filmmaker Jan Teunissen had meegekregen van het filmcomité, vertelde de decorontwerper na de première in januari 1934 aan weekblad De Nieuwe Eeuw. Er moest rekening worden gehouden met Oranjes waardigheid, hij mocht niet liggend in bed verschijnen (terwijl hij rond het Leidens Ontzet erg ziek was), close-ups waren ongewenst.

De opdracht was duidelijk: om Oranje moest een aura van heiligheid hangen, te menselijk mocht hij niet worden.

Prinsenvlag

Ook toen al, bijna een eeuw geleden, was Oranje een held voor extreemrechts. Dat was niet te missen op de allereerste vertoning in Theater Tuschinski in Amsterdam. De vereniging De Princevlag, die onder meer het gebruik van het oranje-blanje-bleu wilde bevorderen, had daarvoor ‘allerlei bekende Oranjeklanten’ uitgenodigd, rapporteerde de sociaaldemocratische krant De Tribune. Dat matchte niet met een aantal ‘arbeiders’ in de zaal.

Voor de vertoning van de film liet de ‘reactionair-fascistische organisatie’, in de woorden van De Tribune, mensen heen en weer marcheren door de zaal, zwaaiend met een prinsenvlag. De voorzitter sprak vervolgens over de actualiteit van de film en de noodzakelijkheid van nationale eenheid en ‘draaide verder het heele fascistische leuzenprogramma af’.

‘Schande!’, riepen arbeiders op de goedkopere stoelen. ‘Dit is fascistische reclame!’ Even zorgde dit voor ongemak in de zaal. Maar toen ‘de dikke burgers’ (de krant was niet geheel onpartijdig) zagen dat het protest maar van een paar mensen afkomstig was, stonden ze op, brachten ze een Hitlergroet (toen nog fascistengroet geheten) en zetten ze luidkeels het Wilhelmus in.

Iets meer dan zes jaar later had Nederland gecapituleerd en sloot filmmaker Teunissen zich aan bij de NSB; hij werd hoofd film van de Kultuurkamer. Het rood-wit-blauw werd tijdens de bezetting verboden, maar de prinsenvlag, inmiddels toegeëigend door de NSB, mocht nog wapperen.

Oranjegekte

Na de oorlog werd nationalisme onder politieke elites taboe. De salonfähige politieke houding was kosmopolitisch, de toekomst werd gezocht in internationale samenwerking.

Uitingen van flagrant nationalisme waren verdacht – tenzij het nationale team speelde. Het WK voetbal van 1974 in West-Duitsland wordt wel aangewezen als het begin van de ‘oranjegekte’; voor het eerst reisden massaal in het oranje geklede fans het team achterna. Zulk incidenteel feestgedruis, tijdens voetbalwedstrijden en Koninginnedagen (het koningshuis bleef populair), was het toppunt van het naoorlogse Nederlandse nationalisme.

En zo ontstond er ruimte voor een heel ander soort Willem van Oranje. Geen onaantastbare heilige, lichtend voorbeeld voor de natie, maar een driedimensionaal mens met rappe tong en gladde manieren; gespeeld door Jeroen Krabbé in de televisieserie Willem van Oranje (1984).

3,6 miljoen gulden kostte de serie, een astronomisch bedrag in die tijd. De Nederlands-Belgische cast zat vol sterren (onder wie Ramses Shaffy en Willem Nijholt) en er werd goed naar gekeken.

Krabbé speelde een slimme, ietwat arrogante en bovenal ambitieuze Oranje, met opportunistische trekjes. In opstand kwam hij vooral omdat zijn machtspositie in het geding kwam, alhoewel hij misschien ook wel echt last had van zijn geweten: de Oranje in de serie walgt van de martelingen en verbrandingen van ‘ketters’, die nogal pathetisch in beeld worden gebracht, met gescheurde kleren en vastberaden blikken.

Als Oranje eens langs een brandstapel rijdt en een vroom biddende man in de vlammen ziet, kotst hij vanaf zijn paard. Subtiel.

Even daarvoor kotste hij nog uit zijn raam. Uit dronkenschap dit keer, op een van de vele uitzinnige drankfestijnen met lallende mannen en schaterlachende vrouwen die in de serie te zien zijn. Of orgieën is misschien het betere woord: het aantal blote borsten is niet te tellen.

Oranje was óók een rokkenjager, wil de serie maar zeggen. ‘Ik was even bang dat u een degelijke echtgenoot was geworden’, zegt iemand tegen hem op een feestje, met onder zijn beide armen een giechelende vrouw. ‘Waarom zou ik?’, vraagt Oranje, en hij aait een van hen over haar wang. ‘Echtgenotes zijn er toch alleen om de dynastie in stand te houden?’

Deze Willem van Oranje hield van de vrouwtjes, net als van een goede borrel, en besteedde – in tegenstelling tot de continu biddende Filips – niet te veel aandacht aan vroom geloven. In het Nederland van de jaren tachtig, met de seksuele revolutie en een grootschalige ontkerkelijking achter de rug, was deze Oranje duidelijk bedoeld om een breed publiek te bereiken. Zijn geschiedenis, met dat uitbundige hofleven en die politieke intriges, was nauwelijks meer een bron van nationale trots, maar vooral van vermaak.

Ook opvallend: bijna geen enkele vrouw in de serie heeft iets interessants te melden. Voor zijn tweede echtgenote, de steenrijke prinses Anna van Saksen, is wel een relatief grote rol weggelegd – alleen is ze bloedirritant. Ze wordt vertolkt zoals ze lang is herinnerd: als een opvliegende, alcoholistische, overspelige en uiteindelijk krankzinnig geworden vrouw, van wie Oranje niet anders kon dan scheiden (om daarna nog een derde en vierde keer te trouwen).

Vrouwen uit het verleden

Inmiddels leven we in andere tijden. Vrouwen uit het verleden zijn niet enkel meer bijfiguren in grotemannengeschiedenissen; hun levens worden serieus onderzocht, ze krijgen tentoonstellingen en biografieën.

Zo ook Anna van Saksen die, volgens een in 2018 verschenen biografie van historicus Femke Deen, bovenal strijdbaar, intelligent, en ook slachtoffer was.

Die verschuiving van vrouwbeeld is in de musical duidelijk te zien. Daarin is Anna van Saksen vooral iemand die liefde zocht, maar het bij Oranje niet vond. En omdat hij haar niet gaf ‘waar ze recht op had’ – liefde, aandacht – werd ze in de armen van iemand anders gedreven.

Ze is gevat – ‘Wat is er?’, vraagt ze als hij haar bij zich roept, ‘dacht je: o ja, ik had ook nog een vrouw?’ – en begrijpt heel goed dat hij haar alleen trouwde om haar geld en status.

Vrouwen in de musical inspireren Oranje zelfs. Zijn minnares Eva Elincx – wél echte liefde, volgens de musical – motiveert hem om niet alleen aan zichzelf te denken, maar een groter ideaal na te streven; vlak voor zijn grote ‘nu moet ik doen wat dit volk van mij verwacht’-uitbarsting hoort hij in de verte haar stem. Met zijn laatste echtgenote Louise de Coligny deelt hij het ideaal om vrij te mogen denken en te zijn wie je wilt zijn.

Er staat een opgepoetste Willem van Oranje op het podium in Delft. En niet alleen omdat hij normaal van gedachten kan wisselen met een vrouw. Vergelijk hem met de Oranje van Krabbé, en hij is meer een voorbeeldfiguur geworden: niet glad of arrogant, maar wat meer ingetogen, genuanceerd, eerst twijfelachtig maar uiteindelijk besluitvaardig.

Hij besloot zich te verzetten tegen zijn koning. Maar waarom? In de moderne geschiedschrijving is vaak betoogd dat het Oranje toch vooral om zijn eigenbelang te doen was; hij zou het hebben gedaan om de positie van hemzelf en zijn familie te verbeteren.

In De zwijger, de meest recente en bekroonde biografie (2021) over de prins, betoogt historicus René van Stipriaan net iets anders: Oranje verknoopte zijn eigenbelang met het belang van anderen; hij kwam op voor zichzelf én voor hen. ‘Het was een overlevingsstrategie, maar het werd ook steeds meer een heilige missie.’

Mooi, moeten de musicalmakers hebben gedacht toen ze dit lazen, dit kunnen we gebruiken. En zo is de Oranje in de musical uiteindelijk iemand die besluit op te komen voor ‘dit volk’, vindt dat hij zijn belangen moet ‘verruilen met de hunne’, en belooft ‘niemand, niemand’ te zullen laten vallen.

En zo is hij toch weer een nationale held.

‘Een verbinder’

Zo past ook deze Oranje weer bij de tijd waarin hij verschijnt. Want juist door de huidige polarisatie is deze musical relevant, zei regisseur Theu Boermans in interviews: Willem van Oranje was immers ‘een verbinder’.

Vanwege diezelfde polarisatie besloot Arthur Oudshoorn in 2024 de investering te doen die de musical uit de financiële nood redde, vertelde de Delftse ondernemer destijds aan het Algemeen Dagblad. De musical zag hij als ‘een mooie verbindende factor voor veel mensen’.

Het is het potentieel positieve kerndoel van nationalisme: verbinden, mensen laten voelen onderdeel te zijn van iets groters, verbonden met een gemeenschap.

De crux zit ’m in hóé we worden verbonden. Aan de ene kant kun je je verbinden door een gezamenlijke vijand. Een Spanje, een repressieve overheid, immigranten. Voorpost en de Geuzenbond kiezen ervoor Willem van Oranje op die manier te herinneren: als verzetsheld, als strijder tegen een tirannieke vorst en buitenlandse overheersing.

Daarom demonstreerden jongeren van de Geuzenbond in 2022 tegen de coronamaatregelen met een spandoek met daarop ‘De tirannie verdrijven’. En daarom staat er op de homepage van de Voorpost-website, vlak onder de oproep ‘Sta op tegen de omvolking!’, de apocriefe maar onverzettelijkheid uitstralende quote van Willem van Oranje: ‘Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden.’

En ze zijn niet de enige extreemrechtse lieden die de geschiedenis naar hun hand zetten. Door heel Europa worden lokale historische figuren opgegraven en ingezet in een strijd tegen het uitheemse. Zo herdenkt het Rassemblement National in Frankrijk al jarenlang Jeanne d’Arc als Franse heldin die de wapens opnam tegen de Engelsen, en herinnert het populistische Vox in Spanje de middeleeuwse ridder El Cid als icoon van de christelijke herovering van het land op de moslims.

Net als toen moet ook nu het eigen volk worden verdedigd, is de onderliggende boodschap van zulke verheerlijkingen.

Trots

Er zijn ook andere manieren om mensen in een land te verbinden. Niet op basis van een gezamenlijke vijand of etniciteit, maar op basis van gedeelde waarden. Dus niet op een uitsluitende manier, maar een inclusieve, want waarden kun je immers met iedereen delen.

Naar precies zo’n verbinding wordt gezocht in Willem van Oranje De musical.

Dat wordt vooral duidelijk in de slotscène. Oranje is dan al vermoord, doodgeschoten in zijn laatste woonplaats Delft; we zien zijn grafmonument op het podium. Dan, als een geest, verrijst hij uit zijn graf en begint te zingen: ‘Zal dit volk doen wat er van ze wordt verwacht?’

Zijn laatste zang is een oproep tot verdraagzaamheid, respect hebben voor elkaar, ook als iemand anders denkt of gelooft. Het is een oproep tot eenheid, samenkomen en een middenweg vinden. Hij blikt vooruit op de toekomst en hoopt dat hij ‘geen vergeefse offers’ heeft gebracht. ‘Als ieder mens de ander aanvaardt’, zingt hij ten slotte, ‘dan was het het waard.’

De geschiedenis is een grabbelton, je kunt eruit halen wat je wilt om je actuele boodschap te ondersteunen. Je kunt focussen op de vijand die Oranje bevocht, maar ook op de vrijheden waarvoor hij streed – van geloven, van denken.

De musical presenteert Willem van Oranje uiteindelijk als nationale held, niet omdat hij voor het volk of tegen het vreemde vocht, maar omdat hij tolerantie bepleitte. En wat zijn persoonlijke motieven ook waren: daar kun je best trots op zijn.

Willem van Oranje – De musical. Tekst en regie Theu Boermans. Liedteksten Frans van Deursen. Voor onbepaalde tijd te zien in Het Prinsentheater, Delft.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next