Boekenweekgeschenk Peter de Smet was conciërge en bijna zestig toen hij begon aan zijn eerste boek over Hendrik Groen. Het werd een bestseller, de opvolgers ook. Zelf bleef hij uit zicht. Tot hij gevraagd werd voor het Boekenweekgeschenk. „Zo had ik het niet vooraf allemaal bedacht, hoor. Ik deed maar wat.”
Zij is 58, iets te mollig en voormalig kapster. Sinds haar scheiding woont ze alleen in een flatje in Almere. Twee katten, één dochter van 26.
Hij is 61, draagt een toupetje en was schoenenverkoper. Baan weg, vrouw weg, hij is alleen achtergebleven in de eengezinswoning. Geen kinderen, wel een oude vader die hem af en toe belt.
Zij zou zo graag nog één keer in haar leven begeerd willen worden. En hij stelt vast dat hij een „enorm saaie lul” is die nodig eens gekke dingen moet gaan doen. Ze ontmoeten elkaar en samen zullen ze in een rode Piaggio – een Italiaans autootje op drie wielen – van Italië naar Nederland tuffen. Twee wildvreemden die in krap twee weken 1.077 kilometer afleggen in een piepklein karretje.
Piaggio is de titel van het boekenweekgeschenk van 2026, geschreven door Hendrik Groen. Hij brak in 2014 door met Pogingen iets van het leven te maken: Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar, waarin hij verslag deed van het leven in een bejaardentehuis in Amsterdam-Noord. Mopperen op het eten, de regeltjes, de ándere bejaarden. Met vriend Evert en vriendin Eefje begint hij de Omanido-club (acroniem van ‘oud maar niet dood’), ze organiseren scootmobielraces en voeren stiekem plakjes droge cake aan de vissen in het aquarium.
Het boek werd een bestseller, won de NS Publieksprijs, er werd een televisieserie van gemaakt die nog eens twee miljoen mensen zagen, er kwam een tweede boek, een derde en veel mensen waren ervan overtuigd dat Hendrik Groen echt ergens in een bejaardentehuis woonde. Maar waar? De schrijver liet zich niet zien. In 2016 werd hij ‘ontmaskerd’ door journalisten van de Volkskrant en NRC. Hendrik Groen was Peter de Smet, zestiger en conciërge bij de muziekschool in Amsterdam-Noord.
Hendrik Groen: Piaggio. CPNB, 96 blz. Gratis bij aankoop van €17,50 aan boeken tijdens Boekenweek 2026.
Hij zat niet te wachten op publiciteit, liet hij iedereen weten. De belangstelling voor wie hij was ebde vanzelf weer weg, kwestie van de telefoon niet opnemen, mails niet beantwoorden en je nergens laten zien. Einde verhaal. Als Hendrik Groen schreef Peter de Smet nog zes romans. Leven en laten leven (2018) ging over een bijna-vijftiger die na een riante ontslagvergoeding zichzelf opnieuw uitvindt. Z’n laatste, De slag om Rust en Vreugd (2025), gaat over het wel en wee op een volkstuincomplex – er is net een serie van gemaakt met Annet Malherbe in de hoofdrol.
En toen vroeg de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) of hij het Boekenweekgeschenk voor 2026 wilde schrijven. Oplage: een half miljoen exemplaren. Iedereen die een boek koopt tijdens de Boekenweek krijgt er een gratis. Maar daar hoort ook bij: interviews geven, signeren, acte de présence geven op het Boekenbal. Na twaalf jaar moest hij uit de anonimiteit.
Dus zit hij als zichzelf aan de koffie verkeerd bij Café Keppler in Amsterdam-Noord. Peter de Smet, 71 jaar, slank en tamelijk onopvallend, wacht tot de vragen komen, die hij bondig beantwoordt in slepend Amsterdams.
Eindelijk uit de boekenkast, grapt hij op z’n Hendrik Groens. Waarom nu wél? Kan hij kort over zijn, het was „te verleidelijk”. De grootste eer die een schrijver ten deel kan vallen, zegt hij, is gevraagd worden het Boekenweekgeschenk te schrijven. Mooi rijtje namen van schrijvers die hem voorgingen: Hella Haasse, Simon Carmiggelt, Harry Mulisch, Anna Enquist, Remco Campert. En aan die eer zitten verplichtingen vast. „Het is ook grappig, na al die jaren. Niemand verwachtte het meer en huppakee, daar kom ik opeens. Iedereen duikt erbovenop en daarna stopt het weer.” Hij lacht.
Toen er nog volop gegist werd wie toch die Hendrik Groen was die die dagboeken schreef, gingen er ook al Grote Namen rond. Arnon Grunberg. Sylvia Witteman. A.L. Snijders. Marcel van Roosmalen. Het zal komen door zijn rechttoe-rechtaan manier van schrijven over doodgewone, doorsnee mensen die zich proberen te ontworstelen aan de alledaagse saaiheid, en aan zijn komische noten bij de bak ellende die het leven soms is.
Niet dat uitgeverijen geïnteresseerd waren toen hij de eerste versie van het dagboek van Hendrik Groen naar ze opstuurde. Wanneer zal het geweest zijn, 2013? Van de één na de ander kreeg hij z’n manuscript teruggestuurd met de mededeling ‘uw boek past niet in ons fonds’.
Peter de Smet (Amsterdam, 1954) maakte zijn studie Nederlands net niet af. Na wat losse baantjes werd hij begin jaren negentig conciërge bij de Muziekschool Amsterdam, dat bleef hij 23 jaar doen. Door het succes van zijn eerste boek in 2014 Pogingen iets van het leven te maken: Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar kon hij stoppen met werken. Voor dit boek én zijn tweede Hendrik Groen-dagboek kreeg hij de NS-Publieksprijs. Beide boeken werden bewerkt tot een tv-serie voor Omroep Max.
Onder het pseudoniem Hendrik Groen schreef hij nog zes romans, hij werkt nu aan zijn eerste jeugdboek.
Peter de Smet heeft een vriendin en twee volwassen dochters. Hij woont in Amsterdam-Noord.
„Ik dacht: ik ga eens een boek schrijven.”
„Niet speciaal. Als kind was ik meer van het sporten. Voetballen. Volleybal. Mijn vader had wel een aardige boekenkast, ik weet niet meer wat erin stond. Beetje literatuurdingen ook wel.”
Die boekenkast stond eerst in Tuindorp Oostzaan, een wijk in Amsterdam-Noord. Een huis met één slaapkamer. „Die woningnood van nu is niks nieuws. Mijn ouders hebben zeven jaar moeten wachten op een huis voor ze konden trouwen.”
Zijn vader had „een soort van kantoorbaan”, zijn moeder was huisvrouw. Peter was de tweede van zes kinderen. „Een leuk, hectisch gezin. In mijn beleving dan.” Thuis lazen ze de Volkskrant, hij ging naar de katholieke hbs en daarna studeren. Eerst even politicologie en toen Nederlands aan de Gemeente Universiteit. Niet afgemaakt, nee. „Iedereen bleek uiteindelijk leraar Nederlands te worden en dat was niks voor mij,” zegt hij. „Was voor de leerlingen ook veel beter.” Jaartje gewerkt, gereisd, via via een jaartje conciërge geweest op een lts. „Daar zaten de kinderen van wie ze dachten dat ze maar beter een vak konden leren. Kansarme kinderen, zou je ze nu noemen.” Uiteindelijk heeft hij de baan van een vriend overgenomen als conciërge bij de muziekschool en daar is hij 23 jaar gebleven. „Heel leuke baan.”
„Ik dacht: ik ga eens wat afmaken.
„Nee, toen zes, zeven uitgeverijen het hadden geweigerd, ben ik het gaan herschrijven voor Torpedo Magazine, van een vriend van me. Elke dag een stukje online. Het verhaal bleef hetzelfde: wie er in het bejaardenhuis woonden, wie er doodgingen en wie er ziek werd. Dat heb ik aangehouden, alleen heb ik het nieuws van 2014 in plaats van 2013 erin verwerkt. Alle leuke grappen uit de eerste versie heb ik natuurlijk overgenomen.”
En toen dienden zich niet één, maar twee uitgeverijen aan om er een boek van te maken.
„Nou, daar had ik niet heel specifiek over nagedacht. Maar het was natuurlijk zogenaamd een dagboek, dus het lag voor de hand om het spel mee te spelen, alsof het echt door een oude man geschreven was. En het bleek ook aardige pr, de speculatie over wie het geschreven zou hebben. Een cadeautje.”
„Waarom? Al mijn vrienden en kennissen wisten dat ik de schrijver was.”
„Dat had ik allemaal niet zo bedacht, hoor. Ik deed maar wat.”
„De dagboekvorm was een goede vondst. Vier, vijf keer in de week moet je toch wel een stukje schrijven, af en toe sla je es een dagje over, maar zonder discipline haal je 31 december niet. En wat ook heel goed werkt is zo’n mooi, afgesloten maatschappijtje. Eén jaar lang één groepje mensen in één bejaardentehuis.”
„Zo had ik het bedacht, ja. Het fascineert me, een klein groepje mensen dat soort van opgesloten zit. Heel herkenbaar en treurig. Kleinzielig ook.”
„Ik was al dertig jaar niet in een bejaardentehuis geweest.”
„… die zijn allebei keurig in hun eigen bed gestorven. Mijn opa en oma zaten in het Korthagenhuis [een voormalig bejaardentehuis in Amsterdam-Noord], daar was ik wel eens op visite geweest. Zo’n donkere, bruinoranje gang met aan beide kanten kamers. Maar ik beschrijf nergens precies hoe en wat, hè. Ik vertel niet hoe mensen eruit zien, ik doe niet aan landschappen… Als je te veel invult, sla je de fantasie dood. De lezer kan alles naar eigen believen invullen. Herkenbaarheid is wat het aantrekkelijk maakt. Iedereen kent wel iemand die oud is, iedereen weet dat ze dan een beetje gaan zeuren en piepen en ook weer vertederend zijn. Iedereen heeft wel een beeld bij hoe het er in een bejaardenhuis aan toe gaat.”
„In 2013 ook al nauwelijks meer, de transitie was volop aan de gang. Mijn opa en oma gingen nog naar een tehuis toen ze midden zeventig waren en kerngezond. Dat was toen al bijna passé en tegenwoordig moet je echt terminaal zijn voor je ergens wordt opgenomen. Nu zijn ze er alweer over bezig om mensen toch eerder naar een tehuis te laten gaan, met het oog op de medische kosten en de grote huizen die ze dan achterlaten. De bekende golfbeweging. We zitten nu op een dieptepunt qua treurigheid van hoe we met onze oude mensen omgaan.”
„Mja, een beetje verstopt. Veel later, jaren nadat ik de dagboeken had geschreven, was ik met een vriend van me bij zijn moeder, die had ook in het bejaardenhuis gezeten en was net overleden. Binnen drie dagen moest haar kamer leeggemaakt worden. De werkelijkheid was gewoon erger dan in het boek. Zo mensonterend. Gaat je moeder dood, moet je als een razende opruimen. Waarom? Voor een paar tientjes. Treu-rig.”
„Nee, een bejaardentehuis is veel beklemmender. Fascinerend hoe klein je wereldje wordt als je oud bent, alles wordt teruggebracht tot welk koekje je bij de thee krijgt.”
„Dat kan hij niet. Dat is zijn stil verdriet. Ook weer een element dat mensen mooi vinden.”
Peter de Smet heeft een vriendin, twee dochters (van 22 en 33) en de rest gaat niemand wat aan.
„Dat blijft ook onbesproken. De lezer mag zelf bedenken hoe dat voelt.”
„Toch wel, want toen ik een klein jongetje was is er bij ons in de straat een kleuter met z’n fietsje in de sloot gereden. Ik heb gezien hoe de buurman met dat kindje in zijn armen door de straat liep. Veel erger kan je het niet krijgen.”
„Ook weer een afgesloten maatschappijtje waarin de menselijke eigenschappen nou niet bepaald allemaal even opwekkend zijn.”
Zelf is hij vooral tevreden over zijn roman uit 2024, Meneer Putmans ziet het licht, zegt hij. Een veertiger woont met zijn chronisch zieke moeder in een vierkamerflat in Beverwijk en boekt op een dag een groepsreis naar het noorderlicht. „Die reis heb ik zelf gemaakt ter voorbereiding, vijfduizend kilometer in een bus met een klein clubje wildvreemde mensen. Dat viel niet mee, maar ik wist: hier kan ik een mooi boekje van maken.”
Voor zijn roman over twee overwinterende echtparen in Benidorm verbleef hij een weekje aan de Spaanse kust. „Expres een hotel met slechte recensies uitgekozen, een papagaaienshow bezocht, goed rondgekeken, en zo vult een boek zich vanzelf.” Hij heeft een kader nodig dat klopt, zegt hij. En zo’n kader plaatst hij zelfbedachte mensen die met elkaar gemeen hebben dat ze „het nét niet goed voor mekaar hebben”. Een beetje „losers”, maar ook weer niet helemaal. „Iedereen kent wel zo iemand, je buurman, je tante, of je bent het zelf.”
En zo zitten we dij aan dij met Anton Struik en Marieke Bollegraaf in een Piaggo. „Het kleinst mogelijke biotoopje. Mensen kunnen zich dat voorstellen, met z’n tweeën in zo’n klein kut-autootje en dan regent het, of dat ding gaat stuk. Ik vind dat grappig. En wat ik grappig vind, vinden mensen die mijn boeken lezen ook grappig.”
Onderweg eten ze pelpinda’s, nemen belegde broodjes mee, borrelen aan het eind van elke rit met een roseetje voor haar en een biertje voor hem, en nog één, en nog één. Precies de kneuterige sfeer van B&B Vol Liefde, de televisieserie waarin mensen zoeken naar een nieuwe liefde om een nieuw leven mee te beginnen. In weinig tijd ontstaan soms grote gevoelens. Zo lijkt er iets op te bloeien tussen Anton en Marieke. „Je krijgt sympathie voor die mensen, of antipathie, mag ook. Gewoon algemeen menselijke emoties en aan het eind een sprankje hoop.”
„Daar haal ik mijn schouders over op. Ik denk dat hij niet goed begrijpt waar het Boekenweekgeschenk voor bedoeld is, namelijk mensen naar de boekhandel krijgen. Ik denk niet dat je het lezen bevordert met ingewikkelde, vernieuwende kunst met een grote K. Kijk, er zijn heel veel mensen die met veel plezier mijn boeken lezen. Ze hebben gelachen, een traantje gelaten, ik heb ze een momentje geluk bezorgd. En toen het op televisie kwam hebben nog eens 2,5 miljoen mensen om mijn grapjes zitten lachen, dat zijn veertig uitverkochte Arena’s. Daar ontleen ik plezier aan.”
„Als je op je bijna-zestigste ineens geld krijgt, verandert het je leven niet meer. Ik heb een nieuwe fiets gekocht, ik geef wat vaker een rondje en ik ben kleiner gaan wonen. Het is eerder minder geworden dan meer. En wat dat succes betreft: 400.000 Nederlanders hebben misschien wat van me gelezen. 17,5 miljoen mensen niet. Van die kant kun je het ook bekijken.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews