is socioloog en columnist van de Volkskrant.
Het is een jaarlijks ritueel: het CBS meldt hoeveel tijd Nederlandse vrouwen meer zijn gaan werken. (Sinds 2013 gemiddeld 12 minuten per jaar.) Om moedeloos van te worden. Niet alleen omdat slechts 70 procent een (krap) eigen kostje kan verdienen, maar vooral door de denkfout dat het probleem zit in een uurtje meer of minder. De echte oorzaak is de in de 20ste eeuw in de volksziel gestampte en daaruit nog immer niet volledig verbannen vanzelfsprekendheid dat mannen kostwinners zijn en vrouwen hun meisje voor dag en nacht.
Ter ere van Vrouwendag en om het wijdverbreide misverstand de wereld uit te helpen dat vrouwen ‘vroeger’ thuis zaten en pas recent buitenshuis zijn gaan werken, citeer ik hieronder de geestige pen van Johanna Naber, levenslang strijdster tegen de uitsluiting van vrouwen.
Naber (1859-1941) was hervormd en Oranjegezind, maar bepaald niet conservatief. Ze was onder meer hoofdbestuurster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (met Aletta Jacobs) en medeoprichtster van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging. Haar eisenpakket tot ‘volledige staatkundige, burgerrechtelijke en economische gelijkstelling van de vrouw’ werd in 1921, toen vrouwen eindelijk mochten stemmen, opgenomen in het beginselprogramma van de liberale Vrijheidsbond.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Vrouwen hebben altijd allerlei soorten (ook fysiek zwaar) werk verricht. Ze vochten als soldaat, trokken schuiten door de trekvaart, haalden de oogst binnen en werkten in fabrieken. Aan die vrijheid werd vanaf eind 19de eeuw gemorreld. Wat begon met wetten tegen kinderarbeid liep erop uit dat vrouwen het brood uit de mond werd gestoten. Werken mochten ze niet langer dan elf uur per dag, niet meer op zondag en ’s nachts, en gehuwden ook op zaterdagmiddag niet – dan moesten ze het huis schoonmaken voor de vrije zondag van man en zonen, legde een socialistenvoorman uit.
Wilhelmina Drucker ontmaskerde de maatregelen direct als wat ze waren: bescherming van de positie van mannen, niet van de gezondheid van vrouwen. De seksediscriminatie culmineerde in 1937 in het voorontwerp van een wet van de katholieke minister Romme, dat gehuwde en samenwonende vrouwen betaald werk vrijwel compleet verbood: ‘Naar natuurlijk bestel’ verdienden mannen de kost en verzorgden vrouwen hun gezin.
Feministische opstand. Naber, bijna 80, publiceerde een schotschrift – beter: spotschrift – Wat dunkt u van den modernen jongen man?, dat de draak stak met het genre waarmee dokters, dominees en andere betweters indertijd bibliotheken vulden. Zij moraliseerde niet over de karakterfouten van ‘het moderne meisje’, maar veegde de vloer aan met de geestesgesteldheid van jongemannen die zich tegen de ‘bedreiging’ door de andere sekse overheidsbescherming lieten aanleunen.
‘Daar zijn huwelijk wordt beschouwd als een volksbelang van de allereerste rang zint de overheid op middelen om hem de weg tot een huwelijk te effenen. Het meest doeltreffende middel daartoe acht de regering om bij het bezetten van openkomende plaatsen met de sterke arm der wet vrouwelijke tegenkandidaten uit te sluiten.’
Maar was dat niet onlogisch? Ons was toch ‘van jongs af voorgehouden dat de man onze meerdere was – in aanleg, in intellectuele zowel als in fysieke kracht, in uithoudingsvermogen, in objectief waarnemen, in logisch denken; beter bestand tegen aanhoudende zware arbeid; tegen het dragen van gewichtige verantwoordelijkheden’?
De superieure sekse, door een dichter geëerd als een ‘fiere eik waaraan de ranke klimop zich hechten kan’, kon toch wel ‘op eigen kracht’ winnen van de ‘minder begaafde, minder voor een verantwoordelijk ambt of beroep berekend geachte jonge vrouw’? Waarom was het dan nodig dat de overheid ‘het pronkjuweel der Schepping onder de armen greep, hem krukken onder de oksels wilde schuiven, hem in een kruiwagen tilde?’
En dan de meest prangende vraag: waarom onttrok de Nederlandse jongeman zelf zich aan het debat over ‘die bevoorrechting van zijn persoon’ en ‘het al dan niet toelaatbare om de jonge vrouw niet toe te laten bij het dingen naar salaris en loon bij gelijke prestatie en bekwaamheid’?
Hoewel Rommes voorstel dankzij het feministisch protest werd ingetrokken, kwam een arbeidsverbod er wel. Na de oorlog haalde de rooms-rode coalitie dat weer van stal. Vrouwen die trouwden (nadat ze onderduikers hadden verzorgd, hongertochten ondernomen, in het verzet gezeten, kampen overleefd) moesten terug naar de keuken. Een beweging van mannen tegen hun wettelijke bevoorrechting is er nooit gekomen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns