De Vlaamse modeontwerper Jan Jan Van Essche haalt voor zijn kleding inspiratie uit West-Afrika en Japan. „Ik houd ervan als het lichaam vorm geeft aan het kledingstuk, in plaats van andersom.”
Jan Jan Van Essche
De showroom van de Belgische ontwerper Jan Jan Van Essche tijdens de mannenmodeweek in Parijs heeft niks van de cleane, witte ruimtes waar de meeste ontwerpers hun collecties laten zien. Aan de muren van de galerie die hij elk jaar huurt hangen ngoni’s, doundouns en andere Afrikaanse muziekinstrumenten. Er staat een playlist op met Malinese blues, afrobeat en reggae. In een andere ruimte, afgescheiden door grofgeweven doek, bereidt de meegereisde kok een maaltijd.
De kleding die aan de bamboe rekken hangt is ook niet meteen wat je je voorstelt bij high fashion: wijde hemden en pantalons van hennep en zijde, handgeweven truien en sjaals van merinowol en linnen, denimjasjes die hun diepbruine tint hebben gekregen van kleurstoffen op basis van overrijpe kaki-vruchten en modder.
Toch hangen de collecties van Van Essche (45) – opgestoken rastahaar, oorringen – in zo’n vijftig van de hipste modewinkels ter wereld, zoals Dover Street Market, de warenhuisketen van het Japanse modehuis Comme des Garçons. Vorig jaar had hij een tentoonstelling in het Antwerpse modemuseum MoMu, in 2023 werd hij uitgenodigd om een show te geven op de Pitti Uomo, de mannenmodebeurs in Florence.
Voorjaarscollectie 2026
„Zijn kleren lijken op die van niemand anders, en zijn gemaakt als die van niemand anders”, zei Noah Johnson, destijds de ‘global style director’ van mannenmodeblad GQ in 2023 tegen modeplatform Business of Fashion. „Zijn esthetische visie en zijn vakmanschap hebben me omvergeblazen.”
Jan-Jan Van Essche – de merknaam schrijft hij met streepje – begon als mannenmodemerk, maar hij merkte al snel dat veel vrouwen zijn kleding kochten. Inmiddels heeft hij geen mannenmaten meer, maar een universele XS tot en met XL. Voor veel mannen zijn de stijlen „te fluïde, te weird”, zegt Van Essche. „Ze kunnen er niet mee naar hun werk.” Vooral in Europa zijn vaste klanten vaak al wat ouder. „In Azië investeren jonge mensen echt al in mode. Hier in Europa koop je mijn kleding als je je derde loonsverhoging hebt gekregen.”
Op het eerste gezicht ogen de ontwerpen van Van Essche misschien wat hobbezakkerig, maar wie beter kijkt ziet hoe doordacht ze in elkaar zitten. Het ontwerpproces is voor hem „een origami-achtig spel”, zegt hij, waarbij hij de patroondelen net zolang vouwt tot hij de juiste vorm te pakken heeft. „Patronen zijn mijn meest persoonlijke expressievorm. Daarin heb ik echt mijn stem gevonden.”
Hij werkt zo veel mogelijk met grote, rechthoekige patroondelen, en probeert zo min mogelijk naden in de kleding te maken. Het is een manier om weinig stof te verspillen bij het productieproces. „Veel stoffen die ik gebruik, vallen van zichzelf heel mooi. Ik zal een patroon na de schouder nooit naar beneden laten gaan, de mouwen staan altijd in een rechte, horizontale lijn.”
De fabrikanten die zijn kleding in elkaar zetten, zegt hij, klagen weleens over zijn patronen. Soms zijn ze zo groot dat ze niet in één keer kunnen worden geprint. Bovendien moeten ze werken met grote lappen stof.
Van Essches moeder had in de jaren tachtig een van de eerste punkwinkels in Antwerpen, Bij Marie. Hij was nog te klein om het bewust te hebben meegemaakt, maar kreeg veel mee uit de verhalen die ze erover vertelde. „Het heeft me veel geleerd over subculturen, hoe kleding een expressiemiddel kan zijn.”
Ook van de andere kant van de familie is er een mode-erfenis: zijn grootvader en overgrootvader van vaders kant waren kleermakers. Zijn grootvader werkte het grootste deel van zijn carrière als docent kleermaken. Van Essche erfde zijn instructieboeken en gereedschappen; zijn scharen gebruikt hij nog altijd. Zijn grootvader maakte het begin van Van Essches merk net mee. „Toen ik een van mijn ontwerpen liet zien, zei hij voor de grap: ‘Dat past toch niet.’ Hij was een man van weinig woorden, maar ik zag dat hij heel fier was.”
Op zijn achtste wist Van Essche al dat hij de modeopleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen wilde volgen. Maar toen hij er eind jaren negentig begon, voelde hij zich meteen anders dan de rest. „Anderen maakten truien met vijf mouwen en dat soort spectaculaire dingen. Dat interesseerde mij totaal niet.” Tijdens de presentatie van zijn vrouwencollectie in het tweede jaar ontdekte hij dat hij draagbare mannenkleding wilde maken. „Een vriendin van mij was model voor mij. Doordat ze in het jurkje dat ze droeg haar armen nauwelijks kon bewegen, besefte ik: ik wil kleding maken die niet beknelt of beperkt.” Nadat hij de Jamaicaanse cultfilm Rockers uit 1978 had gezien, wist hij welke kant hij op wilde. De reggae-artiesten die erin te zien waren, combineerden traditionele Afrikaanse gewaden met colberts.
Hij studeerde in 2003 ‘met egards’ af en won de jaarlijkse Dries Van Noten-award met zijn eindexamencollectie, maar bij de Belgische en Franse modemerken waar hij solliciteerde – welke wil hij niet zeggen – werd hij niet aangenomen. Hij ging als decorbouwer aan de slag bij het bedrijf van zijn vader, die sets bouwde voor films en televisie. Daarna werkte hij korte tijd bij denimmerk Lee Jeans, waar hij technische tekeningen voor ontwerpers maakte, en een kinderkledingmerk dat nooit van de grond is gekomen. „Toen ik de dertig naderde, besefte ik: als ik ooit zelf iets in de mode wil doen, dan is het nu of nooit.”
In 2008 opende hij samen met zijn geliefde, de op Curaçao geboren Piëtro Celestina, Atelier Solarshop, een winkel met mode van bevriende ontwerpers, woonaccessoires, vintage vondsten, keramiek en ontwerpen van Van Essche, die ook een atelier had in het pand. In 2010 lanceerde hij zijn eigen merk. Celestina, die hij leerde kennen op de Antwerpse modeopleiding, verzorgde vanaf het begin de zakelijke kant. „Zonder Piëtro zou ik bij wijze van spreken nu nog steeds zelf kleding zitten te maken”, zegt Van Essche. „Ik schets en ontwerp; Piëtro stelt langetermijndoelen en mailt, belt en regelt. Hij is met liefde de man in de schaduw.”
Het merk begon met één kleine collectie per jaar, wat ruimte gaf om „fouten te maken, en uit te zoeken hoe het beter kon”. „Bij een overhemd met een vierkante hals dacht ik aan de patroontafel: wauw. Later moest ik toegeven dat het als kledingstuk eigenlijk niet werkte. Hoe minder ego ik in mijn ontwerpen stop, hoe beter ze worden.”
Toch is er in de vijftien jaar dat het merk bestaat veel hetzelfde gebleven. „Het basisidee ontstond tijdens een lange reis door Afrika”, zegt Van Essche. In 2006 reisde hij per jeep door Senegal en Mali. Daar viel veel op zijn plek: al op de academie verzamelde hij beelden van boubous, lange traditionele Afrikaanse gewaden, en die bleken daar vandaan te komen. „Ik houd ervan als het lichaam vorm geeft aan het kledingstuk, in plaats van andersom.”
Voorjaarscollectie 2026
Voorjaarscollectie 2026
Najaarscollectie 2026
Najaarscollectie 2026
Tijdens die reis ontmoette hij ook Lamine Diouf, die nu als model door de showroom loopt. „Hij is familie van een goede maat van mij, die ik in Antwerpen vaak op reggaefeestjes tegenkwam. Ik bezocht hem thuis in Dakar, en vanaf dag één voelde het alsof we broers waren. Ik wist wat hij ging zeggen voordat hij het zei, en omgekeerd.” Toen Diouf een paar jaar later onaangekondigd voor zijn deur in Antwerpen stond „schrok ik heel erg”, zegt hij. „Maar ik wist meteen ook dat het zo moest zijn. Op een of andere manier voelde ik dat hij zou komen.” Inmiddels is Diouf getrouwd met de Duitse sieradenontwerpster met wie Van Essche in Parijs zijn showroom deelt.
Toen Van Essche op een dag thuiskwam met een weefgetouw, voor 50 euro op de kop getikt bij de kringloop, gingen Diouf en hij experimenteren. „Ik met het beetje ervaring dat ik had opgedaan op de vrije school en hij met wat hij had opgepikt door naar wevers te kijken in Senegal.” Inmiddels maakt Diouf stoffen voor de collecties vanuit een eigen atelier waar zes weefgetouwen staan. „De stoffen ontwerpen we samen”, zegt Van Essche. „Hij begint, ik doe suggesties: die kleur iets veranderen, daar een iets ander ritme.” Daarnaast gebruiken ze stoffen van het Indiase handweefcollectief 7Weaves.
De boubou is nog altijd een grote inspiratiebron, net als de kimono en andere traditionele Japanse kleding. Een à twee keer per jaar gaat hij een maand naar Japan, en niet alleen om er op ideeën te komen. De meeste stoffen die hij gebruikt komen er vandaan. „Er wordt nog heel handmatig gewerkt, ik vind daar stoffen die ik nergens anders kan vinden. En sommige producenten denken echt mee over het ontwerp.”
„Weet je wat grappig is?” zegt hij. „Er zitten grote parallellen in de textielgeschiedenis van Mali en Japan. De traditionele indigostoffen worden er bijvoorbeeld op dezelfde manieren gemaakt. Ik vraag me af: is dat kennis die door mensen is doorgegeven? Of is het los van elkaar op hetzelfde moment ontstaan?”
Zelf ontdekte hij, toen hij voor de eerste keer in Japan was, dat de gevouwen T-shirt-mouw die hij had ontworpen helemaal geen originele vinding was: in de eerste de beste winkel met antieke kimono’s die hij binnenstapte zag hij een kimono die precies zo was ontworpen. „Mijn uitvinding bleek al honderden jaren te bestaan. Dat was humbling, maar ook geweldig. Blijkbaar werd er door mensen in Japan op eenzelfde manier iets van een rechthoekig stuk stof gemaakt. Daardoor voelde ik een sterke verwantschap.”
De invloeden uit Afrika en Japan zijn duidelijk herkenbaar in zijn kleding. „Ik ben wel beschuldigd van culturele toe-eigening”, zegt Van Essche. „Maar dat is geen discussie die ik uit de weg ga. Ik kan mij niet beperken tot Vlaanderen, dat doet het hem niet voor mij. En noem één cultuur waarin geen kruisbestuivingen bestaan. Je moet natuurlijk wel laten zien waar je je referenties vandaan hebt gehaald, zorgen dat je het echt begrijpt en het vervolgens vertalen naar iets nieuws. Maar als mijn hart ergens sneller van gaat kloppen, dan weet ik: daar moet ik mee aan de slag.”