Home

‘Amsterdam is een van de wereldsteden met de meeste bomen’

Natuur in de stad De natuur is overal, ook op onverwachte plekken. Op pad met bioloog Rob Biersma door ‘wild Amsterdam’, op en naast een voormalige gifbelt.

Rob Biersma op de afvalberg Het Groene Schip. Op de achtergrond natuurgebied De Houtrak.

‘Amsterdam zorgt goed voor de natuur”, zegt bioloog en oud-NRC-wetenschapsredacteur Rob Biersma (77). „De grachten zijn schoner dan pakweg een kwart eeuw geleden, koningin Máxima – toen prinses – zwom tijdens de Amsterdam City Swim in 2012 door de gracht. Ook is de lucht schoner.”

Biersma maakte samen met een aantal stadsecologen, biologen en gedreven natuurliefhebbers het boek Wild Amsterdam – De natuur van de stad. Uitgangspunt is een krachtig statement: stedenbouw en natuur zijn geen vijanden. Dat is óók te danken aan de Amsterdammers zelf: zij gingen zich vanaf de jaren tachtig intens met het groen in hun omgeving bemoeien. Van Wild Amsterdam deed Biersma de eindredactie, ruim drie jaar werk. Hij schreef interviews, korte columnachtige teksten en enkele grotere bijdragen.

In zijn jonge jaren zwierf Biersma door de opspuitterreinen van het Rotterdamse havengebied, waar hij opgroeide – later studeerde hij biologie en chemie in Amsterdam, de stad waar hij nu ook woont. Voordat hij ging studeren vervulde hij zijn militaire dienstplicht en voer hij een jaar op een rijnaak. Zijn voorstel is nu om op natuurreportage te gaan in de Houtrakpolder tegen Spaarnwoude aan, in het westelijk havengebied van de stad. Je komt er via een wirwar van wegen, we raken ingeklemd tussen reusachtige vrachtwagens. Biersma noemt het een „karakteristiek stuk Amsterdamse natuur”.

Het boek Wild Amsterdam bestrijkt wat heet Groot Amsterdam en omvat grote natuurgebieden aan de randen van de stad, Waterland, Diemen met de Diemer Vijfhoek, Amsterdamse Bos, Bretten, Landje van Geijsel vlak bij de Ouderkerkerplas, zelfs Marken doet mee en natuurlijk de binnenstad zelf. „Dat Amsterdam goed is voor de natuur heeft ermee te maken dat de stad dankzij de zo geroemde scheggen of lobben verbonden is met de natuur in het buitengebied. Dankzij deze groene scheggen, zoals het Beatrixpark of de Brettenzone, kan de natuur makkelijk de stad binnenkomen. Bovendien is het project van tegels wippen een groot succes; de stedelingen vervangen betegelde trottoirs en tuinen door geveltuinen”, aldus Biersma.

Het inspirerende van het boek is dat je sterk ervaart dat natuur overal is, ook dus op onverwachte plekken. De Houtrakpolder ligt pal aan het Noordzeekanaal uit 1876. Ooit maakte het deel uit van het Oer-IJ met een open verbinding naar de Zuiderzee. Aanvankelijk bestond de polder uit akkerland, in de jaren tachtig kreeg het de functie van groene buffer en werden er de eerste bomen geplant, het Noorderbos. Biersma komt er vaak en schreef er hoofdstuk over, met name over de invasieve exoot die dijkviltbraam heet en oorspronkelijk uit de Kaukasus komt. Deze struik kan per jaar zes meter groeien door zeer efficiënt lange boogvormige scheuten uit het wortelstelsel meters verderop ‘zenden’ en waar die de grond raken opnieuw te wortelen. Enzoverder.

Rob Bierma in De Houtrak.

Grote kaardebol.

Een van de markante plekken in de polder is het Groene Schip, een natuur- en recreatieheuvel van dertig meter hoog die aangelegd is op een voormalige chemische gifbelt. Het gif is met folie afgedekt. Aan de voet ervan woekert de braamstruik die Biersma beschreef. Hij wijst op de groeiwijze en keert het blad om: dat is grijzig van kleur en voelt inderdaad viltig aan: „Het is een van de meest bestekelde braamsoorten, die een ondoordringbare haag vormt. Vogels hebben er weinig aan. Maar de bramen smaken voortreffelijk. In de maand augustus zie ik vaak bramenplukkers hier, vooral van Turkse afkomst.”

We beklimmen de heuvel en daar ontvouwt zich een machtig uitzicht, aldus Biersma. Aan de ene kant het havengebied met steenkolenopslag, felgeel gekleurde kranen en vrachtschepen en aan de andere zijde de natuur. Ganzen trekken over, aan de welluidende roep te horen brandganzen. In de verte, aan de oostelijke horizon, ligt Amsterdam; we zien de hoogbouw. Het is op een plek als deze waar de grote tegenstellingen die bij een havenstad horen samenkomen, aan de ene kant industrie, aan de andere kant natuur. Evenals in het boek hebben we oog voor de kleinste plantjes, bijvoorbeeld de zachtgroene kleur van het raapzaad dat tegen de heuvelflank groeit.

Biersma: „Het was welbewust dat het hoofdstuk over de plantenrijkdom van de stad in het hart van het boek staat. Het heet ‘Tussen hitte en verstilling’ en dat geeft precies aan wat de kern is van stadsnatuur. Een stad met al dat steen is tijdens zomermaanden een hitte-eiland, gemiddeld ligt de temperatuur er enkele graden hoger dan erbuiten. Om de hittestress tegen te gaan hebben mens én dier in een stad verkoeling nodig, dat geeft het groen van bomen. Amsterdam is een van de wereldsteden met de meeste bomen, vooral de iepen, de trots van de stad. Vier eeuwen terug begon men al met de aanplant ervan langs de grachten, je ziet ze op de oude stadsplattegronden afgebeeld.”

Als we de heuvel aflopen en langs de populieren van het Noorderbos lopen, wijst Biersma op de vele dode bomen, vermoedelijk zijn ze niet bestand tegen het zoute kwelwater dat door de hogere waterstand van het Noordzeekanaal binnendringt. Hij noemt het een „ruige aanblik”. Hier, in de haven en langs de snelweg en het spoor, is ook een plek waar exoten de stad kunnen binnendringen, zoals bijvoorbeeld de viltbraam of de zo gevreesde Japanse duizendknoop. Ze reizen mee met treinwagons, scheepsruimen of de wielkasten van vrachtwagens uit verre oorden.

Dode bomen in De Houtrak.

Ook de „handel en wandel van de huidige stadsbewoner die kuipplanten in tuincentra koopt en ander groen draagt bij aan rijke flora van de stad”, merkt Biersma op. „Daar moet je niet al te streng of beperkend in zijn, de exoten maken het ook spannend en zorgen voor nieuwe bloeiers. Soms zijn ze een kort leven beschoren. Pas als ze de overhand gaan nemen, zoals die braam, dan wordt het een probleem. Je moet af van het idee van dat zuidelijke soorten per definitie slechte soorten zijn. Ook een stadsboom als de plataan is per slot van rekening een vreemdeling.”

‘Hoopvol’, zo zou je de strekking van Wild Amsterdam kunnen benoemen. De stad is de ultieme vergaarbak van alle soorten natuur. Op een plas-drasgebied pal aan de haven tellen we met gemak een heel stel grondeleenden, enkele dodaarzen, watersnip, grote gele kwikstaart en meer moois. Een boswachter van Staatsbosbeheer komt melden dat er zojuist een zeearend overvloog; die hebben we net gemist. Ook die majestueuze arend is een van de ruim tienduizend wilde planten en dieren die de stad als biotoop hebben. Het besef moet even doordringen: een roofvogel met een spanwijdte van 2,5 meter én flora tussen de steenvoegen, het is allemaal stadsnatuur.

StadsnatuurEen vrolijk en optimistisch boek

Het rijk geïllustreerde Wild Amsterdam werd vormgegeven door Henry Cannon en biedt een staalkaart aan wat natuur betekent in een grote stad. Het is een vrolijk, veelzijdig en optimistisch boek, vol afbeeldingen van vooral ook de kleinste beestjes, paddenstoelen, insecten, zwammen en plantjes die in een stad voorkomen.

Rob Biersma, Geert Timmermans e.a.: Wild Amsterdam. De natuur van de stad. Uitg. Noordboek, 311 blz. € 29,90

Alleen al het hoofdstuk over planten van stadsecoloog Ton Denters maakt dat je bijna verliefd wordt op alles wat groeit tussen straatstenen, in geveltuinen en op vergeten verwilderde hoekjes. Denters ziet de stad als een volwaardig ‘natuurdomein’ en hij is de uitvinder van het begrip ‘urbaan district’, een plek waar de stadseigen natuur floreert. ‘Gewildgroei’ noemt hij het ook, een nieuw woord dat opgenomen is in de Van Dale en nadrukkelijk dus geen onkruid. Ruigtekruiden kun je het ook noemen, alles wat er zomaar vlak voor onze voeten groeit met prachtige namen als klein liefdegras, stijf liefdegras, natuurleeuwenbek, marjoleinbekje, duivenkervel, rosalientje en slaapkamergeluk. Dat laatste plantje valt nauwelijks op, het is minuscuul en houdt zich schuil tussen voegen van klinkers en stenen, het is een heuse ‘voegenvuller’. Al die nieuwe stadsflora noemt Denters ‘veelzijdig en feestelijk’.

Wild Amsterdam is een uitgave ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum van de afdeling Amsterdam van de Koninklijke Nederlandse Natuurvereniging (KNNV). Aanvankelijk was het een Natuurhistorische Vereniging maar het landbestuur besloot het ‘historische’ weg te laten, het zou te ouderwets zijn, dit echter tegen de zin van de afdeling Amsterdam in. Het moest volgens redacteur Rob Biersma per se geen ledenboek worden, maar een boek bestemd voor een groot publiek, en vooral ook moest het jongeren aanspreken. De afwisseling van interviews met ecologen, wetenschappers en natuurkenners van de KNNV met essayistische stukken verhoogt de leesbaarheid.

Ook de onderwerpkeuze is divers: we gaan de nacht in met vleermuisonderzoekers, we reizen mee met gierzwaluwliefhebbers naar stadse broedplekken liefst onder dakpannen in oude gebouwen, we kruipen over de grond om naar plantjes in steenvoegen te speuren en gaan het water op om het zogenoemde brakke trio aan te treffen, drie vissoorten in het IJ achter het Centraal Station afhankelijk van de diepte: bovenaan in het zoete water de baars, iets dieper in brakwater de bot en de zoutwaterminnende haring in het diepste water. We bezoeken schooltuinen, begraafplaatsen en volkstuinen. Alles tussen mos en havik komt aan de orde.

Amsterdamse stadsecologen als Martin Melchers, Remco Daalder, Geert Timmermans, Hans Kaljee en KNNV-historicus Finette van der Heide leggen het belang uit van natuurkennis verzamelen en met elkaar delen. Pieter Wetzels schrijft een interessant stuk over de revolutionaire digitale hulpmiddelen, de apps, waarmee je makkelijk op je smartphone soorten kunt herkennen, als ObsIdentify en Merlin Bird ID. De database van Waarneming.nl is dé grote schatkamer van vele honderdduizenden waarnemingen.

Het mooie van het boek is dat het je de ogen opent voor de stedelijke natuur. Kijk bijvoorbeeld eens naar wat er allemaal spontaan groeit of bloeit in de basaltglooing van een gracht als de Singelgracht. Of neem het Stenen Hoofd, een vroegere aanlegplek van de Holland-Amerika Lijn. Het is een geliefde stadsnatuurplek, grillig begroeid tussen steen en beton, maar ongekend rijk aan soorten als stijve dravik, doornappel, steenbreekvaren en spoorbloem. Meer naar de binnenstad toe, op het Prinseneiland, ligt een heuse palmentuin en groeit er een vijgenboom op de Drieharingenbrug.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Natuur en milieu

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next