Home

‘De verhalen die ik had achtergelaten in Afghanistan, achtervolgden me in mijn dromen’

Malaly Bromand (68) is geboren in Kabul. Ze werd al snel politiek actief en zette zich in voor vrouwenrechten, maar na een machtswissel ‘praatte ze te veel’. Ze vluchtte uiteindelijk naar Nederland, zonder haar ondergedoken man. Hoe is het haar sindsdien vergaan?

is historicus en schrijft over cultuur en maatschappij.

Het rijtjeshuis van Malaly Bromand (68) staat aan de rand van Bergen, met uitzicht op weilanden die in de verte overlopen in duinen. Haar drie kinderen, twee dochters en een zoon, zijn al jaren het huis uit. Haar man Samad is vijf jaar geleden overleden. ‘Hij had een zwak hart.’ Op een tafeltje in de woonkamer staat een ingelijste foto van hem met een kaarsje erbij.

Aan een salontafel die is gevuld met chocolade, dadels, geroosterde kikkererwten, appelflappen, oploskoffie en een theepot onder een Afghaanse theemuts – ‘Alsjeblieft, neem, neem!’ – vertelt Bromand over de eigenaar van een hotel in Assendelft, dat hij sinds eind jaren tachtig beschikbaar stelde voor asielzoekers. Nadat Bromand in 1993 naar Nederland was gevlucht, verbleef ze daar vijf maanden met haar kinderen, in afwachting van een woning.

‘Die man vergeet ik niet, want toen de brief kwam waarin stond dat we in Bergen konden wonen, riep hij uit: ‘Bergen? Ik wacht al twintig jaar op een vakantiehuisje in Bergen! En jij gaat daar zomaar wonen, dicht bij zee.’ Hij leek wel verbrand in zijn gezicht. Ik zei: ‘Ik heb hier toch niet om gevraagd, meneer. Ik ben nog nooit in Bergen geweest.’’

In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?

Was hij jaloers?

‘Ik denk het. Maar dat duurde maar kort, want algauw zei hij trots tegen de andere asielzoekers: ‘Zij gaat met de kinderen naar Bergen.’ En tegen mij: ‘Je hebt een mooie kans gekregen. Je gaat vast heel gelukkig worden daar.’’

Bromand – ‘Dat betekent sterk, krachtig’ – zoekt af en toe naar Nederlandse woorden, maar weet precies wat ze wil vertellen over haar geboorteland, dat ze door een burgeroorlog en politiek conflict voorgoed moest verlaten.

Hoe was uw leven in Afghanistan?

‘Ik ben geboren in Kabul. Mijn ouders kregen tien kinderen, vijf dochters en vijf zonen. Mijn moeder was huisvrouw. Mijn vader was militair en beheerde het wagenpark van het leger. Hij was een principiële man en wars van vriendjespolitiek binnen het regime van de sjah. Als bijvoorbeeld generaals een auto met chauffeur eisten, ging hij daartegenin: ‘Waarom neem je niet de legerbus, samen met je soldaten?’

‘Mijn vaders kritische houding inspireerde me. Ik zag al jong dat er veel onrecht was, vooral tegenover vrouwen. Dat ze minder waard werden gevonden. Dat ze niet mochten studeren, dat ze binnen moesten blijven, dat mannen voor hen dachten. In de klas ging ik daarover in discussie. Op mijn 14de organiseerde ik mijn eerste demonstratie voor vrouwenrechten.

‘Mijn grote voorbeeld was Anahita Ratebzad, arts en medeoprichter van de vrouwenbeweging die verbonden was aan de Democratische Volkspartij van Afghanistan, de partij die vanaf 1978 regeerde. Ik werd ook politiek actief en volgde haar op de voet. Zij was als een moeder voor mij. Na mijn rechtenstudie ging ik in Kabul werken bij Sociale Zaken, waar ik de contactpersoon was voor bijna vijfduizend vrouwelijke collega’s.’

Wat deed u precies binnen de vrouwenbeweging?

‘Ik bezocht vrouwen die thuiszaten en niet mochten werken of studeren van hun man. Vaak wisten ze niet hoe ze het leven buitenshuis moesten aanpakken. Ik ging met ze in gesprek en probeerde ze te helpen met een baan of scholing. Ook toen de lerares van mijn kinderen met een blauw oog op school verscheen, ging ik bij haar langs. Soms werden de mannen boos: ‘Waar bemoei je je mee?’ Dan zei ik: ‘Doe jij maar rustig.’

‘Mannen zijn altijd de baas geweest. Gelukkig gold dat niet voor mij. Mijn man leerde ik kennen bij de partij, waar hij werkte. Hij heeft me altijd gesteund. Toen mijn dochters nog klein waren, heb ik een jaar marxisme gestudeerd in Bulgarije. ‘Ga maar’, zei mijn man toen, ‘het is belangrijk voor je.’ We hadden een ware vriendschap.’

Wat gebeurde er in de aanloop naar uw vlucht?

‘De rebellerende moedjahedien wilden de regering verdrijven en richtten zich op prominente vertegenwoordigers van de partij. Ik was zeer actief en verscheen op televisie, en werd het doelwit van twee aanslagen.

‘Eén keer lag ik in het ziekenhuis met nierproblemen. Een verpleegkundige injecteerde mij met een besmette naald. Ik kreeg een zware infectie en verkeerde in levensgevaar. Later wilde de partij haar laten oppakken, maar ik zei: ‘Straf haar niet. Misschien handelde ze onder druk.’

‘Een andere keer werd ik in een val gelokt. Een vrouw in een boerka vroeg of ik haar wilde helpen met haar man, die haar sloeg. Bij binnenkomst hielden twintig gewapende mannen mij onder schot. Gelukkig was mijn assistent achterdochtig geweest en had de partijbeveiliging ingeschakeld, die achter mij opdook.

‘Het werd pas echt gevaarlijk toen Mohammad Najibullah, een vertrouweling van Gorbatsjov, in 1986 de partijleiding overnam van Babrak Karmal. De machtswissel veroorzaakte spanningen binnen de partij. Veel tegenstanders van Najibullah werden opgepakt of verdwenen.

‘Ik steunde de Russischgezinde koers niet. Tijdens een partijvergadering hield ik de microfoon bezet en eiste ik een verklaring voor het vertrek van Karmal. ‘Jij praat te veel’, zei Najibullah, en ik moest mijn lidmaatschapskaart inleveren. Dat weigerde ik. ‘Deze kaart is mijn trots’, zei ik. ‘Sluit me maar op, als je wilt.’

‘Kort daarna werd mijn broer vermoord. Hij was legercommandant en gestationeerd in de provincie Kandahar in de burgeroorlog tegen de moedjahedien. Bij een raketaanval kreeg hij een scherf in zijn hoofd. Dat was geen toeval: Najibullah had hem die dag op missie gestuurd. Hij was bang voor mijn broer, een vriend van Karmal, omdat hij genoeg invloed had om het leger tegen hem te laten keren.

‘Toen ik in 1990 met de kinderen in Moskou was voor de bruiloft van mijn jongere broer, belde mijn man uit Kabul. ‘Blijf waar je bent, je bent niet veilig’, zei hij. Een raket van de moedjahedien, die Kabul steeds verder naderden, had ons appartement verwoest. ‘Dit is ons laatste contact.’

En uw man belde daarna nooit meer?

‘Er kwam geen enkel nieuws meer uit Kabul. Pas jaren later begreep ik dat mijn man was ondergedoken. Hij is een paar keer opgepakt en ondervraagd. Dan zei hij slim: ‘Die vrouw? Ik wil niets met haar te maken hebben. Ze is zomaar vertrokken met mijn kinderen.’’

U bleef in Moskou?

‘We zaten gevangen in de kleine flat van mijn broer en zijn Russische vrouw. Ik kon niet naar buiten, want ook in Moskou zou ik gezocht kunnen worden. Mijn zoon was klein, nog maar een kleuter. Hij huilde elke dag: ‘Waar is papa?’ Ik wist niet wat ik moest doen.

‘Na twee jaar zei mijn broer: ‘Onderwijs was altijd zo belangrijk voor je. Je hebt je hele leven gewerkt aan de ontwikkeling van Afghanen. En nu zitten je eigen kinderen elke dag binnen, zonder dat ze naar school gaan of zelfs maar het alfabet leren.’ Ik besloot te vluchten.’

Hoe kwam u in Nederland terecht?

‘Mijn broer heeft een Afghaanse smokkelaar gezocht. Hij vroeg 10 duizend dollar, waarvan hij de helft pas van mijn broer kreeg zodra ik veilig in Nederland was aangekomen. We reisden met een auto en de trein, via Tsjechië en Duitsland. We verbleven eerst in een asielzoekerscentrum in Oisterwijk, daarna in het hotel in Assendelft. En toen: Bergen.’

Wanneer had u weer voor het eerst contact met uw man?

‘Op een dag werd ik gebeld. We woonden toen al een jaar en een paar maanden in Bergen. Ik had mijn man drie jaar niet gesproken. ‘Hé, ik ben het’, hoorde ik aan de andere kant van de lijn. Ik dacht dat iemand een grap met me uithaalde en zei: ‘Wie ben jij?’ Hij reageerde verbaasd: ‘Wat is er nou met jou aan de hand, Malo?’ – dat was zijn bijnaam voor mij. Toen wist ik: dit is mijn man. Ik vroeg: ‘Waar ben je?’ Hij was in Amsterdam. Ik zakte in een stoel, kon niet blijven staan. ‘Ik kom naar je toe’, zei hij.

‘Ik wachtte tot mijn oudste dochter van school kwam. Om haar niet te laten schrikken zei ik: ‘Er komt straks een Afghaanse vriend aan op station Alkmaar. Wil jij hem met de bus ophalen?’ ‘Iemand die ik van vroeger ken?’, vroeg ze. ‘Ja, je kent hem. Ga nu maar.’ Ze stond op het perron te wachten en schrok zich dood toen ze haar vader zag.’

Bromand veegt haar tranen weg. ‘Ja, het was een heel bijzondere dag. Hij heeft de asielprocedure doorlopen en uiteindelijk een verblijfsvergunning gekregen. Daarna ging hij als conciërge bij de middelbare school in Bergen werken.’

Hoe heeft u uw werkende leven weer opgepakt?

‘Ik zei meteen tegen de sociaal werker van de gemeente: ‘Ik heb altijd gewerkt en ik wil blijven werken.’ Ze krabbelde iets op een papiertje en legde het op de trap. ‘Lees het als ik weg ben’, zei ze. Op dat briefje stond dat een dokter en zijn vrouw een schoonmaker zochten. Ik ben op gesprek gegaan en heb de baan zwart aangenomen.

‘Mijn oudste dochter moest huilen toen ze het hoorde. ‘Mama, in Kabul hadden wij zelf een schoonmaker’, zei ze. ‘Werk is werk’, antwoordde ik. Je moet je nooit schamen voor het werk dat je doet. Ik verdien geld met mijn eigen handen. Dat is wat telt.

‘Natuurlijk probeerde ik ook wit werk te vinden. Ik had graag weer als jurist willen werken, maar de wet is hier zo anders en omscholing was te ingewikkeld. Ik werkte een paar jaar als voedingsassistent bij de nonnen in een zorgcentrum in Bergen. Dat was een goede tijd; ik was weer onder de vrouwen. Maar steeds meer nonnen overleden en het zorgcentrum moest sluiten.

‘Daarna kreeg ik het moeilijk. De verhalen die ik in Afghanistan had achtergelaten, achtervolgden me in mijn dromen: goede en slechte herinneringen, mijn jonge jaren, mijn idealen en de moord op mijn broer.’

Denkt u nog vaak aan Afghanistan?

‘Ieder moment!’ Bromand slaat met een vuist op tafel. ‘Ik mis de aarde. De seizoenen. In de winter reisden we naar het warme zuiden, waar mijn vader is geboren. En als het in Kabul erg warm werd, trokken we naar de bergen. Gelukkig had ik de mogelijkheid om door alle provincies te reizen, ook voor mijn werk, en te genieten van alle kanten van Afghanistan.

‘Het breekt mijn hart om te zien wat er nu met vrouwen gebeurt onder de Taliban. Hun wereld wordt steeds kleiner gemaakt. Er zijn moedige vrouwen die hun stem verheffen tegen de onderdrukking. Maar wie luistert er naar hen? Wie beschermt hen?

‘Een hele generatie groeit nu op onder de Taliban, gevormd door fundamentalistische ideeën en regels. Hoop? Nee. Voor Afghanistan heb ik die niet meer.’

In 1973 werd de monarchie Afghanistan een republiek. In 1978 greep de communistische Democratische Volkspartij van Afghanistan de macht. Die voerde ingrijpende moderniseringen door. Vooral de leerplicht voor meisjes stuitte op verzet bij het traditionele, religieuze volksdeel.

De moedjahedien begonnen een guerrillaoorlog. Het Rode Leger kwam in 1979 de regering te hulp, wat uitmondde in een tien jaar durende Sovjet-bezetting. De VS gaven de moe­dja­he­dien grootschalige wapensteun. Na de aftocht van het Rode Leger hield de communistische regering nog drie jaar stand, maar in 1992 namen de zeven moe­dja­he­diengroepen de macht over. Al spoedig raakten zij met elkaar in oorlog.

Uit het verzet tegen deze chaos kwamen de Taliban voort. Zij namen in 1996 de macht over, tot ze in 2001 door de moe­dja­he­dien met hulp van de VS werden verdreven. De Taliban begonnen een nieuwe guerrillaoorlog en keerden in 2021 terug in Kabul.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next