Home

Vmbo’ers die naar een praktijkschool moeten, komen beschadigd binnen maar bloeien meestal op

Doorstroomtoets Deze maand krijgen basisscholen de uitslagen van de doorstroomtoetsen die in groep 8 zijn gemaakt. Sommige leerlingen die het toetsadvies vmbo-basis krijgen, moeten later toch naar de praktijkschool. Daar zijn ze veel beter op hun plek.

Een les metaaltechniek op het Pro College in Nijmegen.

Het meisje uit de tweede klas „moest wel een beetje huilen” toen ze een half jaar geleden hoorde dat ze naar de praktijkschool moest. De vmbo-school waarop ze zat bleek uiteindelijk toch te hoog gegrepen. Maar nu ze op het Hofstede College zit is dat nare gevoel weg. „Ik wil niet meer terug”, zegt ze. „De vakken die ik hier krijg zijn gewoon makkelijker.” Wilbert van Beukering, directeur van deze Haagse school voor praktijkonderwijs, hoort het vaker van leerlingen die eerst op het vmbo zaten. „Misschien was het fijner geweest als je hier gelijk na de basisschool had kunnen beginnen?”, vraagt hij. „Ja”, zegt het meisje, „maar in groep 8 kreeg ik vmbo-advies.” Daarom ging ze eerst naar het Roemer Visscher College, een vmbo-school.

Het probleem is: uit de doorstroomtoets in groep 8 komt nóóit simpelweg ‘praktijkonderwijs’, ook wel ‘pro’ genoemd. De uitkomst is altijd een dubbel advies: pro/vmbo-basis. Bijna alle adviezen uit de doorstroomtoets zijn ‘dakpanadviezen’, met uitzondering van vwo. In de praktijk leidt dat ertoe dat veel leerlingen die eigenlijk het beste op het praktijkonderwijs zouden passen op een hoger schoolniveau (vmbo-basis) beginnen dan ze aankunnen. Het aantal aanmeldingen in de eerste klassen van het praktijkonderwijs is daardoor teruggelopen, terwijl er in de hogere klassen wachtlijsten zijn van leerlingen die het op het vmbo niet redden en die alsnog moeten ‘afstromen’.

Het praktijkonderwijs is voortgezet onderwijs voor leerlingen die moeilijk kunnen leren uit boeken. Op deze scholen – er zijn er 177 – krijgen de leerlingen naast basisvakken als Nederlands en rekenen vooral praktijklessen. De klassen zijn relatief klein: maximaal zestien leerlingen. Om ingeschreven te worden is een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ nodig. Voorwaarden zijn een IQ tussen 55 en 80 en minstens drie jaar leerachterstand.

Scholen hebben intensief contact

Duygu Dönmez, leerlingcoördinator van de onderbouw van het Roemer Visscher College, is even op bezoek bij het Hofstede College. De twee scholen liggen dicht bij elkaar en hebben intensief contact over leerlingen die moeten overstappen. „Wij krijgen leerlingen binnen bij wie we eigenlijk meteen zien: dit is een pro-dossier”, zegt Dönmez. „Maar ouders willen per se dat ze het bij ons op school proberen. Dan kunnen wij die leerlingen niet weigeren.” Het kan lang duren voor ouders ervan overtuigd zijn dat hun kind het echt niet op het vmbo redt en er een plek op een praktijkschool is gevonden.

Van de honderd leerlingen in de eerste klas van het Roemer Visscher College zouden er nu, halverwege het schooljaar, zeker zes naar het praktijkonderwijs moeten. Dönmez: „In het tweede jaar zijn het er zes van de negentig. En in de derde heb ik er ook een aantal.” Zij overlegt voortdurend met het Hofstede College of er al plek is, maar in de bovenbouw zitten veel klassen vol.

Op het Pro College in Nijmegen krijgen leerlingen praktijkonderwijs, zoals hovenierslessen (ook wel ‘Groen’ genoemd).

Deze maand krijgen basisscholen de uitslagen van de doorstroomtoetsen die in groep 8 zijn gemaakt. Daarna voeren ze het gesprek met leerlingen en hun ouders over het definitieve schooladvies. Dat is niet altijd een makkelijk gesprek. Sinds de invoering van de doorstroomtoets, in schooljaar 2023/24, moeten scholen het voorlopig schooladvies dat de leraar heeft gegeven bijstellen als de leerling volgens de toets een hoger niveau aankan. Alleen als de leraar héél zeker weet dat dat niet in het belang van het kind is, kan van die regel worden afgeweken. Maar dan moet de school dat wel schriftelijk beargumenteren.

Wat niet iedereen weet: bij leerlingen die van de leerkracht het voorlopig advies ‘praktijkonderwijs’ hebben gekregen, hoeft de school het advies níét te herzien. „Sterker nog: als het IQ van leerlingen lager is dan 75, hoeven ze de doorstroomtoets niet te maken”, zegt Dönmez. Toch doen ze vaak wel mee. Leerkrachten vinden het lastig om een kind uit te zonderen, omdat de hele klas maandenlang naar de toets toeleeft. Maar als het kind meedoet, ontstaat er een ander probleem. Dönmez: „Een leerling kan de doorstroomtoets heel slecht maken – zelfs álles fout – en dan komt er nog steeds dat dubbele advies praktijkonderwijs/vmbo-basis uit. Ouders interpreteren dat als: mijn kind is in een paar maanden enorm vooruitgegaan. Zeg dan als leerkracht maar eens tegen ouders dat het kind toch beter naar het praktijkonderwijs kan.”

Relatief kleine klassen

Omdat slechts 3 procent van de circa 900.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs op een praktijkschool zit, is deze schoolsoort bij veel ouders onbekend. „Ouders ervaren het als een vernedering als hun kind naar het praktijkonderwijs toe moet”, zegt Vera de Vette, zorgcoördinator bij het Hofstede College. „Ze weten niet dat hun kind hier ontzettend veel kan leren en ook nog steeds kan doorstromen naar het mbo.” Van Beukering: „Iedere leerling die hier op school komt, is eigenlijk verdrietig, want ze zijn altijd de slechtste van de klas geweest. Voor kinderen die liever met hun handen werken is in het basisonderwijs nauwelijks aandacht.”

Twee leerlingen komen vragen of de schooldirecteur en zijn gasten wat willen drinken. Op een tablet noteren ze de bestellingen. Dat is voor het vak ‘arbeidssimulatie’, zegt Van Beukering. „Daar leren ze allerlei vaardigheden die je nodig hebt om te werken.” In praktijklokalen worden werksituaties nagebootst. Zo zijn er een cateringbedrijf, supermarkt, kledingwinkel, parfumerie, magazijn, wasserette, schoonheidssalon, keukens, technieklokalen en een lokaal dat is ingericht als verpleeghuis. „In leerjaar 1 en 2 krijgen ze vakken die zijn gericht op zelfredzaamheid, zoals voor jezelf koken”, legt de directeur uit. „Daarna worden de vakken meer arbeidsgericht.”

De capaciteiten van leerlingen in het praktijkonderwijs lopen flink uiteen. „We bieden maatwerk voor elke leerling”, zegt Eric Bouwens, bestuurder van het Pro College (met praktijkscholen in Nijmegen, Boxmeer, Wijchen en Bemmel) en vicevoorzitter van de landelijke Sectorraad Praktijkonderwijs. Tot 2022 leidde het praktijkonderwijs niet op tot een diploma, maar inmiddels is dat er wel. Het diploma is gebaseerd is op het portfolio dat iedere leerling individueel opbouwt. Bouwens: „We kijken onder meer naar inzet en aanwezigheid, maar er zijn geen landelijke eindtermen, zoals bij een eindexamen. Waren die er wel, dan zou een deel van de leerlingen het diploma niet halen.”

Er zijn ook leerlingen die erin slagen om op de praktijkschool het zogenoemde entreediploma te halen, mbo-niveau 1. In een gang van het Hofstede College zitten leerlingen te oefenen voor het mondelinge examen dat daarbij hoort. Een van hen zat vroeger op het vmbo. „Hoe was het voor jou om naar het praktijkonderwijs over te stappen?”, vraagt Van Beukering. „Ik vond het wel jammer, eerlijk gezegd”, zegt het meisje. „Maar als ik met deze school klaar ben, heb ik nog steeds hetzelfde niveau gehaald als op het vmbo.” Hierna wil ze een mbo 2-opleiding maatschappelijke zorg doen.

In leerjaar 1 en 2 van de praktijkschool krijgen leerlingen vakken die zijn gericht op hun zelfredzaamheid. Daarna wordt het onderwijs meer arbeidsgericht.

Voor het eerst een ‘succeservaring’

De hogere klassen van praktijkscholen in het hele land zitten door de zij-instroom vanuit het vmbo overvol, zegt Bouwens. In sommige regio’s, zoals het Gooi, gaat het inmiddels om bijna 30 procent van de instroom. Daar komt bij dat in de bovenbouw van het praktijkonderwijs steeds meer leerlingen uit Internationale Schakelklassen (ISK) worden aangemeld. Zij wonen nog niet lang in Nederland en hebben een grote taalachterstand. Daar zijn ook leerlingen bij die cognitief gezien eigenlijk naar het vmbo zouden kunnen als hun taalvaardigheid het zou toelaten. „Het is soms moeilijk om deze leerlingen te motiveren met hun handen te werken”, zegt Bouwens. „Ze hebben zelf een ander toekomstbeeld.”

De toename van het aantal zij-instromers in het praktijkonderwijs verandert de dynamiek op scholen en verhoogt de werkdruk voor docenten, zegt Bouwens. „Leerlingen die in de bovenbouw instromen, komen vaak beschadigd binnen. Ze hebben het gevoel dat ze hebben gefaald. Die negatieve emoties zorgen voor spanning in klassen.” Ze moeten een plek vinden binnen de groep. Bouwens: „Als ze halverwege het jaar instromen, is het gevecht om de apenrots net afgerond, dat begint dan opnieuw.” Meestal bloeien deze leerlingen na een tijdje wel op, ziet hij. „Sommigen maken hier voor het eerst in hun leven succeservaringen mee. Ook op sociaal gebied. Eindelijk horen ze ergens bij.”

Die opluchting is ook te merken bij de zij-instromers die Van Beukering en Dönmez aanspreken op het Hofstede College. Een jongen van veertien, die na de tweede klas van het vmbo werd verwezen naar de praktijkschool, vindt het leuker op zijn nieuwe school, zegt hij. Wat hij dan leuker vindt? „Hier heb ik vrienden.”

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next