Genetisch gereedschap kan kleine boeren wereldwijd helpen om hun oogsten te verbeteren. Maar hoe organiseer je zulke innovatie?
Jonathan Arentoft in een kas van de Botanische Tuinen op het Utrechtse Science Park.
In de kassen van de Botanische Tuinen op het Utrechtse Science Park groeien tal van tropische planten als vanille, banaan en papaja. „Cruciale gewassen voor kleinschalige boeren in het mondiale zuiden”, vertelt technieksocioloog Jonathan Arentoft (29). Vanuit een bescheiden hoekje van zijn faculteitsgebouw zijn de kassen te zien. „Gewassen die, met de juiste genetische aanpassingen, beter zouden kunnen werken voor die zogeheten smallholders. Denk aan een snellere groei, of bescherming tegen klimaatverandering of droogte.”
Zulke gerichte aanpassingen zijn mogelijk dankzij genetisch gereedschap als crispr-cas9. Die techniek belooft planteneigenschappen sneller en preciezer aan te passen dan standaardmethoden om planten te veredelen en ‘klassieke’ genetische manipulatie, waarbij bijvoorbeeld bacteriën nieuw dna bij planten inbrengen om ze genetisch te veranderen. Arentoft onderzoekt dat nieuwe, preciezere genome editing; niet als biotechnicus, maar vanuit sociologisch oogpunt. „De belofte is dat betere, genetisch aangepaste zaadjes de levens van kleinschalige boeren – zo’n achthonderd miljoen wereldwijd – makkelijker gaan maken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan.”
Genome editing is namelijk niet zomaar even in te zetten: de techniek kent een waslijst aan technische en praktische vereisten. „Voor je überhaupt kunt beginnen heb je al een functionerend laboratorium en een team van wetenschappers nodig, plus een berg onderzoek naar het gewas dat je wilt aanpassen. Zonder kennis over het genoom van de plant kun je namelijk niet goed ‘mikken’ op de gewenste eigenschap. Als je dus geen populair gewas als maïs, tarwe of rijst verbouwt, heb je er momenteel weinig aan.”
Arme Afrikaanse boeren zouden hun opbrengst flink kunnen verhogen met hulp van zo’n techniek. Gewassen als teff, sorghum en cassave zijn cruciaal voor de lokale voedselzekerheid, maar hiervan ontbreekt de benodigde genetische kennis. Dat bracht Arentoft vroeg in zijn onderzoek in kaart. „De stapels aan kennis die je nodig hebt om ook die gewassen aan te passen, zijn er simpelweg nog niet.”
Ook wetgeving vormt nog een belemmering. Hoewel crispr-cas9 veel preciezere aanpassingen mogelijk maakt, is de techniek in Europa even streng gereguleerd als klassieke genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s). Voor wetenschappelijk onderzoek is het toegestaan, maar wie een ‘gengewas’ op de markt wil brengen moet aan uiterst strenge eisen voldoen. Arentoft benadrukt: „Niet iedereen vindt dat erg. Zoals gewoonlijk bij biotechnische onderwerpen lopen de perspectieven uiteen.” In ieder geval lijkt verandering op Europees niveau nabij: in december vorig jaar werd een voorlopige deal gesloten om soepeler om te gaan met genome editing.
De nieuwe Europese regels zouden meer lijken op wetgeving in Afrikaanse landen met een sterke biotechnologische sector, zoals Ghana en Kenia. Daar hoeven zaadjes met simpele aanpassingen, waar geen dna van een andere soort aan te pas komt, alleen door de standaardprocedure te komen. Arentoft bezocht de twee landen in 2025, om te onderzoeken hoe wetenschappers en beleidsmakers daar tegen de techniek aankijken.
„Het perspectief van mijn gastheer in Nairobi, plantenwetenschapper Steven Runo aan de Kenyatta-Universiteit, is me bijgebleven. Hij bestudeert striga, onkruid dat parasiteert op de graansoort sorghum, en hoe je het genoom van sorghum kunt aanpassen om er bestendiger tegen te zijn. Echt fundamenteel onderzoek, en volgens hem is het heel belangrijk dat zulk onderzoek juist door Afrikaanse wetenschappers gedaan wordt. Zo bouw je kennis op die is toegespitst op Afrikaanse gewassen en problemen.”
Arentoft analyseert momenteel de interviews met zo’n veertig lokale experts. De kijk van Runo is breder gedragen, al komen ook meer pragmatische geluiden naar voren: het onderzoek hoeft volgens sommigen niet per se op Afrikaanse bodem plaats te vinden, als er maar zaadjes en planteneigenschappen onderzocht worden die smallholders echt helpen. Wat in zowat alle interviews terugkeert: inspraak in hoe de techniek zich ontwikkelt is cruciaal.
Die Afrikaanse inspraak staat centraal in de rest van Arentofts promotie. „Idealiter staat de wetenschap in dienst van de boeren, en is er direct contact tussen die twee. Maar bij het ontwikkelen van biotechnologie moeten nu eenmaal beslissingen worden genomen waar zulke directe inspraak helemaal niet handig is. Wetenschappelijk onderzoek duurt lang, en je kunt niet de hele tijd een boer aan je labtafel hebben staan.”
Hoe betrek je boeren dan bij de ontwikkeling van technologie? Door ze een stem te geven via een belangenorganisatie of een vertegenwoordiger, denkt Arentoft. De komende twee jaar richt hij zich op verschillende manieren van vertegenwoordiging en hoe dat er in de praktijk uitziet. „Ministeries, vakbonden of verenigingen kunnen het wetenschappelijke proces beter sturen op de lange termijn dan bij direct contact tussen boer en wetenschapper. Daarom juist is dit onderzoek zo belangrijk.”
Arentoft is nog maar halverwege zijn promotie, maar zit er inmiddels lekker in. „Het eerste jaar van mijn PhD was pittig. Ik wist aanvankelijk helemaal niet wat het betekende om promotieonderzoek te doen. Maar nu snap ik de kern: je moet ergens mee komen wat het onderzoeken waard is, wetenschappelijk en maatschappelijk, en dat helder beschrijven.” Als voorbeeld schudt hij, welbespraakt als een diplomaat, een analyse over vertegenwoordiging van boeren uit zijn mouw. Als hij klaar is, lachend: „Kortom, het samenbrengen van al die factoren tot een helder probleem om op te lossen is echt een creatief proces. Dat inzicht heeft mijn onderzoek heel veel leuker gemaakt.”
Een technieksocioloog als Arentoft moet dus het grotere plaatje weten te onderscheiden, en in systemen kunnen denken. Die vaardigheid ontwikkelde hij tijdens zijn bachelor aan de Londense School of Oriental and African Studies. Concreter werd die kritische blik tijdens een master duurzame landbouw in Wageningen: „Ik dacht dat het daar heel praktisch was, dat ik zowat boer zou worden. Maar waar mijn medestudenten bijvoorbeeld in de agrarische sector belandden, ben ik de sociale kant ingedoken. Sociologisch en politicologisch kijken naar landbouw, daar zit voor mij het interessante. Landbouwwetenschap is namelijk zo veel meer dan zaadjes in de grond stoppen.”
Niet dat hij niet houdt van zaadjes in de grond stoppen. Hij was voorzitter van de Wageningse studentenmoestuin, en onder vrienden en collega’s staat hij bekend als ‘potato boy’. Lachend: „Dat komt deels door mijn masteronderzoek naar aardappelen.” Daarvoor bracht hij twee maanden in Ierland door. „Maar ik ken het gewas ook wel echt intiem. Afgelopen zomer, tijdens een vakantie naar Peru, ben ik met mijn vriendin naar het Parque de la Papa, ofwel aardappelpark, geweest. Daar kweken lokale boeren wel veertienhonderd soorten piepers, in samenwerking met natuurorganisaties. Wat mij het meest is bijgebleven zijn de gesprekken met telers, en de liefde die ze hebben voor het gewas. En natuurlijk het proeven van de aardappelen!”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen