Een krantenartikel over de ontdekking van een eeuwen geleden gezonken Spaans galjoen in de wateren van Colombia was de aanleiding voor Julian Sanctons loeispannende boek Het fortuin van Neptunus. Wat moet er met de absurde hoeveelheid goud aan boord gebeuren?
Als de Amerikaanse schrijver en journalist Julian Sancton (1981) zegt: ‘Ik ben niet iemand die graag een jaar in de Amazone wil proberen te overleven zonder hulpmiddelen’, dan geloof je hem meteen. Op het eerste gezicht schreeuwt alles aan hem: doorsnee. Hij draagt een grijs vest, woont in een mondaine woning even buiten New York, om hem heen wat rondkruipende kinderen, op de leuning van de bank een kopje thee. Niets bijzonders aan.
‘Maar’, zegt hij via een Zoomverbinding, want er is een duidelijke maar. Professioneel gezien heeft hij juist een gigantische fascinatie voor het afwijkende; voor de roekeloze helden, de avonturiers, de dromers, de waaghalzen en de waanzinnigen. ‘Gek genoeg voel ik me altijd enorm tot dat soort verhalen aangetrokken. Deels vanwege het avontuur, maar vooral vanwege de obsessie die dat soort mensen voor iets koestert.’
Zo gaat zijn eerste boek, Waanzin aan het einde van de aarde (2021), over de 19de-eeuwse poolexpeditie van Adrien de Gerlache, een Belgische ontdekkingsreiziger die geobsedeerd was door het idee als eerste mens ooit te overwinteren op Antarctica. Op basis van logboekgegevens en dagboekverslagen reconstrueert Sancton een desastreuze tocht die vanaf dag één al spaak loopt, en uitmondt in een maandenlange gevangenschap in het ijskoude pikkedonker van Antarctica. Daar raakt de bemanning steeds verder bevangen door honger, muiterij, scheurbuik en pure waanzin. De Volkskrant gaf vijf sterren aan dat ‘ongemeen spannende’ boek.
Waanzin aan het einde van de aarde stond wekenlang in de bestsellerlijst van The New York Times en werd ook buiten de Verenigde Staten een groot succes. En hoewel Sancton zich na publicatie had voorgenomen niet nog een boek over de zee te schrijven – hij wilde niet die historische-non-fictieauteur worden die alleen maar spannende verhalen over boten publiceert – kwam tijdens elk gesprek met zijn uitgever over zijn eventuele volgende boek altijd dat ene krantenstukje uit 2015 zijn gedachten binnenfladderen.
Het is een artikel over de ontdekking van een Spaans galjoen, eeuwen geleden gezonken voor de kust van Colombia. Het zou de grootste schat uit de geschiedenis van de mensheid bevatten: een absurde hoeveelheid goud met een waarde van miljarden dollars.
‘Ik weet nog dat ik dat artikel las, en dacht dat er een typefout in stond’, zegt Sancton. ‘Die miljarden moesten vast miljoenen zijn. Maar toen ik het opzocht, bleek het wel degelijk te kloppen.’
De schat, met een geschatte waarde van zo’n 7 miljard dollar, was bovendien volledig onaangetast, omdat niemand de precieze locatie van het schip ooit had achterhaald. In de wateren van Colombia, waar het schip zich moest bevinden, was de aanwezigheid van die schat dan ook al eeuwenlang aanleiding voor mythevorming.
Zo wordt Florentino Ariza, de hoofdpersoon uit Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez, halverwege het verhaal getroffen door ‘een overweldigend verlangen de gezonken schat te bergen opdat Fermina Daza’ – zijn geliefde – ‘kon baden in een stortvloed van goud’.
Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw had bovendien iedere nieuwe president van Colombia bij zijn aantreden gezworen het raadsel rond de San José op te lossen – wat nog nooit was gelukt. Ook in kringen van onderwaterarcheologen bleek het galjoen een bijkans mythische status te hebben. Van de vele legendarische schepen en galjoenen die de afgelopen eeuwen zijn gezonken, gold de San José met afstand als de heilige graal.
Dat komt, zo ontdekte Sancton, doordat de meeste galjoenen die ooit in Latijns-Amerika zijn vergaan, allang waren gevonden, geplunderd of verteerd door de zee; alle balken, zeilen, kaarten, kleding, kisten en gouden munten zijn daardoor verdwenen of vergaan. Maar omdat de San José tijdens de voor het schip fatale zeeslag in 1708 in diepe wateren verging, op een plek met vermoedelijk weinig stroming en onderwaterleven, bestond het vermoeden dat dit wrak juist tamelijk intact was gebleven.
En wat voor wrak bovendien, want de San José, zo beschrijft Sancton uitgebreid in het net verschenen Het fortuin van Neptunus, zag er indrukwekkend uit: een driemaster van hout dat was gekapt bij afnemende maan, wanneer het sap zich het dichtst bij de wortels bevindt en het hout het sterkst is. Het was het grootste en krachtigste galjoen dat de Spaanse vloot ooit had aangevoerd: ruim 40 meter lang, uitgerust met 72 kanonnen, en groot genoeg voor zeker zeshonderd bemanningsleden.
Nog veel belangrijker: in het gigantische ruim was plek voor zeker 8 ton goud, gemijnd door slaafgemaakten in het Andesgebergte en bestemd voor de schatkist van de koning van Spanje.
Niett eerder was er een grotere goudvoorraad richting Europa vervoerd dan op die 8ste junidag van 1708. En nooit eerder hadden de vijanden van Spanje, in het bijzonder de Engelse vloot onder leiding van commodore Charles Wager, zo graag een scheepslading willen onderscheppen als die van de San José.
De manier waarop u de zeeslag beschrijft die daarop volgt, is werkelijk bloedstollend. Hoe komt het dat u zo spannend kunt schrijven?
‘Ik ben opgeleid als historicus, dus tijdens mijn studie is mij geleerd dat je, om spanning op te bouwen, vooral geen informatie moest achterhouden. Het duurde best een tijdje voordat ik doorhad dat in verhalende non-fictie andere wetten gelden. Dat daar niet alleen de waarheid belangrijk is, maar dat je als schrijver ook dezelfde emoties wil oproepen als in fictie.
‘Je moet daarom veel beter nadenken over wanneer je welke snippers informatie prijsgeeft. Maar het kan, want uiteindelijk zit in elk waargebeurd verhaal spanning en drama verstopt. Dat is nu eenmaal de manier waarop wij mensen ons leven leiden. Voor een schrijver is het vervolgens de truc die spanning te vinden.’
En dus besloot Sancton zich volledig onder te dompelen in de lotgevallen van de San José. ‘Hoe meer ik groef, hoe meer ik me realiseerde dat dit een fantastisch, bloedstollend en nog door niemand aangeboord verhaal was.
‘Bovendien kwam ik erachter dat de man die de spil ervan vormde, namelijk de man die de locatie van het schip na al die eeuwen eindelijk leek te hebben ontdekt, volstrekt onbekend was bij het grote publiek. Roger Dooley, een Amerikaans-Cubaanse amateurarcheoloog, was een soort geest. De weinige mensen die in het openbaar iets over hem hadden verteld, omschreven hem als kwaadaardig of crimineel.
‘Hij stond op een observatielijst van het Amerikaanse ministerie van Financiën, samen met bekende terroristen en drugsdealers – ten onrechte, bleek later. Hij was, met andere woorden, een fascinerend, schurkachtig personage. En het mooiste was: halverwege mijn onderzoek ging opeens de telefoon. Het was Roger Dooley, en hij zei dat hij bereid was met mij spreken.’
Met het telefoontje begon een relatie die vier jaar zou duren en honderden uren aan interviews omvat. Sancton ontdekte gaandeweg: deze man is geen schurk, hij is juist de absolute held. Dooley (1944), een pezige man met diepliggende ogen en een grijze baard als van een conquistador, bleek al veertig jaar lang volledig geobsedeerd door dit specifieke scheepswrak. Hij wijdde zijn leven aan de zoektocht, vond brieven en kaarten die nooit eerder waren gevonden en kon zo, ruim driehonderd jaar nadat het schip was gezonken, de locatie van de San José bepalen.
Het levensverhaal van Roger Dooley barst uit elkaar van avontuur. Hij trok op met Fidel Castro en Che Guevara, er komen oorlogen voorbij, net als smokkeloperaties, wereldrecords, miljardairs, schatkaarten waarop letterlijk een X staat geschreven.
Was u nooit bang dat het allemaal te mooi was om waar te zijn?
‘Natuurlijk was ik dat. De eerste regel van het boek luidt niet voor niets: ‘Als eerste hoorde ik over Roger Dooley van zijn vijanden.’ Iedereen die ik over Dooley sprak, vertelde me dat hij een opschepper was, een oplichter, een charlatan. En het is ook waar dat zijn verhalen vaak te mooi klonken om waar te zijn. Maar ik dacht: voor mij als journalist en historicus zit er maar een ding op: proberen alles te verifiëren.’
Sancton speurde vier jaar lang naar bronnen in Cuba, waar Dooley zijn jeugd doorbracht, sprak met zoveel mogelijk betrokkenen in Colombia en de Verenigde Staten, en ontdekte –‘ tot mijn grote verrassing’ – dat alles wat Dooley hem had verteld vrijwel volledig waar was.
In Het fortuin van Neptunus reconstrueert Sancton niet alleen de laatste reis van de San José, maar ook het leven van Dooley, een inmiddels 82-jarige, taaie, vindingrijke en onwankelbare schatzoeker die één duidelijk doel in zijn leven heeft gehad: het vinden van diezelfde San José.
Dat bleek lastig, niet in de laatste plaats omdat onderwaterarcheologie lange tijd het exclusieve domein was van goudzoekers en oplichters. ‘De drang om snel rijk te worden waarmee de meesten van ons behept zijn, wordt het meest succesvol uitgebuit door handelaren in schatten met vergeelde kaarten van gezonken galjoenen’, schreef de legendarische Franse duiker Jacques-Yves Cousteau ooit.
Aan universiteiten verbonden archeologen beschikten tot voor kort noch over de apparatuur, noch over de budgetten om gezonken schepen op een fatsoenlijke wijze te bergen. Daardoor behoorde de zee jarenlang toe aan geboren vertellers, die met vergezichten over gezonken schatten en onvoorstelbare winsten mogelijke investeerders wisten te overtuigen een paar miljoen dollar te steken in de aanschaf van een boot en duikapparatuur. Het grote geld zou dan als vanzelf naar ze toestromen, samen met de glorie.
Ergens in het boek schrijft u dat schatzoeken een romantische, bijna literaire onderneming is, waarbij de fantasie en het verhaal bijna net zo belangrijk zijn als het goud.
‘Romantiek en fantasie liggen absoluut ten grondslag aan dit soort obsessies. De academisch opgeleide archeologen, de mensen die ik in het boek omschrijf als de Unesco-club, zeggen weliswaar dat iedereen het hoofd koel moet houden en dat het belangrijk is scheepswrakken enkel vanuit een wetenschappelijke optiek te benaderen. Daarin hebben ze natuurlijk gelijk, aangezien we ons cultureel erfgoed niet zomaar moeten plunderen voor wat gouden munten. Er is in het verleden ook veel fout gegaan. Veel archeologische locaties zijn onherstelbaar beschadigd. Maar tegelijkertijd zouden veel wrakken nooit zijn ontdekt zonder de goudzucht van al die schatzoekers.’
Toen u Juan Manuel Santos interviewde, de voormalige president van Colombia die Dooley ook goed kent, vergeleek hij hem met de hoofdpersoon uit de roman De oude man en de zee van Ernest Hemingway. Waarom deed hij dat?
‘Ten eerste omdat Dooley qua uiterlijk erg op Hemingway lijkt, met zijn witte baard en zijn Cubaanse achtergrond. Maar hij deed het vooral omdat De oude man en de zee een verhaal is over een visser die in de herfst van zijn leven eindelijk die gigantische vis vangt waarover hij altijd droomde, en vervolgens weigert zijn hengel los te laten, ook al is het beest eigenlijk te sterk voor hem. De visser vecht, bloedt en houdt vol, maar als hij eenmaal bij de kust aankomt, blijkt de vis vrijwel volledig opgegeten door de haaien. Dat is precies het verhaal van Roger Dooley en de San José.’
Want inderdaad: het krantenartikel dat Sancton in 2015 las, over de vondst van het galjoen voor de kust van Cartagena, bleek de verdienste van Roger Dooley. Dankzij zijn speurwerk in Spaanse archieven, zijn geduld en zijn lobby bij overheden en investeerders lukte het hem om het wrak uiteindelijk te lokaliseren en te filmen. Zoals was verwacht: door de diepte was vrijwel alles perfect bewaard gebleven; het bleek het volmaakte scheepswrak.
De beelden van de talloze gouden escudo’s, die na drie eeuwen op de zeebodem te hebben gelegen nog steeds glinsterden, gingen de wereld over. Daarna barstte subiet een machtsstrijd los tussen de Spanjaarden, die het goud ooit hadden vervoerd, de Colombianen, in wier wateren het lag, de buitenlandse investeerders die alles hadden bekostigd en de archeologen van de Unesco-club. Die vonden dat niemand het wrak mocht aanraken voordat er betere onderzoeksmethodes waren ontwikkeld.
De eerste slag werd afgelopen november gewonnen door de Colombiaanse regering, die met veel bombarie een kanon en drie munten naar de oppervlakte haalde; het merendeel van de schat ligt echter nog altijd op de zeebodem.
Wat zou er volgens u moeten gebeuren met de San José?
‘Archeologen die zeggen dat nietsdoen het beste is voor een schip, geloof ik meteen. Maar ik geloof ook dat scheepswrakken op de bodem van de zee geen enkel nut dienen. Door alle bergingen consequent tegen te houden, ontnemen we de mensheid de kans om in contact te komen met de geschiedenis.
Dan kun je eeuwig wachten, want in de toekomst is altijd een nog betere technologie beschikbaar, die nog minder schade toebrengt. Ik denk dat het verstandiger is te accepteren dat elke vorm van archeologie uiteindelijk een vorm van vernietiging met zich meebrengt. Het is zaak daar zo verantwoordelijk mogelijk mee om te gaan.
‘Zelf zou ik de objecten van de San José dolgraag in een museum bekijken. Ik wil het goud zien waar mensen al eeuwenlang om vechten, omdat ze er hebzuchtig van zijn geworden, gepassioneerd en geobsedeerd door zijn geraakt. Ik wil de artefacten zien waarvoor mensen eeuwen geleden naar een nieuw continent zijn getrokken, om daar land te ontginnen, oorlog te voeren en elkaar te doden.’
Zelfs als de schat ooit wordt geborgen, blijft de vraag: wat dan? Het goud komt oorspronkelijk uit Bolivia, werd meegenomen door de Spanjaarden in een schip dat zonk voor de kust van Colombia. Het wrak werd ontdekt door een Cubaanse Amerikaan die werd gefinancierd door een Engelsman wiens bedrijf was gevestigd in Zwitserland. Waar moet dat museum in hemelsnaam komen?
‘Er worden op dit moment inderdaad oorlogen uitgevochten die eeuwen geleden zijn begonnen. Het is misschien vergelijkbaar met de discussie over de Elgin Marbles (de wereldberoemde Parthenon-sculpturen uit Athene, red.) in het British Museum en andere roofkunst. De vraag daarbij is altijd: aan wie behoort de buit van de geschiedenis toe? Moet alles terug naar de rechtmatige eigenaar? Of is de roof onderdeel geworden van de geschiedenis en moet de schat daarom blijven waar hij is?
‘Volgens Unesco liggen er nog drie miljoen scheepswrakken op de zeebodem, dus dit zijn vragen waarop we de komende tijd antwoorden moeten vinden. Maar ik hoef dat gelukkig niet te doen. Ik hoef alleen het verhaal te vertellen.’
Julian Sancton: Het fortuin van Neptunus. Uit het Engels vertaald door Frans Reusink. Hollands Diep; 432 pagina’s; € 24,99.
CV JULIAN SANCTON
1981 Wordt geboren in New York, maar brengt een groot deel van zijn jeugd door in Frankrijk, het land waar zijn West-Vlaamse overgrootvader tijdens de Eerste Wereldoorlog naartoe vluchtte. Zijn moeder is Frans, zijn vader Amerikaans.
1999–2003 Studeert geschiedenis aan Harvard University. Een jaar na zijn afstuderen begint hij als redacteur bij tijdschrift Vanity Fair.
2010–2020 Schrijft als reizend journalist voor tijdschriften als Esquire, Wired, The New Yorker en Playboy. Hij doet verslag vanaf elk continent, waaronder Antarctica.
2021 Publiceert zijn debuut Waanzin aan het einde van de aarde, dat wekenlang in de bestsellerlijst van The New York Times staat.
2026 Het fortuin van Neptunus.
Julian Sancton woont met zijn vrouw en dochters in Larchmont, even buiten New York.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant