Niemand die langer heeft geageerd tegen het Amerikaanse kapitalistische systeem dan linguïst-filosoof-activist Noam Chomsky. En nu blijkt hij close te zijn geweest met een ultrakapitalist die een netwerk van seksslavinnen exploiteerde.
is redacteur van de Volkskrant.
Over twee jaar viert Noam Chomsky zijn 100ste verjaardag. Er is geen andere auteur in leven die zo lang op zo veel verschillende vlakken zo productief is geweest. Chomsky (Philadelphia, 1928) heeft én een lange loopbaan achter de rug als taalwetenschapper én als filosoof-wereldbeschouwer én als politiek activist met anarchistische en libertair-socialistische overtuigingen.
Sinds speurders in het dossier-Epstein keer op keer op zijn naam stuiten, omschrijven Europese media Chomsky kort als ‘linkse intellectueel’. Maar Chomsky een ‘linkse intellectueel’ noemen is net zoiets als Donald Trump een ‘rechtse politicus’ noemen of Osama bin Laden een ‘islamitische strijder’.
In de rubriek ‘Reputaties’ kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
Voor de taalwetenschapper Chomsky werd in de vorige eeuw vaak het adjectief geniaal gebruikt. Chomsky sloeg in de linguïstiek een volstrekt eigen weg in. De chomskystische linguïstiek is niet een tak ván maar een tak náást de reguliere linguïstiek. Ook taalwetenschappers die er geen fan van zijn, erkennen doorgaans de doordachtheid ervan.
Je kunt eufemistisch zeggen dat de erkenning voor het werk van de activist en wereldbeschouwer Chomsky nooit zo unaniem is geweest. Maar dit werk heeft wel altijd de meeste aandacht getrokken. Dat Chomsky decennialang bij ’s werelds meest geciteerde auteurs hoorde, had weinig te maken met het bescheiden gezelschap dat zijn taalkundige werk kende.
Niemand die langer, vasthoudender en met meer argumenten dan Chomsky heeft geageerd tegen het kwalijks waarvan het Amerikaanse kapitalistische systeem bron en oorsprong is, tegen financieel imperialisme, tegen militair imperialisme, tegen militair-industrieel imperialisme, tegen machtsmisbruik, uitbuiting, onderdrukking, economische slavernij en nog zoveel meer.
In tegenstelling tot andere antikapitalistische activisten meed Chomsky emotie. Wat hij ook hekelde, zijn toon bleef koel en rationeel. Belangrijk in zijn gedachtegoed is zijn idee dat de reguliere Amerikaanse media steunpilaren zijn van het kapitalistische establishment. Decennia vóór extreemrechts op sociale media de aanval opende op de mainstreammedia, oftewel journalisten die aan de leiband van de autoriteiten zouden lopen, was dat al gedaan door Chomsky.
In 1988 publiceerde hij samen met Edward Herman het boek Manufacturing Consent. Daarin concluderen de auteurs dat alle gevestigde Amerikaanse media de belangen van politieke en financiële elites dienen en zelfcensuur toepassen. Vooral bij ogenschijnlijk kritische kwaliteitskranten als The New York Times is zelfcensuur aan de orde van de dag. Door alleen de ontsporingen van het systeem te bekritiseren, maar de diepere oorzaken onbenoemd te laten, dragen media bij aan een consensus dat er met het systeem zelf niets mis is.
In tegenkrachten binnen het systeem heeft Chomsky weinig fiducie. Beroemd is zijn uitspraak dat de VS in wezen maar één politieke partij kennen, de ‘Business Party’, met een Republikeinse en een Democratische vleugel. Ook beroemd: zijn inzicht dat, als het internationaal recht dat werd toegepast tijdens de Neurenberg- en Tokio-processen, was toegepast op het Amerikaanse buitenlandbeleid, íédere naoorlogse Amerikaanse president in de beklaagdenbank had gezeten.
Iedere Amerikaanse president was een product van dit systeem. Maar als er ooit iemand de verpersoonlijking was van álle perversies van dit systeem, dan was het ultrakapitalist, supernetwerker en jetsetkoning Jeffrey Epstein: deze durfinvesteerder exploiteerde naast zijn reguliere financiële imperium een netwerk van seksslavinnen dat hij ter beschikking stelde aan leden van de kapitalistische elite.
En daarom is het voor Chomsky’s reputatie zo funest dat uit het dossier-Epstein blijkt dat hij met Epstein nauwe omgang had; dat er in het dossier zelfs foto’s zitten van Chomsky in Epsteins privéjet.
Ze werden close toen Epstein de tegendraadse denker benaderde voor reputatie-advies, blijkt uit een reconstructie van The Wall Street Journal. Epstein kreeg in de 21ste eeuw gestaag meer negatieve media-aandacht. Omdat hij een belangrijke donateur was van het Massachusetts Institute of Technology en Chomsky daar doceerde, was het niet moeilijk hem te treffen.
Chomsky’s echtgenote bracht op 9 februari een verklaring naar buiten waarin ze stelt dat Epstein misbruik had gemaakt van ‘Chomsky’s principes over vrije discussie en cancelcultuur’. Chomsky was ‘te goeder trouw’ toen Epstein zich presenteerde als slachtoffer van trial by media.
De goedwillende Chomsky wist niet met wie hij in zee ging; een potsierlijkere verklaring laat zich lastig verzinnen.
Een aannemelijkere verklaring is dat Epstein behendig inspeelde op Chomksy’s tegendraadsheid en eeuwige sympathie voor mensen die ‘het establishment’ en vooral de kwaliteitskranten tegen zich krijgen. Chomsky’s e-mails aan Epstein spreken boekdelen. Hij beklaagt Epstein om ‘de vreselijke manier waarop je wordt behandeld in de pers en door het publiek’, te midden van ‘de hysterie die is ontstaan rond misbruik van vrouwen’.
Wie wordt besmeurd door The New York Times en The Wall Street Journal heeft bij Chomsky altijd een streepje voor gehad, conform het dictum ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’. Dat gold voor Epstein niet minder dan voor Pol Pot.
In een berucht artikel uit 1977, ‘Distortions at Fourth Hand’, plaatste Chomsky samen met Edward Herman vraagtekens bij de enorme dodentallen van het Rode Khmer-regime in Cambodja (destijds Democratisch Kampuchea) waarover Amerikaanse kranten berichtten. Chomsky en Herman vermoedden dat Amerikaanse militaire propagandaorganen de bron waren van berichten over killingfields.
Het is Chomsky decennialang nagedragen. Vele rechtse vijanden die hem rauw lustten noemden hem een ‘Pol Pot-apologeet’ en een ‘genocideontkenner’. Dat was niet terecht, want Chomsky had nooit met de Rode Khmer gesympathiseerd en erkende de Cambodjaanse genocide al eind jaren zeventig.
Een halve eeuw later blijkt de man die onterecht een sympathisant van rode terreur werd genoemd wél een sympathisant te zijn geweest van een ultrakapitalist die een seksslavinnennetwerk exploiteerde. Voor iemand met het geboortejaar 1928 had het makkelijk ernstige postume reputatieschade kunnen zijn. Voor de taaie Chomsky niet: hij maakt het nog zelf mee.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant