Olga Ravn Nét raar is de vertelstem in Kind van was van de Deense Olga Ravn, nét niet menselijk. Dat geeft een unheimisch tintje aan het bekende verhaal over heksenvervolging in de 17de eeuw, waarover ze nieuwe vragen weet op te werpen.
In een duister, beangstigend woud verliest iedereen zijn onschuld.
In Kind van was lezen we een bekend verhaal – een groep zeventiende-eeuwse vrouwen wordt beschuldigd van hekserij – op een manier die we niet kennen. De vertelstem in de roman is die van een wassen kind, vervaardigd door haar ‘mevrouw’ Christenze Kruckow. En wat een manier van vertellen heeft die pop! „Ik heb zo’n bodemloos schachtvormig verlangen naar de vrouw die me heeft geschapen”, lispelt het wassen kind vanuit het grafje. „Ik ben een innerlijk gebeuren”, en: „De trek van de tijdgeest is lang en zwaar, zo’n vierhonderd jaar heb ik mogen aanschouwen, en nu draait de geest zich op zijn andere zij, die grote slang in zijn corridorvormige nest, de tijden veranderen. Nu draait het wiel van de tijd, nu raken de oude ideeën onder de voet, nog even en jullie worden vermalen.”
Olga Ravn: Kind van was. (Voksbarnet) Vert. Michal van Zelm
Das Mag, 205 blz. € 22,50
Nét raar, is de stem, nét niet menselijk. Het kind ziet alles, al eeuwen, maar ervaart het niet, niet helemaal, of misschien ervaart het juist wel alles tegelijk: het niet-menselijke, het menselijke, en zelfs de losse onderdelen van het menselijk lichaam, bijvoorbeeld wanneer het leek „of Christenzes mond uit haar gezicht viel, zo graag wilde hij naar die van Maren”. Auteur Olga Ravn (Denemarken, 1986) levert daarmee in haar vierde roman een bewonderenswaardige prestatie, evenals, dat moet vermeld worden, haar vertaler Michal van Zelm, die er ook in het Nederlands in slaagt de verteller van Kind van was dat unheimisch atonale tintje mee te geven.
En het is ook weer eens wat anders dat de beschuldigde vrouwen niet de gebruikelijke onschuldige doch wijze kruidenvrouwen zijn. Dat wil zeggen: ze bedrijven magie, al weten ze niet zeker wat er onder ‘magie’ verstaan wordt. Het punt is namelijk dat iedereen magie bedrijft, of het in ieder geval tot niet al te lang geleden als vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven beschouwde. Tot dat niet meer mocht en de jacht op heksen geopend werd. Maar als je niet weet wat ineens magie genoemd wordt, hoe weet je dan wanneer je fout zit? Is een onschuldige bezwering fout? En welke vorm van hulp bieden (of ontvangen) is verkeerd? Welk kruidenmengsel? Ravn heeft in de roman recepten, bezweringen en instructies uit diverse originele bronnen overgenomen.
Aan het begin van de roman beschrijft ze hoe in Funen een bevallende vrouw altijd geholpen wordt door meerdere vrouwen, onder wie een vroedvrouw die erom bekendstaat dat ze de barenspijn van een vrouw kan overdragen naar iemand anders. Degene die de pijn overneemt „draagt de huidjurk”, en die last verdelen de vrouwen onderling. Als milde wraak op een mopperende echtgenoot krijgt hij ook de huidjurk even te dragen – gewoon, zoals het gaat. Wat wel jammer is, is dat de barende vrouw in kwestie miskraam na miskraam te verduren krijgt, gaat malen en uiteindelijk de vroedvrouw de schuld geeft. Waarop de vroedvrouw in haar wanhoop weer anderen aanwijst. Daar ga je al. Is samenzijn misschien al magisch?
Dat zou kunnen. Of niet. Maar dat het samenzijn van belang is, is zeker. De band tussen de vrouwen in het boek is sensueel, seksueel, vriendschappelijk, broederlijk, moederlijk. In hoofdstukken waarin vrouwen samenkomen om wol te kaarden of bier te drinken worden ze een prachtige anonieme massa: ze spreken, maar wie wat zegt wordt niet duidelijk. Het is steeds ‘iemand zei’, en dan vult een ander haar aan. Ze vertellen het verhaal van een ‘vrouwe op Baggesvogn’ die een vraag aan de duivel stelt: „Waarom niet aan een dominee? vroeg iemand. Dat maakt het juist zo’n goed verhaal, zei iemand.”
En net als de vrouwen komen ook de mannen samen. Om over de vrouwen te praten. Over de kosten van zo’n slepend heksenproces. Ze hebben al gelezen dat de vrouw een „kwaad en onvolmaakt dier” is, en dat waar veel vrouwen bij elkaar zijn, veel heksen zijn.
Zoals ook Christenze er een zou zijn. Het voelt wat curieus om de hoofdfiguur uit een roman pas zo laat in een bespreking uit te tekenen, maar omdat de vertelling zo zwaar leunt op juist het collectief is ze nu pas van belang. Een vrouw van adel maar zonder veel geld. Ze denkt soms dat het beter was geweest als ze als man was geboren, „verdedigen en je arm om iemand heen slaan en paardrijden en schermen”. Ondanks haar liefde voor de vrouw die gaat malen door het verliezen van zo veel kinderen, wordt ook zij van hekserij beschuldigd. Ze vlucht naar Aalborg, „de stad van haat”, aldus het wassen kind. Aldaar wordt ze algauw opgenomen in een hechte groep vrouwen (onder wie Maren, op wie ze smoorverliefd raakt) die uiteindelijk door dezelfde heksenjacht versplinterd raakt – een deel, onder wie Christenze, wordt gevangengenomen en krijgt een proces.
Ravn schreef met Kind van was – dat deze week ook op de longlist van de International Booker Prize terechtkwam – een historische roman die een beetje naast het genre huppelt: het volgt niet keurig de lijnen van de geschiedenis, concentreert zich niet op hoe het precies was, maar stuurt ons in de richting van hoe het had kunnen voelen. In werkelijkheid, schrijft Ravn in haar nawoord, duurde de Aalburgse zaak tien jaar. In de roman heeft ze er een jaar van gemaakt; een sterke keuze, zo houdt ze de spanning levend, terwijl ook het wachten slepend blijft. Het wassen kind zet ze in om de dwalende geesten van de gevangengenomen vrouwen te ontsluiten. Hoe ze erin gaan geloven. Ervan overtuigd zijn. Van hun schuld, hun onschuld, hun al dan niet magische krachten.
En de lezer? Die mag het zelf weten. Die mag zich, als ze zich kan overgeven aan de soms erg raadselachtige toon, verbazen over dat vreemde wassen kind, dat nieuws kan opvangen „via de reis van het lood door het bloed van de mensen”. Een bewustzijn dat ondanks dat het al vierhonderd jaar oud is, vers op aarde lijkt te zijn, naar eigen zeggen steeds opnieuw en in het niets hetzelfde verhaal vertelt, verteerd door het gemis naar „mevrouw”.
Op een bepaald moment doet het kind een oproep aan de lezer: „Ga naar mijn ligplaats, ik ben wakker. Ik begin te denken dat ik een mevrouw nodig heb om te kunnen lukken. Wie dit ook leest […] je moet mijn mevrouw zijn, mijn speld.” Het wassen kind verlangt naar het (horen van) leven: een van diens gelukkigste momenten was dat het op een kamer lag en onder zich de stemmen van Christenze en „haar compagnie” hoorde. „Daar, in de geborgenheid van de kamer, met het geruststellende geluid van de vrouwen, was alles goed, en sindsdien heb ik verbeten geluisterd, met mijn oren gezocht naar iets vergelijkbaars, maar zonder het te vinden, misschien, vanwege mijn eigen onvolkomenheden, […] mijn tekort aan merg.”
De vraag, zo blijkt, is niet of de vrouwen schuldig waren. De vraag is niet eens of ze het overleefd hebben. De vraag is: waar zijn we gebleven? Waarom komen we dat kind niet samen halen?
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews