Jeugdliteratuur Peter Pan werd opnieuw vertaald en Alice in Wonderland bewerkt. Wat is beter? Als je klassieke kinderboeken levend wilt houden – en dat begint ermee dat de doelgroep ze leest – is een moderne herschrijving dan niet effectiever dan een vertaling?
Je kunt rustig stellen dat Alice in Wonderland en Peter Pan levende monumenten zijn. De invloed van deze Britse (kinder)klassiekers van Lewis Carroll en James Barrie uit 1865 en 1911 op onze cultuur is enorm. Van Walt Disney tot I Am the Walrus van de Beatles, en van Mark Twain tot Steven Spielbergs Hook, vele schrijvers, filmmakers, kunstenaars en popmuzikanten vonden hun inspiratie in ‘Wonderland’ en ‘Neverland’.
Tiny Fisscher & Jeska Verstegen: Alice tuimelt in Wonderland.
Volt, 152 blz. € 19,99
J.M. Barrie: Peter Pan. Vert. Esther Ottens, illustraties Floor Rieder.
Gottmer, 269 blz. € 26,99
Even ter opfrissing: het eerste is Carrolls op de bodem van een konijnenhol gesitueerde wereld op zijn kop, waarin Alice zich moet verhouden tot allerlei gekken die haar hun eigen logica opleggen, zoals de heetgebakerde Hartenkoningin en eeuwig grijzende Cheshire Kat.
Het tweede verwijst naar het sprookjesdomein van Kapitein Haak en Peter Pan, een freudiaans avontureneiland dat een plattegrond is van Barries uit onstuimige kindergedachten opgebouwde verbeelding en zijn verlangen naar eeuwige jeugd symboliseert.
Die fascinatie voor het tweetal komt behalve door de boeken ook door de eindeloze speculaties over de geaardheid van hun geestelijk vaders en hun vriendschappen met kinderen. De ongetrouwde wiskundedocent Carroll schreef brieven aan allerlei meisjes, onder wie zijn muze Alice Liddell. Barrie, ongelukkig getrouwd en kinderloos, koesterde een diepe genegenheid voor de vijf zoons van bevriend stel Arthur en Sylvia Llewelyn. Aan hen vertelde hij de eerste verhalen over Peter Pan, de jongen die van zijn moeder wegvluchtte om voor altijd kind te kunnen zijn en plezier te maken, precies zoals volgens Barries moeder zijn broer David had gedaan door op twaalfjarige leeftijd te overlijden.
Zodoende blijven Alice en Peter voer voor literaire discussies en worden ze steeds weer herontdekt en hun avonturen herverteld. Recent nog zag een nieuwe Peter Pan-vertaling van Esther Ottens het daglicht met illustraties van Floor Rieder, en hebben klassiekerbewerker Tiny Fisscher en illustrator Jeska Verstegen zich na de nieuwste Alice-vertalingen van Imme Dros (2023) en Robbert-Jan Henkes (2024) met Alice tuimelt in Wonderland aan een bewerking gewaagd.
Ja, gewaagd. Vergeleken met een vertaling loopt een herschrijving meer risico dat de rode draad van het origineel uit zicht raakt. Maar Fisscher wilde van Alice in Wonderland weer een kinderboek maken. In radioprogramma De Taalstaat vertelde ze dat ze de oer-Alice voor kinderen „pittig” vindt. Nou wordt er wel beweerd dat het net als Peter Pan geen kinderboek is, maar dat is onjuist: beide romans zijn, passend bij het destijds heersende, romantisch-naturalistisch opvoedingsideaal, wel degelijk geschreven vanuit de belevingswereld van kinderen en vroege voorbeelden van literatuur zonder leeftijd. Maar eerlijk is eerlijk, hoe geslaagd veel Alice-vertalingen ook zijn, je kunt je inderdaad afvragen of de taalgrappen, de absurde (zins)wendingen, de pure gekte en zelfs de iconische illustraties van John Tenniel kinderen nog aanspreken. Dus als je (kinder)klassiekers levend wilt houden – en dat begint ermee dat de doelgroep ze leest – is een moderne herschrijving dan niet effectiever dan een vertaling?
Neem Esther Ottens’ vertaling van Peter Pan. Het is prijzenswaardig dat ze Barries tekst daar waar mogelijk vernuftig heeft aangepast aan onze tijd. Zo verving ze terecht Barries brabbelende indianen voor welsprekende „eilanders” en is er een fijne balans tussen eigentijdse en archaïsche woorden (zoals „causeur” en „boudoir”). Maar dat maakt het verhaal over Peter Pan die met elfje Tinkelbel de slaapkamer van de kinderen Schat (Wendy, Jan, Michiel) binnendringt en ze „op de rug van de wind” meevoert naar Nooitland, op bepaalde punten niet minder gedateerd.
Dat er in de eindstrijd tussen Pan en Haak voortdurend koppen rollen is nog tot daaraan toe: vanaf de openingsbladzijden maakt Barrie duidelijk dat er een verschil is tussen een echt en verzonnen eiland en alles maar ‘alsof’ is: „Op deze betoverende kusten laten spelende kinderen eeuwig en altijd hun biezenbootje op het strand lopen”, richt hij zich tot de volwassen (voor)lezer. „Ook wij hebben het gedaan; we kunnen het geluid van de branding nog horen, maar aan land gaan we niet meer.” Onbegrijpelijk conservatief echter is Wendy’s passieve moederspel waarbij ze kookt en stopt en naait voor Peter en de verloren jongens.
Dat Rieders unieke, grafische prachtillustraties, gemaakt met een kraspen op zwartgeverfde glasplaten, Peter Pan een moderne(re) uitstraling geven, verandert dat niet: ook al oogt Wendy nog zo stoer met haar felgroene petje met propellers, de tekst laat zich niet verloochenen.
Zou een ondernemender en stoutmoediger Wendy niet geloofwaardiger zijn, zoals in Disneys Peter Pan & Wendy (2023)? Daarin zegt ze: „This magic belongs to no boy!” – en zo is het. Peter Pan is ‘jeugd en vreugde’ en staat symbool voor alle kinderen.
Een klassieker herschrijven hoeft geenszins ten koste te gaan van de essentie van het origineel, zo bewijzen Fisscher en Verstegen. Ja, dat Fisscher de meeste van Carrolls beroemde nonsensgedichten heeft geschrapt, is best discutabel. Vooral vanwege haar argument ‘die waren veels te 1865’, zoals ze stelt in het afsluitende ‘Nog even nakaarten’. Is nonsensicale humor juist niet tijdloos? Daar staat tegenover dat Fisscher veel speelse en knappe (vertaal)oplossingen heeft gevonden voor alle woordgrappen, dubbelzinnigheden en bizarre situaties die Carrolls boek karakteriseren.
Leuk bijvoorbeeld is hoe Alice „in de knoop raakt” nadat ze door het eten van een koekje plotseling „uitschuift als een reuzetelescoop” en twijfelt aan wie ze is. Ook de dialoog tussen Alice en de hoedenmaker over de tijd zit vol vernuft. Fisscher negeert de voor kinderen lastige kwestie of „de Tijd” een hem of haar is, maar speelt een eigen vrolijk, associatief spel met de tijd die je kan „verspillen” en „doden”, of die „erop kan zitten’. En ronduit geestig is Fisschers introductie van de Cheshire kat. „Ach, hoe dat beest allemaal al niet is genoemd”, laat ze de hertogin verzuchten. „Kolderkat, Grijnskat, Lachjeskat, Grapkat, Gniffelkat […]. Terwijl hij gewoon Lapjeskat heet […], omdat-ie je altijd voor het lapje houdt.”
De rol van illustrator Jeska Verstegen mag niet worden onderschat. Haar kleurrijke illustraties ademen een surreële sfeer die de droomwereld waarin Alice belandt een extra dimensie geeft. Heerlijk vervreemdend is haar letterlijke interpretatie van Alice in de knoop. En de hallucinante dubbele pagina waarop een rups Alice door een caleidoscoop aanschouwt (oorspronkelijk lurkt hij aan een waterpijp) en ze in fragmenten uiteenvalt tegen een achtergrond van duizelingwekkende patronen, is ronduit briljant. Dit verbeeldt Alice in Wonderland zoals Carroll het heeft bedoeld: een meisje in complete verwarring in een dolgedraaide wereld zonder houvast, nieuwsgierig zoekend naar haar eigen vorm.
Deze sprankelende Alice in haar blokkenjurkje en zebrakousen zal de nieuwe in een hoodie gestoken Peter Pan vermoedelijk overleven. Niet omdat Ottens en Rieder geen razend knap werk hebben geleverd, maar omdat Fisscher en Verstegen hebben begrepen dat literaire monumenten pas echt tot leven komen als ze gelezen worden.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews