Norbert Peeters | botanisch filosoof ‘Kolonisten’, ‘invasievelingen.’ Zo worden planten genoemd als ze zich vestigen in een nieuw gebied. De opvattingen van biologen daarover zijn in de loop der jaren nogal veranderd.
Filosoof Norbert Peeters in de Leidse Hortus Botanicus.
Op het balkon van botanisch filosoof Norbert Peeters (40) groeit Japanse duizendknoop – de soort die vaak in weinig vleiende bewoordingen ter sprake komt als het om invasieve exoten gaat. Het zou ‘de ninja onder de agressieve planten’ zijn, een horrorplant, een ‘groen monster’ dat moet worden uitgeroeid. En toch was de soort twee eeuwen terug nog een graag geziene tuingast, speciaal uit Japan geïntroduceerd als sierplant. In die hoedanigheid groeit de duizendknoop ook bij Peeters op het balkon. „In een pot, zonder woekerende ondergrondse wortelstokken. Gewoon, als verfraaiing van ons uitzicht en als habitat voor allerlei insecten. Ik heb er zelfs inheemse kevers in ontdekt die zaten te smullen van het loof.”
De Japanse duizendknoop is een van de vele exoten die opduiken in Peeters’ proefschrift. Eind januari promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op de begripsgeschiedenis van de invasie-ecologie. Met andere woorden: hoe veranderde door de tijd heen het vakgebied dat bestudeert hoe plantensoorten door menselijk toedoen in nieuwe gebieden terechtkomen en zich daar succesvol vestigen? Werd er een paar eeuwen terug wezenlijk anders tegen niet-inheemse planten aangekeken dan nu? Peeters: „Je hebt natuurlijk ook volop dieren die je als invasieve exoten kunt beschouwen – van de halsbandparkiet tot aan de huiskat – maar die heb ik voor mijn onderzoek buiten beschouwing gelaten.”
Vaak wordt de Britse bioloog Charles Elton gezien als de grondlegger van de invasie-ecologie, met de publicatie van zijn boek The Ecology of Invasions by Animals and Plants in 1958. „Maar introductie van nieuwe soorten is sowieso van alle tijden”, vertelt Peeters in het café van de Leidse Hortus Botanicus. „Neem alleen al de witte paardenkastanje, die in de zestiende eeuw door directeur Carolus Clusius hier in de Hortus werd geïntroduceerd en nu niet meer is weg te denken uit ons land.” En de Britse filosoof Francis Bacon maakte in zijn postuum uitgegeven boek Sylva sylvarum (1627) al gewag van „aarde die uit Indië en andere verre landen werd gehaald als ballast van schepen”, en die in Italië „buitenlandse kruiden voortbracht, voor ons in Europa onbekend”.
In zijn kloeke – direct ook in boekvorm verschenen – proefschrift neemt Peeters in het bijzonder de achttiende en negentiende eeuw onder de loep, van de Zweedse botanicus Carolus Linnaeus (1707-1778) tot en met Charles Darwin (1809-1889). Want juist die twee beroemde biologen zetten invasieve exoten beiden op geheel eigen wijze op de kaart.
Linnaeus is, aldus Peeters, de eigenlijke ‘aartsvader’ van de invasie-ecologie. Hij bezocht, als twintiger, de Leidse Hortus – er staan tegenwoordig maar liefst twee standbeelden van hem in de botanische tuin. „Hij was in Nederland om te promoveren, op een flinterdun proefschrift over malaria, maar dat was slechts een van de tweehonderdvijftig proefschriften die hij gedurende zijn leven zou schrijven. Een daarvan, De Coloniis Plantarum uit 1768, is de eerste gedegen studie over wat hij ‘plantenkolonisten’ noemt. Hij schrijft over planten als ‘landverhuizers’ die ‘burgerrechten’ kunnen verwerven – en die daarbij al dan niet een handje worden geholpen door de mens.”
Driekwart eeuw later was het Charles Darwin die als eerste met de term ‘invasie’ kwam in relatie tot niet-inheemse planten. Tijdens zijn reis met de Beagle zag hij in 1833 op de Argentijnse pampa’s de opmars van de kardoen, een artisjokachtige groente die door de Spanjaarden vanuit het Middellandse Zeegebied was meegevoerd. Of zoals hij het zelf later beschreef: „Ik betwijfel of er enig geval bekend is van een invasie op zo’n grote schaal van één plant ten koste van inboorlingen. Zoals ik al zei, heb ik de kardoen nergens gezien ten zuiden van de Salado, maar het is waarschijnlijk dat naarmate dat land bewoond wordt, de kardoen zijn grenzen zal verleggen.” Peeters: „Meer dan Linnaeus zag Darwin de vernietigende gevolgen. Hij realiseerde zich dat de komst van de kardoen ten koste ging van de oorspronkelijke soorten, de aborigines.”
In de eeuwen daarna zouden de termen ‘kolonist’ en ‘invasie’ vaker gebruikt worden met betrekking tot exoten; volgens de hedendaagse Britse bioloog Mark Williamson zijn het naast ‘onkruid’ zelfs twee van de meest gebezigde termen binnen de invasie-ecologie. Peeters: „Wat opvalt aan De Coloniis Plantarum is dat het lijkt in te druisen tegen het algemene gedachtegoed van Linnaeus. In zijn ogen had God elk schepsel een blijvende plaats gegeven, maar nu was er dus juist sprake van plantenmigratie. Om dat met elkaar te kunnen rijmen, gaf hij er een eigen draai aan. De succesvolle plantenkolonisten kwamen niet zozeer terecht op vreemde plaatsen, maar in bodems die eigenlijk al klaarlagen voor hun komst.” Schadelijk zijn die exoten niet in de ogen van Linnaeus. Integendeel: hij beschouwt ze als buitenlandse ‘legionairs’ die het ‘Europese veteranenleger’ komen versterken. Peeters: „Alleen met betrekking tot exoten in akkers maakt hij gebruik van negatieve beeldspraak; dan heeft hij het over een ‘infectie’.”
Die aanvankelijk milde bejegening van invasieve exoten staat haaks op de manier waarop er tegenwoordig over wordt gesproken. Ziektemetaforen zijn nog altijd in trek – denk aan ‘bospest’ (de bijnaam voor Amerikaanse vogelkers) en ‘brede waterpest’. Ook militaire metaforen hebben inmiddels een negatieve bijklank. Januari jongstleden presenteerde de Nederlandse regering het Landelijk Aanvalsplan Invasieve Exoten, waarin termen als ‘eliminatie’ worden gebruikt. En in een rapport van het internationale biodiversiteitsplatform IPBES werden invasieve exoten zelfs als een van de ‘ruiters van de biodiversiteitsapocalyps’ aangeduid. „De nuance raakt zoek door zulke uitspraken. Metaforen vertekenen, sturen, beknotten. Daardoor lijken steeds meer nieuwkomers opeens potentieel bedreigend.”
Je kunt niet zeggen dat een soort een invasieve exoot ís, benadrukt Peeters. „De term is altijd contextafhankelijk. De Britse antropologe Mary Douglas schreef in 1966: ‘Schoenen zijn van zichzelf niet vies, maar het is vies om ze op de eettafel te zetten.’ En zo is het ook met exoten, in Japan is ónze heggenduizendknoop een exoot, in plaats van andersom. En de planten die we in de vrije natuur invasief vinden, hebben we soms maar al te graag in onze tuinen groeien. De scheidslijn is heel arbitrair. Soorten die zorgen voor economisch gewin, zoals de cranberry, verwelkomen we met open armen.”
Ook door de tijd heen kan de zienswijze veranderen. „De Japanse duizendknoop werd eerst nota bene gezien als versteviger van spoortaluds; nu wordt hij er met wortel en tak uitgerukt.” Of je als plant binnen of buiten het hokje ‘invasieve exoot’ valt is kortom niet altijd eenduidig vast te stellen. „De grenzen van het hokje zijn steeds in beweging.” Andersom worden in Nederland inheemse duizendknoopsoorten nú weliswaar als slachtoffer van hun succesvollere Japanse soortgenoot gezien, maar werden ze vroeger zelf juist verfoeid als akkeronkruid.
In principe heeft élke plant de potentie in zich om te woekeren, zegt Peeters. „Maar vaak worden soorten in toom gehouden door elkaar, door hun omgeving. Het succes van de exoten schuilt er vaak in dat ze in beginsel geen concurrentie te duchten hebben. Maar geen soort kan eindeloos dominant blijven – er zullen altijd kapers op de kust komen die de pionier ontdekken als voedselbron of schuilplek. En als je ze direct weghaalt dan heb je wéér kale oevers en bermen, waarmee je juist een tafeltje-dekje voor nieuwe exoten creëert.”
De invasieve exoten helemaal uitroeien is sowieso een illusie, benadrukt hij. „Soms zijn er zelfs al hybriden ontstaan; kruisingen tussen invasieve exoten en hun inheemse tegenhangers, zoals de Boheemse duizendknoop een hybridisering is van de Sachalinse en Japanse. De vraag is in welk hokje die dan weer moeten worden ingedeeld.”
Als botanisch filosoof en schrijver is Peeters al jaren bezig om planten uit het verdomhoekje te halen. „Invasieve exoten hebben te maken met negatieve pr, maar heel veel inheemse planten hebben überhaupt geen pr. Te vaak lijden mensen nog aan plantblindheid: ze kunnen de ene soort niet van de andere onderscheiden.” Of zoals Linnaeus ooit zei: „Ik weet niet, wat mijn landsgenoten betoverd heeft, dat zij zich volledig met vreemde planten bezighouden, terwijl ze de planten die ze dagelijks met voeten treden, geheel verwaarlozen.”
En dus is Peeters, naast zijn werk als universitair docent in Wageningen, onvermoeibaar in het geven van lezingen en het schrijven van boeken. Drie jaar geleden bracht hij, samen met conservator Esther van Gelder van de Koninklijke Bibliotheek, een heruitgave van de Flora Batava uit – het eerste overzicht van wilde planten in Nederland, dat tussen 1800 en 1934 in 28 delen verscheen. Het boek belandde in de CPNB-bestseller top-60, het achtuurjournaal besteedde er aandacht aan.
„Maar planten hebben nog een lange weg te gaan. Aristoteles deelde ze op zijn ‘ladder der natuur’ al lager in dan dieren, en die hiërarchie zie je nog altijd. Waar beroemdheden als Paris Hilton en Leonardo DiCaprio grof geld investeren in projecten om oertijddieren als de mammoet of de sabeltandtijger weer tot leven te wekken, is er geen miljardair die z’n geld zou geven aan een planten-de-extinctieproject.”
Het wordt tijd om minder zwart-wit naar exoten te kijken, concludeert Peeters. „Ik zou het mooi vinden als overheidsinstanties zich niet blindstaren op beheer en beheersing maar ook aandacht schenken aan woordkeuze en beeldspraak en aan de positieve kanten van sommige invasieve exoten. Hun schoonheid, hun ecologische waarde, hun smaak – van de Japanse duizendknoop schijn je bijvoorbeeld heerlijke taart te kunnen maken.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin