Home

Als een ode aan Ng wilde ik gisteravond nog één keer babi pangang eten

Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant.

Diep ontroerd kwam ik uit Meer dan Babi Pangang, de documentaire waarin filmmaakster Julie Ng op zoek gaat naar haar Chinese wortels. Zij doet dat met gevoel voor humor, en de milde ironie waarmee zij de onnozelheid van ons Nederlanders verbeeldt, kan dienen als een toonbeeld van beschaving. De vader van Ng – spreek uit ‘zing’, maar zonder de z – dreef een Chinees-Indisch restaurant in Sint-Oedenrode (Lotus) en later in Rozenburg (Golden House). In die hoedanigheid serveerde hij zijn Hollandse gasten op verzoek veelvuldig babi pangang, maar zelf at hij het nooit. Ook Julie at het nooit.

Ze keken wel uit!

Sinds H.J.J. Wubben het boek Lotgevallen van Chinese immigranten in Nederland, 1911-1940 publiceerde, weten we hoe slecht Chinezen in Nederland zijn behandeld. Ik schreef daar al eens over. Een Chinees die verliefd werd op een Hollandse vrouw kon van straat geplukt worden. Om een eigen restaurant te beginnen, was een stroman nodig. Werden ze getolereerd dan trokken ze zich terug, zoals in de Amsterdamse Binnen Batammerstraat, waar je als toppunt van treurigheid de eerste opiumkit kon vinden.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

In 1931 sprak mr. J. Donner, de minister van Justitie, over ‘Chineezen en ander Aziatisch ongedierte’. Uitgescholden worden was voor Chinezen heel gewoon. Nog in 1993 omschreef het CDA-Kamerlid Wim Mateman de Chinese leiders als ‘bejaarde spleetogen’. Hij deed dat nota bene op een spreekbeurt in Staphorst, waar tegenwoordig – zo leerde ik uit de documentaire – de Ebbinge Wubbenlaan ligt, die ook wel ‘de Chinezenweg’ wordt genoemd. Deze weg is in 1941 aangelegd door werkloze Chinezen, die door de Duitsers als halve dwangarbeiders werden ingezet. Mogelijk heeft over diezelfde Chinezenweg ooit een mestkar gereden met een overspelige vrouw op de bok, een volksvermaak dat tot in de jaren zestig niet ongebruikelijk was in Staphorst. Verder zie ik tegenwoordig Arend Jan Boekestijn weleens gezellig meelullen bij Vandaag Inside. Misschien was dat aan hem voorbijgegaan en was hij minister of ambassadeur geworden, wanneer hij niet in een tweet over het aantal onder Mao vermoorde Chinezen had geroepen: ‘Ja, ik zie wel eens een spleetoog over het hoofd, het zijn er zoveel.’

In mijn jeugd heb ik veel babi pangang gegeten: het was goedkoop, veel en op een bepaalde exotische manier lekker. Nederlandse huisvrouwen gingen in diezelfde tijd sherry drinken. Ik begon er anders tegenaan kijken toen ik de sinoloog Kristofer (Rik) Schipper (1934-2021) ontmoette en met hem een reis door China maakte. Hij moest al lachen als hij op een pui ‘Chinees-Indisch restaurant’ zag staan. Dat was voor hem zoiets als een etablissement waar je Frans-Italiaans of Grieks-Portugees kunt eten. Veel Chinese restauranthouders wisten hoe je die Nederlanders met hun kinderlijke eet- en prakcultuur moest inpakken. Op het Mercatorplein in Amsterdam had je lange tijd een Chinees die Ajax heette. Inderdaad schijnt er een Chinese mythologische figuur te bestaan met een bal, de Gele Keizer, maar die moet je vooral niet verwarren met Piet Keizer.

Dat Nederlanders naar de Chinees gaan om een rijsttafel te bestellen, vervulde Rik met verbazing. Net als babi pangang is de Indische rijsttafel – tientallen bakjes op rechauds neergezet – een uitvinding van hongerige Hollanders die aan één gerecht niet genoeg hadden. Authentiek Chinees eten vind je in ons land bijna nergens, al doen ze hun best bij Sea Palace achter het Amsterdamse Centraal Station. Een echte Chinees gebruikt alleen verse vis die nooit bevroren is geweest en in die is in ons land moeilijk te krijgen. In China nam Schipper mij mee naar een restaurant, dat er tot mijn verbazing uitzag als het aquarium van Artis. Overal enorme bassins met allerlei soorten vissen, waarvan je er eentje kon aanwijzen die vervolgens voor je ogen werd gevangen en levend met een scherp mes in motjes werd gehakt. Even later lag hij op je bord. De kordaatheid bij het doden doet je even slikken, maar wil je in Europa ook zo Chinees eten dan doe je dat het best in Parijs.

Dankzij Julie Ng is babi pangang erkend als Nederlands erfgoed en heeft het in de Hollandse keuken een plekje veroverd tussen de boerenkool met worst en de kapucijners met spek. Terecht natuurlijk, want zelfs de zoetzure saus die er overheen gaat, komt oorspronkelijk niet uit China maar uit Brabant. Als een ode aan Ng wilde ik gisteravond nog één keer babi pangang eten. Dat viel niet mee, want vrijwel alle Chinees-Indische restaurants in mijn buurt zijn opgedoekt. Zo jong nog en het erfgoed staat nu al onder druk. Gelukkig lag bij Albert Heijn om de hoek de babi pangang nog als kant-en-klare maaltijd in het schap. Ik prikte er gaatjes in en zette hem in de magnetron. Het resultaat: niet te vreten. Maar de documentaire is zeer aan te bevelen.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next