Marit Törnqvist, wier werk nu te zien is in Museum Kranenburgh in Bergen, is kinderboekenschrijver en illustrator. Maar ze is ook activist. Voor het klimaat – ze is net terug uit Antarctica – en voor uitgeprocedeerde asielzoekers. ‘Alles wat ik meemaak, neem ik mee in mijn werk.’
is kunstredacteur voor de Volkskrant en schrijft over fotografie en beeldende kunst.
Het licht. Dat is, zegt Marit Törnqvist (62), net terug van een verblijf van vijf weken in Oost-Antarctica, het eerste waaraan ze weer moet wennen. Hier, in Amsterdam, is vandaag alles grijs. Daar scheen 24 uur per etmaal fel de zon, weerkaatst door de sneeuw.
Moeilijk, als je wilt gaan slapen. Aan de andere kant: ze kreeg er ongelooflijk veel energie van. ‘Maar dat had niet alleen met het licht te maken. Je hebt ook veel minder prikkels. Ik had niet verwacht dat ik het er zo fijn zou vinden.’
We zitten in de keuken van haar huis in de binnenstad. De aanleiding voor ons gesprek is tweeledig: in Museum Kranenburgh in Bergen is een tentoonstelling te zien van haar prachtige werk – Törnqvist, geboren in Zweden, op haar vijfde naar Nederland verhuisd, is een gelauwerd kinderboekenillustrator en -schrijver. Ze illustreerde boeken van Astrid Lindgren, Toon Tellegen, Hans en Monique Hagen, en maakt zelf (prenten)boeken.
Haar tekeningen zijn poëtisch, subtiel, betoverend, met een groot gevoel voor kleur, voor sfeer. Ze zuigen je het verhaal in, dat is wat ze doen.
Maar we gaan ook praten over haar activisme. Törnqvist is de drijvende kracht achter Een boek voor jou, een bloemlezing van de mooiste verhalen, gedichten en illustraties uit de Nederlandstalige kinderliteratuur, vertaald naar onder andere het Arabisch, Somalisch, het Koerdisch. Die bloemlezing wordt als welkom uitgedeeld aan kinderen in azc’s.
In Iran is ze betrokken bij ‘Read with me’, dat kwaliteitsboeken toegankelijk maakt voor kinderen die daar niet automatisch mee in aanraking komen. Ze was nauw betrokken bij het initiatief: veertig mobiele bibliotheken, meer een soort boekenkastjes op wielen, die naar plekken worden gereden waar bibliotheken zijn gesloten omdat ze verboden zijn.
Een stille revolutie, kun je het noemen, het regime heeft het initiatief nog niet op de korrel. ‘Moet je voorstellen hoe belangrijk het is dat kinderen die niet opgroeien met vrijheid van meningsuiting, verhalen te lezen krijgen uit Iran maar ook uit Europa, die gaan over over liefde, over moed, over allerlei universele emoties. En die je daarmee een beetje het gevoel kunt geven dat ze het roer in handen kunnen nemen.’
En vier jaar geleden werd ze uitgenodigd door een hoogleraar fysische geografie van
de universiteit van Stockholm. Of ze mee wilde met een groep wetenschappers die onder de naam IQ2300 een groot onderzoek ging doen naar het smeltproces in Oost-Antarctica, resulterend in voorspellingen voor de komende tweehonderd jaar. Törnqvist kreeg daarbij de opdracht een ‘impactgroep’ samen te stellen die met het verhaal rond de expeditie een ander publiek kan bereiken dan de wetenschappers zelf.
Dat werd een klein team: zij, journalist Bram Vermeulen en fotograaf Kadir van Lohuizen. ‘Bram en Kadir gaan twee afleveringen maken voor VPRO’s Frontlinie. Ik ga een prentenboek maken. Maar we willen ook heel graag nog iets met z’n drieën doen. Het liefst voor alle leeftijden.’
De reis naar Antarctica was in zekere zin de afsluiting van een moeilijk jaar. In februari 2025 overleed Törnqvists man. ‘Ad wilde ontzettend graag dat ik naar Antarctica ging, hoe vaak ik ook tegen hem zei: het is belachelijk, ik doe het niet. Hij kende mij zo goed, hij wist dat deze reis mijn genezing zou worden.’
Welke beelden van Antarctica dringen zich, nu je weer thuis bent, het meest op?
‘Dat probeer ik nu natuurlijk te vangen. Ik was gisteren in mijn atelier om wat dingen uit te proberen. Dan besef je weer hoeveel clichés er bestaan over Antarctica. Turquoise zee met witte ijsschotsen en daarop een pinguïn. Maar zo ziet het er helemaal niet uit.
‘Een van de locaties die we bezochten, de Duitse onderzoeksbasis Neumayer Station III, staat op een ijskap van tweehonderd meter dik. Daaronder ligt de oceaan. Het ziet eruit als soort frontlinie, met gigantische ijsbergen, gruis van ijsstukken, schotsen, alles door elkaar, en daar springen dan pinguïns en zeehonden doorheen. Ik keek daar naar een soort oerleven. Zoals de planeet moet zijn geweest als wij ons niet alles hadden toegeëigend.
‘Een andere locatie was meer in het binnenland. Daar was het alsof je in de ijstijd rondwandelde. Je loopt over een ijsvlakte van duizenden meters diep, je ziet alleen hier en daar een topje van een berg erbovenuit steken.
‘En soms zie je helemaal niks. De grond is wit, de lucht is wit, je ziet geen verte, je weet alleen dat het landschap zo nog honderden kilometers doorgaat.’
Welk effect had dat op je?
‘Dat is bijna een te grote vraag. Je bent gewoon bezig met je eerste basisbehoeften. Ben ik veilig? Heb ik eten? Een plek om te slapen? Ben ik warm? Pas dan kun je aan iets anders denken, in mijn geval: welk verhaal kan ik hier vinden? En wat ga ik vertellen in een kinderboek? Als ál het ijs op Oost-Antarctica smelt, wat onwaarschijnlijk is, stijgt de zeespiegel 52 meter. Een paar meter is ook al een drama. Maar zo angstaanjagend wil ik het niet maken, anders wil niemand het boek meer kopen.
‘Bovendien: ik wil meer in het boek vangen dan onheil. Ik wil de schoonheid laten zien van zo’n plek die helemaal leeg en ongeschonden is. En ik wil kinderen, en hun ouders, laten zien dat het zin heeft als je besluit iets te doen of te laten voor het klimaat. Ik weiger me neer te leggen bij het mantra: in mijn eentje kan ik de wereld niet veranderen. Kijk naar die wetenschappers die allemaal één klein onderzoekje doen, maar samen wel een continent anderhalf keer zo groot als de Verenigde Staten in kaart brengen. Als zij dat kunnen, waarom zouden wij dan niet in staat zijn om allemaal één kiezelsteen van die grote berg te verleggen?’
Begint elk boek van jou met beeld?
‘Dit keer in ieder geval wel. Weet je wat ik zo bizar vond? Ik ben nog nooit op een plek geweest die van niemand is. Ik heb veel door Iran gereisd, en dan dacht ik nooit: laat ik eens een boek over Iran maken. Dat kunnen de Iraniërs zelf namelijk beter. Maar bij Antarctica dacht ik: ik kan het helemaal maken zoals ik het wil. Elke interpretatie is gerechtvaardigd.
‘Ik had op één locatie een eigen werkplek. Daar ben ik al een beetje begonnen met experimenteren. Hoe vang je een ijsmassa? Hoe voelt sneeuw? Is dat bij wijze van spreken een prop papier die je weer gladstrijkt? En wat gebeurt er als je de spiegelingen in de sneeuw naar paars brengt, of naar grijsblauw, of naar nog heel andere kleuren? Komt het dan dichter bij het gevoel dat je daar hebt?
‘Wat ik heel leuk vind is dat ik in dit boek een natuur ga weergeven die ik nooit eerder had meegemaakt, met een kleurenspectrum dat ik nooit heb gebruikt. Ook de plek waar dit verhaal zich gaat afspelen is nieuw voor me. Een heel raar gebouwtje op poten, onherbergzaam in de wind, met ijzeren trappen, een bijna industrieel barakje, zoiets heb ik nog nooit getekend. Hoe leuk is het om dat opeens te doen?’
In Kaapstad, op de terugweg naar huis, postte je een bericht op Instagram: ‘Ik ben overweldigd door een vreemd verlangen naar een plek waar ik nooit meer zal komen.’
‘O, ik vond het er fantastisch. Ik had er gemakkelijk nog weken kunnen blijven. Op een bepaalde manier deed het me denken aan mijn tijd op de Rietveld Academie. Het studieuze schilderen zonder direct doel – dat had ik niet meer gedaan sinds die tijd. Alleen maar bezig bent zijn met de vraag: hoe vang ik wat er in mijn hoofd zit in beeld?’
Haar moeder is Rita Törnqvist-Verschuur, schrijver en vertaler van de boeken van Astrid Lindgren, haar vader was literatuurwetenschapper. Dat ze zelf illustrator van kinderboeken zou worden, was na het basisjaar op de Rietveld al duidelijk: ‘Mijn beelden waren vertellend, zeiden de docenten, en ook heel toegankelijk. En het klopte ook, hoor, ik heb een manier van kijken naar de wereld die lijkt op hoe kinderen kijken. En zo maak ik mijn beelden ook.’
Hoe zou je dat omschrijven?
‘Direct. Eerlijk. Niet verhullend. Ik ben niet iemand van l’art pour l’art, zeg maar. Ik wil iets vertellen, en ik stel alles in dienst om dat over te brengen. Dat kan door materiaalgebruik zijn, of door woorden. Als het maar communiceert.’
Je debuteerde als illustrator van Astrid Lindgrens kinderboek Een kalf valt uit de hemel. Dat was het begin van een lange samenwerking. Wat herkenden jullie in elkaar?
‘Ik denk dat we allebei iets betrekkelijk leeftijdsloos hebben. Ik bedoel, ze was natuurlijk een oudere vrouw met veel levenservaring, maar tegelijkertijd was ze speels als een kind. Ik had het gevoel dat we in onze gesprekken alle kanten op konden, dat de deuren in haar hoofd allemaal openstonden – naar het lichte, naar het serieuze. Dat is iets wat ik als streven heb, en dat in de kiem al aanwezig was bij mij.’
Voorafgaand aan haar vertrek naar Antarctica had ze contact met schoolkinderen in haar buurt over de reis die ze ging maken. ‘Als ik zo’n klas binnenkom, voel ik al wat ze van me willen weten. Die kinderen hielden niet op met vragen.’
Met welke leeftijd ben je het best?
‘Deze kinderen waren 9, 10 jaar oud. Dat is een fijne leeftijd. Want ze hebben al wel kennis, maar ze zitten nog niet in de puberteit, en in het groepsgedrag, het schamen.
‘Tijdens mijn verblijf hebben ze me een hele lijst met vragen gestuurd. Maak je ook sneeuwpoppen? Lig je boven of onder in het stapelbed? Naar welk eten verlang je? Ik schreef speciaal voor hen 150 bladzijden vol in een dagboek. Dat je bij storm een deur met z’n tweeën moest openen, omdat je anders een arm kon breken. Dat de wetenschappers op een dag tweehonderd plastic zakjes vulden met sneeuw, en dat ik even ging meehelpen, maar na een paar minuten weer naar binnen ging om mijn handen te warmen aan een kop koffie. Maar ik vertelde ze ook over mijn gedachten over politici die klimaatverandering amper in hun verkiezingsprogramma opnemen.
‘Op de Duitse basis vroeg iemand of zij dat dagboek mocht lezen. Geen sprake van, zei ik, ik heb het voor kinderen geschreven, dat is van hen. Dat maakte dat ik me vrij voelde om te schrijven.’
En dat is voor volwassenen anders?
‘Zeker. We hadden het net over Astrid en mij, over het kind in ons. Ik hou gewoon heel erg van met kinderen optrekken, ik mis het als er weinig kinderen in de buurt zijn. Dat heeft ook met ontspanning te maken. Bij kinderen heb ik niet het gevoel dat ik op mijn tenen hoef te lopen, dat ik ergens bij moet horen.’
Verborgen verhalen heet de tentoonstelling die Museum Kranenburgh heeft gemaakt van Törnqvists veelbekroonde oeuvre. In de ene zaal,‘Marits atelier’, toont ze tekeningen die voor haar een bijzondere betekenis hebben. Haar zelf ontworpen trouwkaart met daarop een huwelijksbootje. Een tekening van een bos uit Lindgrens Ronja de roversdochter, gemaakt voor Junibacken, het Zweedse museum dat de boeken van Lindgren driedimensionaal tot leven brengt. Een tekeningetje, inktzwart, van een meisje op een omgekeerde wastobbe dat samen met haar kat naar de sterren kijkt.
In de andere zaal hangen de originele tekeningen van vijf van haar beroemdste boeken, van Jij bent de liefste (met Hans en Monique Hagen, 300 duizend exemplaren verkocht) tot Pikkuhenki van Toon Tellegen, over een piepklein heksje dat een revolutie ontketent. Haar laatste boek, Schildpad en ik, gaat over een jongen die vriendschap sluit met een schildpad, maar meer nog over de zoektocht naar waar je vandaan komt en wie je wilt zijn.
Opvallend veel meisjes zie je op de tekeningen – alleen op een balkonnetje, op een dak, op een eiland. Het gelukkige eiland, zo heet een van haar eigen boeken, prachtige tekeningen van een meisje op zoek naar een gelukkig eiland, en dat blijkt precies dat ene eiland te zijn ‘waar niets en niemand is en alles nog kan gebeuren’.
Het is voor haar een noodzaak, zegt ze, om zich af en toe terug te trekken op een plek waar ze alleen is. In haar atelier, verboden terrein voor anderen. In haar huis in de natuur in Zweden, waar ze als twintiger in een moeilijke periode in haar eentje naartoe ging, en midden in de nacht ging langlaufen en hertjes door het bos zag lopen onder een volle maan.
‘En dan ging ik daarna binnen, de houtkachel aanmaken, en dacht ik: o, wacht, als ik alleen maar met mezelf ben, dan is het goed. Als ik in mezelf stevigheid kan vinden, dan kan ik de wereld aan, ook als alles zwaar is.’
In ‘Marits atelier’ viel me ook een tekeningetje op van een zwarte rots met daarop een massa mensen. De een na de ander valt naar beneden in een bloedrode zee. Die vond ik…
‘Ja, dat is geen leuke. En niet gemaakt voor kinderen.’
Waar gaat die tekening over?
‘Je weet dat ik van heel dichtbij betrokken ben geweest bij een aantal uitgeprocedeerde asielzoekers?
‘In mijn huisje in Zweden, waar ik een paar maanden per jaar verblijf, heeft een aantal mensen ondergedoken gezeten. Omdat illegaal verblijf in Zweden strafbaar is.’
Hoe kwam je met hen in aanraking?
‘Het begon ermee dat ik in een asielzoekerscentrum in mijn dorp ging tekenen met kinderen en een man, een twintiger, leerde kennen die mij hielp met vertalen. Op een gegeven moment trof ik hem aan en herkende ik hem bijna niet meer. Hij vertelde dat zijn asielaanvraag was afgewezen, dat hij terug moest naar Afghanistan. Hij zei: de dood wacht op mij in Kabul. Ik ben met hem gaan zitten en heb hem uren laten vertellen. Toen wist ik dat hij gelijk had.’
‘Ik ben naar huis gereden, heb tegen mijn man gezegd: we moeten hem verstoppen en uitzoeken hoe we hem kunnen redden. Ik heb een advocaat in de arm genomen, en uiteindelijk heeft hij een nieuwe aanvraag mogen indienen. Die werd weer afgewezen. Op een dag stond hij voor de deur met de sleutel en zei: ik vlucht. En toen lag hij onder een brug in Parijs.’
Kon je toen nog iets voor hem doen?
‘Ik ben hem achterna gereisd. En daar heb ik van hem, en een aantal anderen, de asielverhalen opgeschreven. Vaak kunnen ze zelf de essentie van hun verhaal niet goed pakken, en daardoor worden ze niet geloofd en uitgezet. Uiteindelijk hebben ze allemaal een vluchtelingenstatus gekregen, maar er zijn helaas velen in soortgelijke situatie bij wie het is misgegaan: die zijn uit het leven gestapt. Kapotgemaakt.
‘In die periode maakte ik die tekening. Ik was zo ongelooflijk boos, ik dacht: dit is wat we aan het doen zijn, we duwen mensen over het randje en laten ze verdrinken, en daar staan we, met onze nette pakken aan.’
Zou je de woede en de wanhoop die in de tekening zitten ook kunnen of willen vertalen naar een boek voor kinderen?
‘In Wat niemand had verwacht zit ook een afgrond. Niet op die dramatische wijze, maar het is wel een boek waarin je een bepaald soort hardheid in ons bestaan kunt vinden.’
In het kort: in Wat niemand had verwacht (2009) hebben alle mensen haast en is iedereen onderweg. Niemand heeft tijd om stil te staan. Tot er een meisje in een diepe een kuil valt en er niet meer uitkomt. In het begin wil iedereen haar nog helpen, maar dat verandert.
‘Maar als ik met kinderen over dit boek sprak, kwamen we ook tot de conclusie dat het feit dat niet iedereen dat meisje gaat helpen, niet per se fout is. Want wat weten wij over al die mensen die haar op een gegeven moment vergeten zijn? Misschien hebben zij ook iemand die in een kuil ligt en voor wie ze moeten zorgen.’
Heeft jouw activisme invloed op de onderwerpen die je voor je boeken kiest?
‘Zeker. Alles wat ik meemaak, neem ik mee in mijn werk. Alleen niet letterlijk, maar intuïtief. Dan poppen er, terwijl ik aan het tekenen ben, mensen of gebeurtenissen of gevoelens omhoog, en die worden een ingrediënt in het verhaal.’
Haar initiatief, in 2017, voor de bundel Een boek voor jou is inmiddels uitgegroeid tot een stichting. Over een maand gaan 130 schrijvers en tekenaars op tournee langs azc’s om met kinderen te praten over de verhalen, te tekenen of te knutselen. Zelf heeft ze net een afspraak gemaakt om met kinderen uit het azc in Alkmaar naar de tentoonstelling in Bergen te gaan.
Voor de kinderen, zegt Törnqvist, is het een kennismaking met Nederlandse jeugdliteratuur, maar ook gewoon een leuke middag. ‘En voor de mensen die de workshops geven, zeker als ze het nog niet eerder hebben gedaan, is het een kennismaking met een groep kinderen die hier gewoon gaat aarden.’
Zie je die genoeg terug in de Nederlandse jeugdliteratuur?
‘Steeds meer, en dat kan ook niet anders. Kijk in een gemiddelde klas in een grote stad om je heen: daar zit een andere groep kinderen dan toen wij jong waren. Voor wie het heel fijn is als ze zichzelf in een van de personages herkennen.’
Vind je dat ook een opdracht voor makers, dat de wereld zoals die nu is moet doorsijpelen in hun boeken?
‘Nee, dat vind ik alweer bijna te dwingend. Diversiteit moet geen afvinklijstje worden. Dat is het laatste wat ik zou willen. Ik bedoel, ik zal nooit tegen collega’s zeggen: jullie moeten allemaal omgaan met Syriërs en Afghanen. Maar een beetje uit je cocon komen en je afvragen: in wat voor wereld leven we eigenlijk, ja, dat vind ik wél belangrijk.’
Marit Törnqvist, Verborgen verhalen. Museum Kranenburgh, Bergen, t/m 10/5.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant