Biografie In een dubbelbiografie van de aartsvijanden Linnaeus en Buffon, de invloedrijkste natuurwetenschappers van de achttiende eeuw, laat Jason Roberts zien dat ordening in de biologie ook gevaarlijk kan zijn.
De natuuronzerzoekers Carl Linnaeus en Georges-Louis Leclerc, graaf de Buffon.
‘Pulitzer Prize voor Biografie’ staat er met een sticker op de Nederlandse vertaling van Al wat leeft (vertaald door Edzard Krol, oorspronkelijke titel: Every living thing). Een tweede sticker had niet misstaan, een waarschuwing voor alle natuurliefhebbers die de biologie tot nu toe als vredig vakgebied beschouwden en Carolus Linnaeus als goedmoedige Zweedse plantenopa: „Wees voorbereid op een verschuivend wereldbeeld”. Roberts duwt helden van hun voetstuk en plaatst hun haast vergeten tijdgenoten erbovenop. Exit Linnaeus, enter Georges-Louis Leclerc, comte de Buffon (Buffon voor intimi).Ze werden in hetzelfde jaar geboren, Carl en Georges-Louis: 1707. Geen van beiden waren ze voorbestemd voor de wetenschap – de vader van de één was dominee, de vader van de ander belastinghandhaver – maar desondanks kregen ze de kans om te studeren. Linnaeus in het Zweedse Uppsala, Buffon (nadat hij een fortuin had geërfd van een kinderloze oudoom) in het Franse Angers. Allebei waren ze uitzonderlijk leergierig en slim. Daarmee hielden de overeenkomsten op. Want waar Linnaeus zijn leven wijdde aan het ordenen van de natuur, was Buffon juist van mening dat zo’n ordening niet kon bestaan.
Jason Roberts: Al wat leeft. De grote en dodelijke wedloop om al het leven te kennen. (Every Living Thing) Vert. Edzard Krol. Hollands Diep, 496 blz. €39,90
„Het officiële archetype van de mens is wit, Zweeds en mannelijk” – het is op pagina 417 dat schrijver Jason Roberts met die pijnlijke observatie aan komt zetten, bijna tegen het einde van zijn overdonderende dubbelbiografie Al wat leeft. Uitvoerig heeft hij dan al de levens beschreven van de twee invloedrijkste natuurwetenschappers van de achttiende eeuw en de kwalijke gevolgen geschetst van hokjesdenken binnen de biologie. Daardoor komt het extra binnen dat de International Commission on Zoological Nomenclature – de ICZN, de instantie die verantwoordelijk is voor het toekennen van wetenschappelijke dierennamen – in 1959 besloot om de Zweedse botanicus Carolus Linnarus aan te wijzen als ‘type-exemplaar’ van de soort Homo sapiens. Van de mens, dus.Zo’n referentie-exemplaar is binnen de biologie niet ongebruikelijk: vaak gaat het om het eerst ontdekte individu van een soort, waarop de oorspronkelijke wetenschappelijke beschrijving is gebaseerd. Maar in dit geval was die archetypische verheerlijking nogal racistisch, aldus Roberts, te meer dat de ICZN uitgerekend diegene op een voetstuk plaatste die ooit ruim baan gemaakt had voor rassendiscriminatie. Want in zijn drang om de natuur te ordenen had Linnaeus, zelfbenoemde ‘prins der botanici’, ook in één moeite door mensen op basis van hun huidskleur geclassificeerd. Europeanen omschreef hij als gespierd en slim; voor mensen uit andere werelddelen waren de bijvoeglijke naamwoorden een stuk minder lovend.
Het is moeilijk om, door de ogen van Roberts, níét verliefd te worden op Buffon. Hij was knap, sympathiek, een beetje rebels (zijn voorliefde voor duelleren bracht hem nu en dan in de problemen) en welbespraakt. Hij trouwde met zijn grote liefde en treurde jaren om haar dood, hij sprak zich uit tegen slavernij en natuurvernietiging. En passant deed hij enkele baanbrekende wiskundige ontdekkingen, waaronder de Naald van Buffon die nog altijd wordt toepast – bijvoorbeeld om het aanwakkeren van een storm mee te voorspellen en economisch beleid mee vast te stellen. Hij schreef een reeks bestsellers onder de titel Histoire Naturelle waarin hij zijn tijd ver vooruit was: hij speculeerde onder andere over uitstervende soorten en over een proces dat sterk op evolutie leek. Bij leven was hij beroemder én geliefder dan Linnaeus.Toch speelt Buffon tegenwoordig, áls hij al genoemd wordt, slechts een bijrol in de vele verhalen over Linnaeus: die van zijn aartsvijand. Alleen het armetierige plantengeslacht Bufonia werd naar hem vernoemd, en boze tongen beweren dat ook Bufo bufo (de gewone pad) bedoeld was als dubieus eerbetoon.Hoog tijd om orde op zaken te stellen, vond Roberts. Hij maakt korte metten met de ijdele Linnaeus en z’n „botanische kamasoetra” – niet door openlijk kwaad over hem te spreken maar door de verhalen van de twee grote natuurvorsers met elkaar te verweven. Hij observeert en de lezer mag vervolgens zelf concluderen wie van de twee het échte genie was. Tussendoor dient Roberts talloze fraaie anekdotes op die het voortschrijdend natuurbesef illustreren – over de barometz bijvoorbeeld, een mythisch wezen dat half lam, half plant was, en over het vogelbekdier waarvan niemand geloofde dat het écht bestond.Rond de helft van het boek overlijdt de eerste van de twee hoofdpersonen, en even vraag je je als lezer af hoe het nu verder moet. Maar moeiteloos meandert Roberts door de tijd. Twee founding fathers van de Verenigde Staten maken hun opwachting, de Franse Revolutie breekt uit en iedereen blijkt verbonden met iedereen. Jean-Baptiste de Lamarck, Georges Cuvier, Charles Darwin, Louis Agassiz, Georg Mendel: alle grote namen van de biologie komen aan bod. En ook daaruit wordt ook duidelijk dat niet alle biologen lieverdjes waren. Cuvier, geroemd als groot paleontoloog, bleek een racist die overleden collega’s graag nog een trap nagaf.
Een goede stijl is onontbeerlijk, schrijft Buffon in zijn eigen Histoire Naturelle. Die stelregel heeft Roberts ter harte genomen. Het boek nodigt uit tot dóórlezen en doet denken aan De uitvinder van de natuur, Andrea Wulfs moderne klassieker over ontdekkingsreiziger Alexander Von Humboldt. Nu en dan is de schrijver wat selectief in zijn keuzes – een expeditie die Linnaeus naar de Zweedse provincie Dalarna ondernam wordt in één bijzin weggezet, om daarmee het beeld van een mislukte ontdekkingsreiziger te versterken. En tegen het einde van het boek gaat Roberts wel met erg grote stappen door de geschiedenis heen, wanneer hij binnen een paar pagina’s van bioloog Julian Huxley via een naar Hitler vernoemde grottenkever uitkomt bij hedendaags slijmzwamonderzoek. Maar over het algemeen is hij accuraat en komt hij met beeldende details, tot en met het hart van Buffon dat na zijn dood in goud gegoten werd als cadeautje voor zijn kuise minnares.In Al wat leeft schrijft Roberts hoe er na de Franse Revolutie ruimte kwam voor ‘neolinnéisme’, een hernieuwde interesse in het gedachtegoed van Linnaeus. Met zijn indrukwekkende biografie laat hij nu vooral zien dat het hoog tijd is voor het neobuffonisme. Weg met de archetypische beschrijving van de mens, ruim baan voor de viering van de natuurlijke diversiteit.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews