Home

David Szalay beschrijft geen helden maar mannen, zoals je die in alle lagen van de samenleving aantreft

David Szalays Het vlees was een prijswinnende hit, mede dankzij de manier waarop hij stroeve mannelijkheid in beeld bracht. Ook in zijn opnieuw uitgegeven ­Wat een man is maakt hij van gebrekkige mannen boeiende literaire personages. Hoe doet hij dat toch?

is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.

Mannen. Meelijwekkende wezens zijn het eigenlijk, gevangenen van hun lusten en het onvermogen om enigszins coherent woorden te geven aan hun innerlijk leven.

Zie het werk van de Hongaars-Canadese auteur David Szalay (spreek uit: Sol-loy), in 2025 winnaar van de Booker Prize, de meest prestigieuze literaire prijs van Engeland, met het boek Het vlees.

Een boek over een ‘mannenman’, werd Het vlees eerder in de Volkskrant genoemd. István, het hoofdpersonage, is iemand van weinig woorden, nauwelijks in staat om te formuleren wat er in hem omgaat, wat hem drijft in dit leven.

En toch is het boek een grootse literaire prestatie. Dankzij een knap samenspel van korte, kale zinnen komt István, een man die vaak niet meer dan ‘Oké’ uit zijn mond krijgt, alsnog naar voren als een scherp afgetekend personage, gekweld door een duister verleden, levend op sigaretten en alleen in staat tot kille seks, maar ook een krachtig iemand, een man die alle tegenslag in zijn leven stoïcijns ondergaat.

Een boek over de ‘crisis van de man’, heette Het vlees algauw, daarmee aanhakend op het debat, nu al een paar jaar gaande in de westerse pers, over de erbarmelijke staat van (jonge)mannen.

In István zag je de huidige westerse man weerspiegeld: worstelend met zijn status in een wereld waar hij links en rechts wordt ingehaald door vrouwen, emotioneel afgestompt en rijp voor manfluencers als Andrew Tate, die met giftige manipulatie hun volgers een weg terug naar de top van de apenrots beloven.

‘All the Sad Unliterary Men’, luidde de titel van een essay over Het vlees dat afgelopen januari in The New York Review Of Books verscheen, waarin nog eens werd betoogd dat het boek in verband is te brengen met de huidige staat van mannelijkheid. Een ‘ineengedoken mannelijkheid’, ‘terughoudend en onzeker, zelfs in zijn woedeaanvallen en roofzucht’.

Handig, zulke slimme thinkpieces die Het vlees tegen de achtergrond van een relevant maatschappelijk debat weten te plaatsen. Maar ook een tikkeltje belemmerend voor wie na Het vlees de rest van Szalays oeuvre wil verkennen en de auteur vooral uitgelegd heeft gekregen als duider van mannen; witte, Europese mannen welteverstaan.

Meerduidigheid

Kijk eens naar Szalays roman-in-verhalen Wat een man is, in 2016 uitgekomen en nu in de nasleep van het succes van Het vlees opnieuw uitgegeven.

De verhalen zijn korte uitsneden uit het leven van negen verschillende personages uit volstrekt verschillende sociaaleconomische milieus in (Oost-)Europa, van een Engelse tiener op backpackreis tot een Russische oligarch die op het punt staat alles te verliezen: zijn gezin en zijn fortuin.

De titel, de onderwerpkeuze en Szalays vooruitgesnelde reputatie als ‘mannenduider’ doen een verhalenbundel vermoeden waarin de auteur op didactische wijze ‘de huidige staat van de man’ zal ontleden. Maar zo expliciet wordt het gelukkig nergens. Dit is een werk van literaire verbeelding, meerduidig, met hooguit aanzetten om over ‘mannelijkheid’ na te denken.

Een voorbeeld: een van de krachtigste verhalen – spannend, vol ingehouden agressie – is die over de Deense Kristian, adjunct-hoofdredacteur bij een platvloerse roddelblad, die aan de slag gaat met de tip, verkregen uit gekraakte telefoongegevens, dat de Deense minister van Defensie er een geheime affaire met een getrouwde vrouw op nahoudt.

Het zwartgallige begin van het verhaal, waarin Kristian en zijn collega’s cynisch grappend de voors en tegens van een publicatie afwegen, verandert een paar alinea’s later in een adembenemende krachtmeting tussen Kristian en de minister van Defensie. De minister, die zijn vooruitzichten op het Deens premierschap in rook ziet opgaan, dreigt, vloekt, maar kan zijn publieke vernedering uiteindelijk niet afwenden.

‘C’est la guerre’, heeft Kristian als excuus voor zijn handelen; waar gehakt wordt, vallen nu eenmaal spaanders.

Maar uit zijn mijmeringen blijkt ook een ander, persoonlijker motief. Kijk mij eens, denkt hij op de terugweg na zijn ontmoeting met de minister, ik, een jongen uit een achterstandsbuurt, opgegroeid in een sociale huurwoning, nu verkerend met de Deense elite, iemand die ministers op de knieën kan krijgen, smekend om genade.

‘Toen ze hem adjunct-hoofdredacteur maakten. Ja, dat was de eerste keer dat hij omlaag keek en zag hoe hoog hij nu was, hoe dicht bij de top, dichter dan bij de plek waar hij ooit begon – die flat. Vierde verdieping. De lift buiten werking.’

In een paar zinnen schets Szalay de mannelijke neiging tot dominantie, om de topdog te zijn. Kristian is de sociale klimmer die eeuwig bezig is om zijn gebrek aan status in het verleden te wreken, die de mensen, vooral mannen, die hij altijd voor heeft moeten laten gaan eindelijk eens de duimschroeven kan aandraaien.

Kleinzerig, zeker, maar als motief beter te volgen dan Kristians schijnheilige praatjes in de redactieruimte over het ‘journalistiek belang’ dat hij zegt te dienen.

Niet onopgemerkt

Uiteindelijk draait het in Wat een man is om mannen die, de een bewuster dan de ander, niet onopgemerkt willen blijven; door de maatschappelijke of financiële elite, door hun naasten, door die ene vrouw waarnaar ze verlangen.

Geen helden maar mannen, zoals je die in alle lagen van de samenleving aantreft: worstelende types, sommigen met een zekere integriteit, anderen weer meelijwekkend of bespottelijk in hun streven om gezien te worden.

Het pijnlijkste verhaal is dat over de Franse Bérnard, een niksnut van begin twintig, die een baantje bij zijn oom Clovis eraan geeft omdat hij liever op vakantie gaat naar Cyprus: ‘Je hebt geen ambitie. Geen enkele behoefte om jezelf te verbeteren, om vooruit te komen in de wereld’, bijt zijn oom hem toe.

Bérnard is het soort jongeman dat je bij de schouders wil pakken om door elkaar te schudden, wil toeschreeuwen dat hij uit zijn lethargie moet ontwaken. Vergeefs. Sommige mannen missen nu eenmaal het vuur om hun leven, het enige dat ze hebben, een duidelijk doel te geven.

De Fransman kijkt niet verder dan naar de volgende joint, een meisje dat hij – altijd vergeefs – kan verleiden tot seks. Op Cyprus volgen we Bérnard van vervallen budgethotel naar troosteloze shoarmazaak, of naar een club waar hij een gênant blauwtje loopt.

De enige vrouwen die naar Bérnard omkijken zijn een zwaarlijvige Engelse moeder en haar even zwaarlijvige dochter, door Szalay met veel politiek-incorrect genoegen omschreven als vrouwen met een ‘vat van een lichaam’.

Het verhaal wordt vanaf dit punt een weinig verheffende aaneenschakeling van afstotelijke lichamen en sneue seks – met zowel de Engelse dochter als de moeder – in hel verlichte, armoeiige hotelkamers.

‘Ze probeert achterover op het bed te gaan liggen en haar benen te spreiden. Ze moet haar benen zo wijd mogelijk spreiden, anders zal het vlees dat alle kanten op gaat hem belemmeren.’

Smaakvol is anders, maar als portret van een doorsnee witte, Europese twintiger, een van de talloze die zonder uitgedacht plan door het leven stuntelen, is het bijzonder geslaagd. Bérnard voelt levensecht. Je ziet hem gewoon voor je, in zijn korte broek, T-shirt en badslippers door een loeiheet toeristencentrum sloffen, blij dat er eindelijk iemand, wie dan ook, fysieke toenadering zoekt.

Onmetelijke eigendunk

Minder smoezelig, maar moreel veel dubieuzer is het personage Aleksandr in het achtste verhaal, een Russische oligarch die na een verloren rechtszaak al zijn miljoenen in rook ziet opgaan en verlaten wordt door zijn vrouw en kinderen.

Het is een enorme maatschappelijke val, te veel eigenlijk voor de oligarch, die al vroeg in het verhaal zelfdoding als enige weg uit de vernedering ziet. Hij hoeft alleen maar uit zijn helikopter te stappen, van zijn jacht te springen, de zee in. ‘Het zou ’s nachts moeten gebeuren. Dan zou niemand het merken en zou niemand proberen hem te redden.’

Uiteindelijk ziet Aleksandr van zelfdoding af en wordt zijn verhaal er een over onmetelijke eigendunk, over mannen die enige vorm van bescheidenheid ontberen en zichzelf van Elon Musk-achtig belang voor de wereld beschouwen, simpelweg omdat ze handig miljoenen wisten te vergaren.

Aleksandr is het soort man dat zijn advocaat tijdens een bezoek aan Davos vraagt hoe ‘de geschiedenis over mij zal oordelen’, die altijd voornemens is geweest om een ‘monumentale en meerdelige serie over zijn eigen leven en tijd’ te schrijven.

Maar achter deze zelfverklaarde historische figuur gaat uiteindelijk de zoveelste Russische oligarch schuil, op dubieuze wijze rijk geworden in het chaotische Rusland van de jaren negentig, en die altijd in de waan leefde dat hij onaanraakbaar was, dat statusverlies en financiële rampspoed iets voor anderen is.

De enige man die hem op dat moment te binnen schiet, als een soort voorbeeld van hoe een eerzaam leven te leiden en te beëindigen, is zijn oom, een KGB-agent voor wie Josef Stalin de hele wereld was. In het tijdperk-Chroesjtsjov, toen gebroken werd met de terreur van Stalin, zag deze oom zijn wereld in elkaar storten.

Plotseling was de oom niets meer, had hij niks meer, en schoot hij een kogel door zijn hoofd. ‘Hij dacht dat hij de geschiedenis aan zijn zijde had. Dat had hij niet.’

Zo moet het zijn, denk je bij het lezen van het verhaal van Aleksandr, om een man te zijn die in zulke grandioze termen over zichzelf denkt, die het leven als een nulsomspel beschouwt, waarin je slechts de keuze hebt tussen financiële en politieke dominantie over anderen, of een kogel door je hoofd.

Wat een man is is niet een boek dat wil behagen, het toont ons nergens helden, beschrijft zelden een man met een zuivere moraal, of eentje die in ieder geval zijn best doet om enigszins fatsoenlijk door het leven te gaan.

Szalay lijkt geen tijd te hebben voor zulke nuance en richt zijn blik liever op de zwakke, de corrupte of de intellectueel lege mannen in ons midden. Uiteraard is het niet het volledige verhaal over de witte, Europese man, maar wat een lef en talent om dit soort gebrekkige figuren tot boeiende literaire personages te maken.

David Szalay: Het vlees. Uit het Engels vertaald door Auke Leistra. Nijgh & Van Ditmar; 344 pagina’s, € 23,99.

David Szalay: Wat een man is. Uit het Engels vertaald door Auke Leistra. Nijgh & Van Ditmar; 464 pagina’s; € 28,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next