Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
De appeltaart is mislukt. Ik had de grill even aangezet om het suiker-kaneellaagje wat te laten karamelliseren, maar opeens was alles zwart. Met een kartelmes scalpeer ik de bovenste laag van de taart. Daarna smeer ik er een dikke laag geklopte Griekse yoghurt en vanillesuiker overheen, zoals ik wel met meer problemen doe. De taart is droog en de appels zurig. ‘Lekker, hoor’, zegt ze, nadat ze de kaarsjes heeft uitgeblazen en een hap heeft genomen.
Als ze daarna naar de massagesalon is, heb ik even de tijd om wat woorden op papier te zetten. Vanmiddag spreek ik op de herdenking van de vader van mijn oudste beste maatje. Er verschijnen wat steekwoorden op papier. ‘Teerzalf, tweede vader, megakarbonade, Marqués de Cáceres, 1998, trots.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Ben je zenuwachtig?’, vraagt mijn vrouw tijdens de lunch in een restaurant dat in een monumentaal pand huist, maar tevens zeer sterke parenclubtrillingen afgeeft. ‘Niet echt.’ Bovendien, het is jouw verjaardag, laten we dat vieren.
‘Nachtlampje’, dat moet er ook nog in.
Thuis kleden we ons om. Ik trek een pak aan en pers mijn aantekeningenboekje in mijn binnenzak. ‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, zeg ik tegen mijn vrouw, die er prachtig uitziet. De Don – zo noemden we hem – zou trots op me zijn.
Ik heb de speech van zijn oudste zoon, mijn vriend, gisteravond al gelezen. Maar nu ik hem zie staan, terwijl hij soms gedwongen pauzes neemt en zijn vader een laatste groet brengt, lopen zijn woorden over mijn wangen. ‘Nu jij, Juul’, zegt hij en hij geeft me de microfoon. Eerst nog een grote, heel grote slok rode wijn. Als ik klaar ben fluks naar buiten voor een sigaret. Ik rook niet meer, maar deze is voor De Don. Het regent en het waait.
‘We zitten nu met zijn allen in de auto’, appt de beste vriendin van mijn vrouw. Die ziet het berichtje binnenkomen en nu is de verrassing verpest. We halen onze dochters op en rijden dan door naar het restaurant. Daar, in de hoek van de enorme zaal, zitten haar vriendinnen klaar aan een lange tafel. Ze zingen en ze kussen haar.
‘Ik wil je niet voor elf uur thuis hebben’, zeg ik, voordat mijn dochters en ik weer in de auto stappen. We halen cheeseburgers en patat en eten voor de televisie. Het liefst wil ik een hele fles Marqués de Cáceres opdrinken en een pak peuken wegpaffen, want er moet nog zo veel uit. Maar ik ga naar bed.
De volgende ochtend wekt mijn oudste dochter me. Zonlicht valt op haar lijf terwijl ze danspasjes maakt en vertelt wat ze vandaag gaat doen. Door het klapraam heen zie ik blauwe lucht, eindelijk. Het heeft er alle schijn van dat de lente nu toch echt begonnen is.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant