Home

Marty Supreme moedigt écht goed kijken aan

Een tafeltennisfilm in combinatie met hartenbreker Timothée Chalamet! Zou Marty Supreme voor tafeltennis kunnen betekenen wat The Queen’s Gambit voor schaken heeft gedaan? Het aantal verkochte schaakborden steeg na de succesvolle serie met 87 procent, de verkoop aan schaakboeken met 603 procent, en veel jongeren pakten de denksport op.

Schaken en tafeltennis: het zijn twee sporten die ik in de jaren tachtig beoefende. Hoogtepunt van mijn tafeltennisjeugd was een uitstapje met tafeltennisvereniging Sjaardema (Oegstgeest) naar Hazerswoude om Bettine Vriesekoop aan te moedigen – de voormalig Europees kampioen die de tafeltennisscènes in Marty Supreme op waarde weet te schatten. Ze droeg toen ik haar zag spelen twee verschillende sokken, waarna ik als jonge bewonderaar wist wat me te doen stond. Vriesekoop had een levendige merchandising kunnen beginnen, net als Marty Mauser, die in Marty Supreme de oranje pingpongbal probeert te pluggen omdat die beter zichtbaar zou zijn dan de witte.

Ik denk echter niet dat Marty Supreme tot een nieuwe pingpong-rage gaat leiden. Niet alleen komt de tafeltenniswereld onaantrekkelijk, zeg maar gerust louche uit de verf, ook ziet meidenidool Chalamet er belabberd uit. Hij is bepaald geen posterboy voor de sport: humeurig, geldbelust, en een enorme lul de behanger in zijn gedrag naar vrouwen.

Wel is de film is een geweldig uithangbord voor de filmkunst en de serieuze cultuurkritiek. Rondom de film is een verhit debat losgebarsten tussen Marty Supreme-haters en Marty Supreme-lovers. Het gaat met name over drie zaken. Ten eerste: hoe onaangenaam mag een hoofdpersonage zijn? Marty liegt, manipuleert, gebruikt mensen – zo’n beetje iedereen in de film trouwens. De film dwingt een voortdurende anti-identificatie af. Dat is ongemakkelijk.

Dan het tweede discussiepunt: de manier waarop de film Joodse identiteit en de Holocaust representeert. Ergens maakt Marty een grap tegen zijn tafeltennisstegenstander, de Holocaust-overlevende Béla Kletz: „I’m gonna do to you what Auschwitz couldn’t.” Hij voegt eraan toe: „I’m Jewish so I can say that.” Sterker nog, hij is „het ultieme bewijs van Hitlers nederlaag”. Marty heeft gelijk: natuurlijk maakt het uit wie welke grappen maakt. Maar dat maakt ze niet minder smakeloos.

De derde kwestie raakt het hart van de ophef: de representatie van Joodse mannelijkheid. Marty bevestigt enerzijds een klassiek Joods mannelijk stereotype: hij praat voortdurend, Woody Allen in het kwadraat. Maar ofschoon brildrager, valt hij niet samen met het stereotype van de intellectueel. En hoewel ielig gebouwd, is hij juist sportief. De openingssequentie van de film laat er geen misverstand over bestaan dat het leven een evolutionaire strijd is: we zien een spermarace met één zaadcel als winnaar. Die zaadcel verandert in een pingpongbal, daarmee plots een sport voor échte mannen, Joods of niet.

Rabbijn Tamarah Benima beschrijft in Een schaap vangen (1999) hoe Joodse mannelijkheid in een permanente crisis verkeert sinds de Tweede Wereldoorlog: „De mannen – vrouwelijker, want zachtmoediger dan andere, niet-Joodse, mannen – wisten de vrouwen in hun leven niet te beschermen toen het erop aankwam.” Als ik afga op de beeldvorming in de populaire cultuur geeft die haar nog steeds gelijk. Joodse mannen worden doorgaans neergezet als intellectueel en humoristisch, maar ook als lijdend en fysiek zwak. Als zachtmoedig, maar ook als bang en weerloos. Denk aan A Real Pain of The Brutalist.

Volgens cultuurcriticus Sasha Weiss, te gast in de podcast Dear Haters of Marty Supreme (een podcast van The New York Times), is Marty Supreme een voorbeeld van filosemitisme omdat de film Marty’s individualiteit benadrukt. Marty is een pingponger die toevallig Joods is. De terloopse opmerkingen over zijn Joods-zijn of heel even zijn davidster in beeld, maken dat hij geen overduidelijke representant is van een getraumatiseerde groep (volgens Weiss de „pity trap” van makers). De titel onderstreept deze interpretatie: Marty Supreme. Niet: A Story of a Jewish Ping Pong Player.

Weiss en host Wesley Morris amuseren zich vervolgens op tamelijk hilarische wijze met hun eregalerij van Marty-verwanten, onhebbelijke personages die uitblinken in schaamteloosheid. Het is een ode aan personages en artiesten die een doldrieste draai aan stereotypes geven. Ze noemen zanger Fred Schneiders ‘Rock Lobster’ („Helloooooo, I am gay!”), Sacha Baron Cohen als Ali G (het stereotype van de Britse arbeidersklasse in de overdrive), Grace Jones in Boomerang („I love my vulgar self”) die haar zwarte-vrouw-zijn omarmt als hyperseksueel, en Mickey Sabbath in Sabbath’s Theater van Philip Roth (womanizer en narcist).

Tegenstanders wijzen juist op de „empty Jewishness” van Marty Supreme. Volgens James H. Stein is Marty’s Joods-zijn niets meer zijn dan een „filmprop”. Narcisme, manipulatief en wreed gedrag worden als ‘interessant’ voorgesteld én gekoppeld aan Joods-zijn. De film herhaalt daarmee een negatief stereotype van joden. De Holocaust wordt teruggebracht tot een visueel shockerende en haast erotische scène. Stein heeft een punt: de verwijzingen naar de Holocaust zijn soms absurd. En Marty is onuitstaanbaar en schaamteloos.

Maar Marty Supreme is óók een spektakel en stelt wezenlijke en actuele zaken aan de orde. Zoals: hoeveel narcisme kan een samenleving aan? Waar is sport goed voor? Wat stelt de (Joodse) man voor? Hoe ziet hij zichzelf gerepresenteerd? In een tijd waarin kunstkritiek vaak is verworden tot consumentenadvies (ballen per product) moedigt het debat over Marty Supreme écht goed kijken aan. Net als dat het geval was bij vergelijkbare ophef rondom Baby Girl, Anatomy of a Fall en Tár.

Mijn oordeel? Vijf klatergouden pingpongballen.

Kom maar op met het debat.

Film

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next