Home

Presentator Pieter van der Wielen: ‘Ik ben niet helemaal vrij van de kinderlijke hang naar aandacht’

Hij schreef een boek over honderdzestig hotels in Parijs, een stad waar presentator Pieter van der Wielen doorheen manoeuvreert als iemand die de weg kent. Een stad waar mensen met te grote verwachtingen naartoe gaan, ook dat. ‘Roem is iets dat je moet vermijden.’

is verslaggever van Volkskrant Magazine.

Er heeft zich een metamorfose voltrokken, en die nieuwe gedaante heeft een verwonderde blik en omarmt zijn zelfrelativering. Het resultaat is de Parijse versie van presentator Pieter van der Wielen (51), en die opereert in de tijdloze entourage van bistro Benoit, waar de juniorsommelier gewichtig de stevige rode wijn bij de stoofpot bespreekt en La Bohème van Charles Aznavour het luchtruim vult.

Er was een treinreis, een metro, een wandeling en een aperitief voor nodig om tot deze toestand te komen, in de stad waarover hij een culturele geschiedenis schreef aan de hand van honderdzestig hotels. Hier, omringd door houten lambriseringen en leren bekleding, kan hij nog uren zitten, dá-gen, losgeraakt van zijn door geopolitiek bezwaarde alledaagse of innerlijke gemopper, dobberend in het grote niets.

Noem Van der Wielen een flaneur, een term gemunt door de beroemdste dichter van Parijs, Charles Baudelaire (1821–1867). Zo iemand die doelloos door straten en boulevards slentert, opgaat in de menigte zonder er deel van uit te maken.

Die toevallige ontmoetingen met Charlotte Gainsbourg (plus hondje) of de neef van Youssou N’Dour vindt passen in zijn ommetje, waarin je nou eenmaal karakters tegenkomt.

Die de thuiskomst van de vrijgelaten politicus Dominique Strauss-Kahn van een afstand in stilte observeert, gelukkig met een gevulde maag, en kijkt hoe de zwangere Rihanna het hotel verlaat.

Die met de Amerikaanse hardrockband Foreigner een afzakkertje drinkt in het verlaten café La Belle Hortense, omdat hij de L.A.-rockers heeft wijsgemaakt dat dit de beste spot van Parijs is voor een wilde afterparty.

En als je dan in Parijs wordt aangereden en op de motorkap van de Citroën Berlingo van loodgietersbedrijf Dupont et Fils belandt, ga je natuurlijk lunchen met de veroorzaker van het ongeluk, ook al ben je bont en blauw, en heb je een scheur in je broek. Een ideaal moment om omelet met frites te eten, alles te horen over het vak van loodgieter in Parijs, en te proosten met een glas Brouilly op de leuke ontmoeting.

Hij is zeker geen echte Parijzenaar, alleen al omdat hij er één keer per maand komt, en dat al vele jaren lang. Echt niet, want een echte Parijzenaar is in staat om met hart en ziel Parijs te haten. Dat zit er bij hem niet in, ondanks de nare randen van de stad. De daklozen, de armoede, de uitbuiting. De terroristische aanslagen, de verkeersongelukken. Iedereen duwt elkaar opzij, de werkloosheid is gigantisch, het land is bijna failliet. ‘Ik kan niet zeggen: Wat een kutstad, wat een shitboel, al die klotetoeristen, donder allemaal op.’

Van der Wielen heeft deze maandag een Franse roman bij zich gestoken voor in de trein onderweg naar Parijs: Kolkhoze van Emmanuel Carrère. Een groots familie-epos, genomineerd voor de Prix Goncourt en de Prix Médicis, waarachter hij zich met goed fatsoen in een café in het Quartier Latin kan verschuilen.

Een presentator uit de buitencategorie, ja, dat is wat hij is. Een vanzelfsprekende interviewer, aangenaam nieuwsgierig en goed ingevoerd, op een toon alsof hij met zijn gast door een park wandelt. Zoals elke week presenteerde hij zaterdag het veelbeluisterde radioprogramma Nieuwsweekend, samen met Mieke van der Weij, en vrijdag nam hij zijn vaste podcast op voor NRC: Het Uur. Acht jaar deed hij in de nacht het radioprogramma Nooit meer slapen, en sleepte daarmee de Zilveren Reissmicrofoon binnen. Hier en daar verscheen hij ook als televisiepresentator, zoals in Op1.

Hij zou natuurlijk de ideale kandidaat zijn geweest om Zomergasten te presenteren, als het legendarische programma niet was gestopt. Hij is blij dat dat hem niet is overkomen, zegt hij, want nee zeggen tegen zo’n programma, dat doe je niet. ‘Zomergasten, zo is afgesproken, geldt als het hoogste podium van het Nederlands medialandschap. Maar elk jaar tikken televisierecensenten van de kranten zich de vingers blauw welke vraag de interviewer nu gemist heeft, en dat er dit en dat niet goed gaat, alsof het een verslag van een voetbalwedstrijd is.’

Van der Wielen zegt: Who cares? ‘Zo werkt het niet als twee mensen tegenover elkaar zitten. Per se moet het heel bijzonder zijn, zo’n interview. Dat slaat nergens op. Zomergasten is te groot geworden waardoor het aan zijn grootheid ten onder is gegaan.’

Hij weet één ding zeker, als hij de interviewer van dienst zou zijn geworden: ‘Je zomer is naar de klote. En mijn vriendin zou dan ook een kutzomer hebben, vanwege dat gezeik over Zomergasten.’

Niet aanwezig in zijn reistas is het boek dat deze trip naar Parijs rechtvaardigt, Guide des hôtels de charme à Paris 1999. Deze in 1998 bij uitgeverij Rivages verschenen reisgids bevat 234 hotels, en werd geschreven door het echtpaar De Beaumont. Dit boek was het uitgangspunt voor zijn eigen boek: Hotels in Parijs 1999. Hierin beschrijft hij als hotelmens de finesses en ambiance van de beslapen accommodaties, en daarmee van Parijs. Overigens niet alle hotels uit de oude gids, het werden er maar 160, omdat sommigen waren opgehouden te bestaan, dan wel in handen zijn gekomen van hotelketens.

Een kwart eeuw lang bezocht hij al die charmante, romantische, eigenaardige hotels, ook de peperdure. Hij neemt je mee van hotelkamer naar hotelkamer, van de nodige autobiografische elementen voorzien, en veel petite histoire rond grootheden als Ernest Hemingway, Pablo Picasso, Paul Gauguin, James Joyce, Marlene Dietrich en James Baldwin. De categorie gore hotels met bedwantsen en vergeelde doorligmatrassen deed in de oude gids al niet mee, en dus ook niet in Van der Wielens publicatie.

Jaaaaaaaa – het is een schaamteloos romantisch en decadent project, maar dat is dan maar zo, vindt Van der Wielen. Als je ’m vraagt waarom dit in hemelsnaam moest gebeuren, verwijst hij naar een interview dat hij had met een man die de Mount Everest had beklommen. Toen deze werd gevraagd naar het waarom van de beklimming, haalde hij zijn schouders op en verwees naar een uitspraak van de beroemde klimmer George Mallory: ‘Because it’s there.’

Vier cruciale zinnen uit het boek, die een lichtje schijnen op het Ville Lumière-universum van Van der Wielen:

‘Parijs is nou eenmaal een goede stad om boven je stand te leven.’

‘Iedereen doet alsof ze de hoofdrol in hun eigen film spelen.’

‘Als er vandaag al een revolutie uitbreekt is die niet bij mij begonnen.’

‘Was u de vorige keer niet met een andere vrouw?’

Van der Wielen, uitgedost in stemmig existentialistisch donkerblauw-zwart, zit in de Eurostar en zegt dat hij bang is dat-ie de blauw-paarse gids kwijtraakt. Dat-ie ’m laat liggen, in de trein, of in het hotel. Thuis in de la hoort-ie thuis, met plakband bij elkaar gehouden. Koffiekringen erop, onleesbare aantekeningen, telefoonnummer doorgekrast. Post-it-stickers. Bladzijden die aan elkaar plakken.

Ook gek: hij heeft geen idee hoe hij aan de gids is gekomen. Heeft-ie ’m gekocht? Hij is niet het type dat een gids koopt. Gekregen? Hij is op een dag naar Parijs gegaan met die gids, daar gaat het om, iemand heeft ’m uitgeleend. Was het toch zijn moeder? Hij sliep de eerste keer in een hotel in Montmartre, en bij dat hotel had hij een kringetje gezet. Zo van: o, daar moet ik naartoe. Hij had het nummer in de gids gebeld, hoorde een vage toon, een bijpassende stem, en die zei: staat genoteerd. Dat was in 1999.

‘Ik dacht niet meteen: nu ga ik ze allemaal doen. Dat ging geleidelijk. Op een gegeven moment stond het gidsje vol met kringen of ‘geen plek’ of ‘weer vol’. Weet je wat, dacht ik toen, ik ga ze allemaal doen. Leuk! Totdat ik een boekcontract tekende, toen werd het werk. Wat moest hij ervan zeggen of schrijven? Er moest telkens een doeltreffende volzin komen. Die kwam niet. Lag ik in zo’n kamer, ja weer bloemetjesbehang. Weer charmant, rustig straatje, eigenaar achter de receptie.’

‘Mijn uitgever zei: als je niets te vertellen hebt, doe het dan niet. Wat nou? Niets is ook iets. Daarin mag ik graag Leonard Cohen citeren. Die stelde zich elke ochtend de vraag: What is your stupid plan today? Heerlijk, hoe zinlozer het plan, hoe beter het gaat werken. Je moet gewoon beginnen. ‘Ik ga naar Parijs’ – dat is al een goeie zin. Dan heb je er onmiddellijk zin in. Parijs is geen Leiden, om te beginnen, want Leiden is thuis. Dat je naar buiten kijkt, en denkt: ik ga naar Parijs, fuck it! Parijs is verwachting, elke keer weer.’

‘Weet je hoeveel huwelijken stranden in Parijs omdat mensen met te grote verwachtingen naar Parijs gaan? Deze stad mag niet tegenvallen. Als je een kutweekend met je geliefde in Parijs hebt, dan ben je klaar. Het moet romantisch worden. Daarom worden veel mensen ziek in Parijs. Door de stress. Parijs moet slagen.’

Zijn vriendin bekende hem op een dag wel een beetje klaar te zijn met Parijs, dat ze het wel gezien had, aldaar. Pieter in paniek! Wat nu? Hoe moet het verder? Totdat zij, Haïtiaans van geboorte, haar eigen gids op de kop tikte, als leidraad van elk bezoek: City Guide – Afrique à Paris. Zo kan het gebeuren dat hij nu een middag door Parijs slentert, omdat in de wijk Château Rouge die ene Afrikaanse winkel moet zijn met die ene handtas.

Pieter van der Wielen duwt de deur open van Hotel Caron de Beaumarchais, de plek in Le Marais waar hij deze nacht verblijft, een van de pronkstukken uit zijn boek. Hier is er alles aan gedaan om het er niet als een hotellobby uit te laten zien. Alsof je een kijkdoos binnenstapt. Voor je het weet sta je oog in oog met de talloze afbeeldingen van Pierre Auguste Caron de Beaumarchais, de 18de-eeuwse schrijver van toneelstukken als De Barbier van Sevilla en Nozze di Figaro.

Parijs is de beste stad om boven je stand te leven, schrijft hij, en dan slaap je in zo’n hotel, zegt hij. Dan wordt je creditcard vanzelf vaal van overmatig gebruik. O God, denkt Van der Wielen weleens, wat heb ik nu weer uitgegeven? Toen hij het boek ging maken – en dus een voorschot van de uitgeverij had gekregen – was het de beurt aan de vijfsterrenhotels. Het geld was er zo doorheen gejast.

We lopen door de stad, en Van der Wielen manoeuvreert als iemand die de weg kent. ‘Ooit’, zegt hij, ‘heeft iemand bedacht dat Parijs zo bijzonder is dat iedereen net even meer zijn best doet. Je laat de beste kant van jezelf zien, dat iedereen die iets in Parijs doet, dat het allerbelangrijkste vindt dat er op aarde gebeurt. Iedereen speelt een hoofdrol in zijn eigen spektakelfilm. Ik ook.’

Al op zeer jonge leeftijd ging hij met zijn ouders naar Parijs, vooral op aandringen van zijn moeder, lerares en vertaler Frans, een verklaard francofiel. Drie keer per jaar werd hij vanaf zijn 8ste op de trein gezet, naar kennissen van zijn ouders. Helemaal alleen, van Hollands Spoor naar Gare du Nord, zeven uur met de trein. Dan liep hij zo in zijn eentje de stationshal in, een sensatie; hij voelde zich zo groot – en groot worden was wat hij wilde als klein kind. Zo snel mogelijk volwassen worden: wanneer begint het nou? Het huis uit. Zelf autorijden. Naar het café.

Al die kinderachtigheid, daar vond hij niets aan.

Vermoedelijk had zijn moeder een geheime agenda. Ze hoopte dat zoonlief Parijs vroegtijdig omarmde, en zou begrijpen dat er meer was dan Oegstgeest, waar hij opgroeide. Want zo zag ze het zelf ook, iedere maand vertrok zijn moeder naar Parijs. Ze had een soort leven erbij. Mama is even naar Parijs, kreeg hij dan te horen. Geen idee wat ze daar deed.

‘Het was voor mijn moeder een uitvlucht, denk ik. Gezin, een baan, rijtjeshuis. Autootje voor de deur, twee kinderen. Ze had een geregeld bestaan niet aangekund als ze niet even naar Parijs kon. Ze had dit nodig.’

Zijn ouders hadden een goed huwelijk, ‘op hun manier’, zegt hij erbij. Moeder was heel actief, zoals in de hulp aan vluchtelingen. Die kwamen veelvuldig over de vloer. Of bleven slapen. In logeerkamers, op zolder, of in zijn kamer. Opzouten, kreeg hij dan te horen, ga jij maar in de werkkamer liggen. Geweldig, vond hij dat, veel Chilenen, Iraniërs, op de vlucht voor het regime in hun thuisland.

Vader, jurist bij het ministerie van Economische Zaken, was de rustige, zachtmoedige, verstandige man, een beetje een somberaar. Zeker geen ambitieuze, ijdele man die streefde naar roem en rijkdom. Hij stierf op zijn 58ste.

Vaak vroeg Van der Wielen zich af of zijn vader het leven heeft geleid dat hij had willen leven. Nee, zo’n grote vraag heeft hij hem zelf nooit durven stellen.

‘Lang had ik geen band met mijn vader. Ik was dat dwarse joch, opstandig, veelvuldig van school gestuurd, die los van hem zijn eigen leven leidde. Pas toen mijn vader in het ziekenhuis lag, vermagerd door de kanker, kwamen we dichter bij elkaar, met mooie gesprekken. En wat ik ook zag: mijn vader bleek magistraal te kunnen tekenen. Al die jaren had hij zijn talent opgeborgen, maar nu, nu zijn leven op het eind liep, had hij er een sterke behoefte aan.’

Dit moet je zien, zegt Van der Wielen, en pakt, terwijl een glas champagne voor hem wordt ingeschonken in café Les Chimères, zijn smartphone. Te zien is een bus in Parijs, op de achtergrond L’Opéra. Een scène als uit een nouvelle-vaguefilm: een wazige afbeelding van een jongeman, misschien 20 jaar, met Le Monde onder zijn arm. Dit is zijn vader, een foto die hem onlangs werd toegestuurd door zijn oom, en check vooral die blik in zijn ogen: daar is iemand met grote dromen, over een leven in Parijs.

Ja, zegt Van der Wielen, ‘alles overziend, ben ik simpelweg in de voetsporen van mijn ouders gestapt’.

Dat ook voor hem Parijs een uitweg is, dat sluimert door zijn vertellingen. Hij beschrijft twee momenten dat een hotel zijn escape uit de werkelijkheid was. In Hotel Istria zocht hij onderdak als afgewezen geliefde, en metselde zijn eigen klaagmuur, zwelgend van zelfmedelijden – wel in een gloedvolle art deco-omgeving – terwijl de winterwind tegen het raam sloeg.

Urgenter noemt hij zijn vertrek uit Nederland nadat hij ‘half-dronken’ zoenend met actrice Georgina Verbaan in een café werd gespot door een filmende voorbijganger. Opeens werd hij als relatief onbekende VPRO-presentator een doelwit voor de kappersbladen, iemand die permanent paparazzi voor de deur had. De ophef werd aangeslingerd omdat de actrice in kwestie nog in een relatie zat met een andere bekende Nederlander.

Ook ‘lulverhalen’ moeten een follow-up hebben, bemerkte hij. Dus ging het maar door, met als hoogtepunt een enquête van Story: is Pieter van der Wielen homo, ja of nee. Tijd om ’m te peren! Op naar Parijs. Naar Hotel de la Bretonnerie, en zijn nieuwe geliefde kwam een dag later. En toen hij terugkwam, waren die hijgerige types verdwenen uit zijn straat.

‘Ik heb aan deze geschiedenis overgehouden dat roem iets is dat je moet vermijden. Iedereen houdt van aandacht, het is goed voor je loopbaan, leuk als je complimenten krijgt. Maar je moet niet willen dat de menigte in jou geïnteresseerd raakt. Zo leuk is dat niet.’

Van der Wielen is ooit min of meer toevallig in omroepland terechtgekomen na een stage bij Teleac, als student geschiedenis. En nu zit hij zo’n 28 jaar in het vak. Van alle dingen die hij deed, kijkt hij met het minste plezier terug op zijn werk bij de televisie. ‘Samengevat: geen leuke sfeer, ongezonde spanning. En als mensen gaan schreeuwen, krijg ik de slappe lach. Het idee dat je jezelf telkens serieus moet nemen – Ge zult niet relativeren – trek ik slecht.’

Het ergste vond hij de talkshow Op1 die hij een zomer presenteerde. ‘Geen reet aan. Alles lag vast. De redacteur nam de vragen door met de gast, en ik moest me keurig aan die vraagjes houden. De hele tijd dat getetter in mijn oortje, over wat ik moest zeggen, rechtop moest zitten. Niet aan je neus!’

Why? Ja, waarom moest hij dat zo nodig? Hij vroeg het zich ook af. ‘Nieuwsgierigheid moet het zijn geweest, maar dat is eigenlijk een kutsmoes. Als je wordt gevraagd voor zo’n klus, doen ze in de televisiewereld alsof dat het allerhoogste is dat je kunt bereiken. Voor je het weet zeg je: leuk. Toen Op1 klaar was, zei ik: zo, nu ga ik weer documentaires maken over armoede op het Roemeense platteland.’

Wat hij zichzelf echt gunt, is dat hij nee durft te zeggen, als ze hem nog een keer vragen. ‘Ooit deed ik een screentest om Matthijs van Nieuwkerk bij DWDD op te volgen. Ik was enorm slecht, vooral heel erg nepperig. Ik presenteerde als een soort slechte versie van mezelf. Een personage dat ik nooit meer hoop te zien. Gelukkig werd ik het niet. Was ik bijna een lul geworden.’

De televisiepresentator, aldus de radiopresentator, is doorgaans een gemankeerd kind dat het licht zoekt, de grootste lamp. ‘Je ego wordt opgefluft tot kolossaal niveau, tegelijk ben je ineens heel kwetsbaar en dan worden mensen volatiele persoonlijkheden. Matthijs van Nieuwkerk werd heel groot gemaakt.

Maar de andere kant is ook interessant: wat is er met ons gebeurd dat we hem zo groot hebben gemaakt? Wie waren die mensen die elke avond met zoveel plezier naar hem keken, naar de tafel waar altijd alles gebeurde? Als je een belangrijk schrijver wilde worden moest je eerst aan die tafel. Dat gold voor alles: films, muziek, wetenschap, alles. Gaan we dan achteraf zeggen dat het allemaal niks was, of dat het niet bestaan heeft?’

‘Toen de Vara 100 jaar bestond, werd Van Nieuwkerk verzwegen, alsof hij nooit is geweest. Krankzinnig. We leefden toch allemaal in die droom, die hij avond aan avond creëerde? Men vindt het ook lekker om iemand te zien vallen, en dan lekker lachen. Dat is ongezond. Zo kun je er niet mee omgaan, je kunt niet zeggen dat het allemaal narigheid was. Het was goed, heel goed zelfs, enthousiast, hij nam risico’s. En ja, hij heeft zich als een hork gedragen en daar hebben mensen onder geleden. Maar was dat het hele verhaal? Wie stuurde die armada van jonge mensen met kutcontracten de redactievloer op? Die door de omroep werden uitgeperst, en weggegooid?’

Bij de radio is dat veel milder, zegt hij. ‘Heerlijk! Lekker naar je werk. Je lult wat, je doet wat. Natuurlijk: je krijgt ook weleens een complimentje, en ja, ik ben ook niet helemaal vrij van de kinderlijke hang naar aandacht. Maar het heeft niet de hysterie van televisie.’

Er is geen betere jazz dan die in verduisterd Parijs al je oren binnenwaait, nog voordat je binnen bent, en dan ook nog van Clifford Brown, tragisch trompettist die in de jaren vijftig in de lichtstad aanmeerde. Van der Wielen wurmt zich naar voren om oog in oog te komen met de brenger van dit moois: een stel Franse bleekneuzen die op virtuoze wijze hun Amerikaanse held naspelen, hier in jazzclub Sunset Sunside.

In Parijs zijn betekent doorgaans elke avond jazzclubs afstruinen, voor Van der Wielen. Hopend op een onbekend lefgozertje die je ondersteboven speelt, of op een ontmoeting met een legende in jazzclub Le Duc de Lombards, zoals drummer Roy Haynes die je in ruil voor een glaasje vertelt hoe het was om met Lester Young, Miles Davis en John Coltrane te spelen.

Voor hem was de ontdekking van jazz in de jaren negentig ‘een complete reset’. ‘Ik zat in een bandje, als gitarist, ik wilde popster worden. Het was de tijd van grunge, harde gitaarmuziek. Muziekkrant Oor schreef over onze band: ‘Het klinkt alsof er een wasmachine van de trap afdondert.’ Alles was kut in die scene, iedereen stonk, je hoorde elkaar te haten. En toen ging ik in een café in Leiden werken, op de vaste jazzavond. Na een paar weken was er een complete ommezwaai, ik vond het geweldig met die jonge jazzmuzikanten. Die opgewekte sfeer. Ik ging boeken lezen, alsof dat erbij hoorde. Jazz is van: je maakt er iets van. Dat is nooit meer anders geweest, ook als levenshouding. Je moet de verwarring ervaren. Een verkeerde noot bestaat niet, dat is een nieuw begin.’

Van der Wielen loopt door nachtelijk Parijs, nog nadampend van drie jamsessies, zomaar op een maandagavond. Uren eerder, nog in bistro Benoit, nippend van een Côte du Roussillon Villages, was hij zo in de ban geraakt van zijn eigen zelfrelativering dat hij zichzelf terugbracht tot ‘saai’. Wat stelde zijn leven nou helemaal voor! Niet op safari, niet aan het oorlogsfront geweest. Misschien ‘een paar gesprekjes’ die de moeite waard waren, als belangrijkste trofee. ‘Ik heb ooit voor mijn verjaardag therapiesessies gekregen. Maar na een paar keer ben ik niet meer gegaan. Ik had medelijden met die therapeut, vanwege mijn afgezaagde verhalen.’

Nu op weg naar het geparfumeerde onderkomen in Hotel Caron de Beaumarchais benadrukt hij nogmaals hoe elke dag in dienst staat van ‘het grote niks’. ‘What the fuck hebben we vandaag eigenlijk gedaan? Beetje om je heen kijken. Meer niet. Ik zou willen dat het anders is, maar ik ga de wereld niet redden.’

Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next