Het Amerikaanse Hooggerechtshof zette vrijdag een streep door het grootste deel van Trumps wereldwijde handelstarieven. De president reageerde direct met een nieuw, tijdelijk invoertarief van 10 procent. Wat betekent dat in de praktijk? Hoeveel geld staat er op het spel? En wat zegt de uitspraak over de grenzen van zijn macht?
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Wat heeft het Hooggerechtshof precies beslist en hoe reageerde Trump?
Met zes tegen drie stemmen verklaarde het Hooggerechtshof het merendeel van de handelstarieven die president Trump vorig jaar invoerde ongeldig. Volgens de rechters bood de noodwet uit 1977 waarop hij zich beriep daarvoor geen wettelijke basis. Die wet geeft de president ruime bevoegdheden in noodsituaties, maar reikt volgens het hof niet zo ver dat hij op eigen gezag vrijwel alle handelspartners kan belasten met invoertarieven.
Als het Congres de president zo’n ingrijpend machtsmiddel had willen toekennen, dan had dat expliciet in de wet moeten staan, stelde opperrechter John G. Roberts Jr. in zijn 21 pagina’s tellende uitspraak.
Trump liet het er niet bij zitten. Nog dezelfde dag kondigde hij – foeterend op de rechters die tegen hem hadden gestemd – een nieuw, tijdelijk invoertarief van 10 procent aan op vrijwel alle buitenlandse goederen. Ditmaal grijpt hij naar artikel 122 van de Trade Act uit 1974, een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige betalingsbalansproblemen voor maximaal 150 dagen heffingen tot 15 procent in te voeren. Via die route probeert hij zijn handelsagenda overeind te houden.
Betekent de uitspraak dat Washington geld moet terugbetalen?
Doordat het Hooggerechtshof de wettelijke basis onder een groot deel van Trumps tarieven heeft weggeslagen, komt een enorme som aan geïnde invoerrechten op losse schroeven te staan. Sinds begin vorig jaar is naar schatting meer dan 175 miljard dollar aan heffingen geïnd onder de inmiddels ongeldig verklaarde noodbevoegdheid. Dat blijkt uit berekeningen van het Penn-Wharton Budget Model, een onafhankelijke onderzoeksgroep van de University of Pennsylvania die de begrotingseffecten van federaal beleid analyseert.
Dat geld is formeel betaald door importeurs, bedrijven die goederen de Verenigde Staten binnenbrengen en heffingen afdragen aan de douane. In veel gevallen hebben zij die extra kosten waarschijnlijk deels doorberekend aan consumenten in de vorm van hogere prijzen.
Als de federale overheid verplicht wordt het grootste deel van deze inkomsten terug te betalen, raakt dat de begroting direct. Een bedrag van 175 miljard dollar komt neer op ongeveer een vijfde van het jaarlijkse Amerikaanse defensiebudget.
Hoe zou die terugbetaling in zijn werk gaan?
Het Hooggerechtshof heeft niet bepaald hoe een eventuele restitutie moet worden georganiseerd. De zaak is terugverwezen naar lagere rechters, waaronder het gespecialiseerde U.S. Court of International Trade, die moeten uitwerken op welke wijze importeurs aanspraak kunnen maken op compensatie.
In de regel betekent dit geen automatische terugstorting van de eerder betaalde tarieven. Importeurs zullen vermoedelijk per zending of per aangifte een claim moeten indienen. De federale overheid kan bovendien bepleiten dat niet alle betalingen automatisch onder de uitspraak vallen, wat tot aanvullende procedures kan leiden. Trump zei zelf al dat eventuele terugbetalingen ‘jaren’ kunnen duren.
Voor consumenten ligt het juridisch anders. Zij hebben de heffingen niet rechtstreeks betaald, maar indirect via hogere prijzen. In de huidige opzet van het handelsrecht maken zij doorgaans geen directe aanspraak op restitutie.
Wat wil Trump bereiken met het nieuwe invoertarief van 10 procent?
Volgens het Witte Huis is het nieuwe tarief bedoeld om een ‘fundamenteel internationaal betalingsprobleem’ aan te pakken. De Verenigde Staten hebben al jaren een tekort op de lopende rekening. Het land importeert meer goederen en diensten dan het exporteert, waardoor per saldo dollars naar het buitenland wegvloeien.
Het nieuwe invoertarief moet die uitstroom van dollars afremmen en de productie op eigen bodem stimuleren. Door buitenlandse goederen duurder te maken, hoopt de regering dat Amerikaanse bedrijven meer in eigen land produceren en dat consumenten vaker binnenlandse producten kopen.
Uit de meest recente cijfers over Amerikaanse internationale transacties blijkt dat het tekort op de lopende rekening in het derde kwartaal van 2025 ongeveer 226 miljard dollar bedroeg, zo’n 2,9 procent van het bruto binnenlands product. Dat is aanzienlijk, maar niet uitzonderlijk in historisch perspectief. De Verenigde Staten kennen al decennia structurele tekorten zonder dat sprake is van een acute betalingsbalanscrisis.
Wat betekent de uitspraak van het hof voor Trumps presidentschap?
De beslissing van het Hooggerechtshof is in de kern een constitutionele correctie. Daarmee wordt de handelspolitiek nadrukkelijker teruggeplaatst binnen het domein van de wetgever.
Politiek is de uitspraak pijnlijk voor Trump, niet alleen vanwege de inhoud, maar ook omdat twee door hem benoemde rechters zich tegen zijn interpretatie keerden. Dat onderstreept dat zelfs een overwegend conservatief hof niet automatisch meegaat in een ‘expansieve’ lezing van de uitvoerende macht zoals Trump die hanteert.
Tegelijk is het te vroeg om te spreken van een bredere koerswijziging in de verhouding tussen het Witte Huis en het hof. In andere kwesties, zoals zijn pogingen om leidinggevenden van toezichthoudende instanties te vervangen, kreeg hij juist een ontvankelijker gehoor.
Trump zal voor verlenging van zijn nieuwe, tijdelijke tariefmaatregel steun van het Congres nodig hebben. Dat kan Republikeinse Congresleden dwingen zich expliciet uit te spreken over importheffingen in aanloop naar de tussentijdse verkiezingen van 2026. Peilingen (uitgevoerd vóór de uitspraak) laten zien dat een meerderheid van de Amerikanen tarieven als schadelijk voor de economie beschouwt en vindt dat de presidentiële bevoegdheid op dit punt begrensd moet worden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant