Met het ‘liefdeloos neerplempen van schoenendozen’ los je de wooncrisis niet op, meent architect Tjeerd Haccou. Maar door samen te bouwen met je toekomstige buren bepaal je zelf hoe je woont, bespaar je kosten en ontstaat er een hechte gemeenschap.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Met CrowdBuilding wil ik een bijdrage leveren aan een meer evenwichtige samenleving waarin mensen begrip voor elkaar hebben en voor elkaar zorgen. Daarvoor heb je gemeenschappen nodig. Met collectieve bewonersprojecten ontstaan die vanzelf. Als je met een aantal huishoudens een woningbouwproject volbrengt, vorm je daarna met elkaar een buurt waarin mensen voor elkaar klaarstaan. Bovendien leert de ervaring dat mensen bij dit soort projecten voor duurzame oplossingen kiezen, meer dan een gewone projectontwikkelaar zou doen. , Duurzaamheid en betaalbaarheid zijn naast het sociale aspect kenmerkend voor collectieve bewonersprojecten.’
Architect Tjeerd Haccou wil met zijn digitale platform CrowdBuilding de ‘collectieve zelfbouwbeweging’ vooruithelpen – eerst in Nederland, daarna de rest van Europa. Dat eerste lukt aardig, want ongeveer elfduizend potentiële bewoners hebben zich in het eerste anderhalf jaar van het bestaan al bij CrowdBuilding aangemeld. Zij kunnen op het platform hun ideeën over wonen kwijt en zich bij initiatieven aansluiten. De vraag naar bouwlocaties van die groepen ontmoet op het platform het aanbod aan bouwgrond van gemeenten en provincies, zo is de grondgedachte. De Rijksoverheid, vier provincies en een tiental gemeenten zijn actief bij het platform betrokken, en ook woningcorporaties en projectontwikkelaars tonen interesse.
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Rijk zullen Haccou en zijn medeoprichters er niet van worden: CrowdBuilding, dat uit een team van vijftien mensen bestaat, is ‘steward-owned’. Dat betekent dat eventuele winsten weer in het bedrijf worden geïnvesteerd. ‘We willen niet dat commerciële belangen onze missie van duurzaam en sociaal wonen dwarsbomen.’
Dat de 47-jarige Haccou op dit pad terechtgekomen is, voert hij terug op zijn studietijd in Delft, waarin ‘diverse zaadjes’ zijn geplant. Van de Amerikaanse activist Jane Jacobs (1916-2006) las hij destijds het beroemde boek The Death and Life of American Cities uit 1961, waarin ze zich keert tegen het ‘vanuit ivoren torens plannen maken’. In Jacobs’ ogen moeten ideeën over wonen komen van ‘kleinschalige gemeenschappen waarin iedereen voor elkaar zorgt’.
Tijdens een studiejaar aan een universiteit in het Amerikaanse Pennsylvania kreeg Haccou vrienden uit diverse landen. ‘Ik voelde me daar welkom, vermoedelijk meer dan een buitenlander die zijn weg moet zien te vinden in Nederland met zijn gesloten vriendengroepen. Die tijd leerde me dat de kracht van een gemeenschap in haar diversiteit schuilt. Je moet niet alleen gelijkgestemden bij elkaar brengen, dan wordt het een bubbel.’
Na zijn afstuderen kwam hij terecht bij het architectenbureau One Architecture, dat zich bezighoudt met zowel futuristische vergezichten (‘Hoe moet de Randstad er in 2040 uitzien, dat soort superinteressante vragen’) als met probleemwijken. De toen 29-jarige Haccou werd in 2007 op Gouda-Oost afgestuurd, een ‘onveilige wijk waar de politie de controle kwijt was en waar buschauffeurs door hangjongeren werden bedreigd. Dat leidde tot grote krantenkoppen in De Telegraaf en een oproep van PVV-leider Geert Wilders om het leger in te zetten.’
Wat trof u ter plekke aan?
‘Toen ik in mijn autootje bij het buurtcentrum aankwam, stond het daar vol met hangjongeren. Dat was wel een spannend moment. Iemand van de woningcorporatie, die onze opdrachtgever was, loodste me snel naar binnen. Door met bewoners te gaan praten, vaders en moeders van die Turkse en Marokkaanse jongeren, hoorde ik waar het op veiligheidsgebied in de wijk misging. Dat zat in simpele dingen. De woningcorporatie vond het bijvoorbeeld te duur om een intercom voor de portiekflats aan te leggen. Daardoor was de toegang tot de galerijen gewoon open en werden er voortdurend spullen gestolen.
‘De gesprekken met de bewoners, die de gemeente en de woningcorporatie niet hadden gevoerd, gaven me veel inzichten. Op basis daarvan maakten we een maquette voor een ander wijkontwerp. Bewoners konden daar weer hun mening over geven. Er valt een wereld te winnen wanneer je naar mensen luistert en ze zeggenschap over hun woonomgeving geeft.
‘Het leerde me ook dat je als architect nederig moet kunnen zijn. Die nederigheid staat haaks op de houding van de starchitects, de iconische figuren met grote ego’s, zoals Frank Gehry, Rem Koolhaas of Peter Eisenman (ontwerper van het Holocaustmonument in Berlijn, red.). Die laatste ben ik een keer op een studiereis in New York tegengekomen. Een andere student vroeg hem iets over zonnepanelen. ‘I don’t give a fuck about sustainability’, luidde zijn antwoord. Dat is me altijd bijgebleven. Zo’n man gaat het uitsluitend om zijn persoonlijke handtekening op het gebouw, duurzaamheid interesseerde hem geen bal. Dat is niet de manier waarop ik mijn vak wil uitoefenen.’
In 2009 begint u, midden in de kredietcrisis, samen met twee partners het bureau Space&Matter. Architecten gingen destijds bij bosjes failliet, dus jullie timing was op zijn minst opmerkelijk.
‘We werden destijds inderdaad door heel wat mensen voor gek versleten. Maar we waren nog jong, ik was nog geen vader. Bovendien hadden we een prijsvraag van de provincie Noord-Holland gewonnen voor vijfhonderd drijvende, autarkische woningen in de Wijdewormer. Dat leverde 50 duizend euro op, een bedrag waarmee we het zeker een jaar dachten te kunnen uitzingen. We wilden ons toeleggen op gebouwen met een positieve impact op mensen en op de planeet. Een paar jaar eerder had Al Gore grote indruk gemaakt met zijn documentaire An Inconvenient Truth. Daardoor ontstond een beweging naar circulariteit, naar cradle-to-cradle. Dat leidde tot nogal lelijke ontwerpen, wij wilden duurzame gebouwen maken die ook mooi waren.’
Hoe kwam u op het spoor van collectieve bewonersprojecten?
‘Waar we vrij snel achter kwamen, is dat je als architect in de hiërarchie onderaan staat. Voor beleggers en projectontwikkelaars vorm je het sluitstuk. Je bent, zoals een ontwikkelaar eens denigrerend tegen ons zei, degene die de bakstenen mag uitzoeken. Maar wij wilden bij projecten zelf aan het stuur zitten, omdat we dan onze ambitie om de wereld mooier te maken, zouden kunnen waarmaken. We hadden het geluk dat we in 2009, na een presentatie van ons Wijdewormer-project, Marjan de Blok tegenkwamen. Zij vertelde over Schoonschip, haar duurzame woonbotenproject in Amsterdam-Noord. Dat leidde tot een samenwerking, met de toekomstige bewoners zijn we gaan ontwerpen. Dat heeft geleid tot een van de meest duurzame drijvende woonwijken van Europa, met op dertig woonarken 46 huishoudens. In 2020 is het uiteindelijk afgerond.
‘In al die jaren dat we ermee bezig waren, bleef Schoonschip onder de radar. Er waren wel steeds meer mensen die ervan hadden gehoord. Er ontstond zelfs een wachtlijst met duizend namen. Maar je kon de website alleen vinden wanneer je van het project afwist. Dat gold overigens voor de meeste, door gemeenschappen gedreven projecten. We bedachten: als je deze beweging groot wilt maken, moeten projecten online goed zichtbaar worden en heb je dus een soort Funda nodig: een verzamelplek waar je als geïnteresseerde alles kunt vinden over afzonderlijke projecten, maar ook kennis over de aanpak kunt opdoen.’
Er was ook scherpe kritiek. Duurzame projecten zouden leiden tot ‘ecogentrification’, omdat alleen welgestelde bewoners eraan zouden kunnen meedoen.
‘Ja, in Amsterdam-Noord kregen Schoonschip en de zelfbouwwijk waarin ik woon, veel kritiek van mensen uit Noord. Die noemden de Schoonschip-woningen ‘drijvende villa’s’ en onze straat de ‘kastelenbuurt’. De actiegroep Verdedig Noord liet een scherp anti-gentrificatiegeluid horen. In eerste instantie was mijn reactie: ‘Maar wij proberen toch met duurzame projecten juist het goede te doen!’ De mensen met zelfbouwwoningen waren ook beslist niet superrijk. Wel waren ze ondernemend, zoals een pianobouwer, een meubelmaker, noem maar op. Maar goed, het waren wel overwegend theoretisch opgeleide personen uit de middenklasse, die 10- tot 15 duizend euro spaargeld meebrachten. Dat kan natuurlijk niet iedereen.
‘Dat werd me vooral duidelijk toen we een bijeenkomst met de mensen van Verdedig Noord organiseerden. We wilden met ze in gesprek en ze betrekken bij een project van 350 woningen dat in de buurt op stapel stond. We kwamen samen in het buurtcentrum. Daar ging het eerst over een pak rijst dat iemand over had en of iemand anders dat wilde hebben. Een andere wereld. Zij zeiden tegen ons: jullie zijn met zonnepanelen bezig, wij hebben moeite onze kinderen een ontbijt te geven, dus die zonnepanelen zijn nooit iets voor ons. Daar hadden ze wel een punt.’
Ziet u manieren om die werelden toch bij elkaar te brengen?
‘Zeker, er zijn nu ook collectieve initiatieven die dat doen. In Amsterdam-West bestaat de Bundel, een grote wooncoöperatie waarvan de initiatiefnemers weliswaar theoretisch zijn opgeleid, maar die bewust zeggen: ‘We zijn gesloten voor mensen zoals wij, nu moeten er anderen bij.’ Wat daar ook mooi is, is dat je een ‘solidaire’ huur betaalt: de hoogte hangt af van je inkomen. Op financieel vlak zijn er diverse manieren om minder draagkrachtigen tegemoet te komen. Om de aanloopkosten te dekken zou je kunnen werken met een plankostenfonds, waarvan iedere deelnemer kan lenen. Als je later je hypotheek krijgt, betaal je de lening terug. Dan wordt het voor veel meer mensen betaalbaar.’
Is collectieve zelfbouw vooral een manier om projectontwikkelaars de pas af te snijden?
‘Zo zie ik het niet. We moeten in dit land de huizencrisis met elkaar aanpakken. Bewonersinitiatieven en projecten van commerciële ontwikkelaars hebben allebei bestaansrecht. Soms is het goed met de professionaliteit van een ontwikkelaar te werken. Op zijn beurt kan hij energie krijgen van het enthousiasme van een bewonersgemeenschap.’
Hoe kijkt u aan tegen de plannen van het nieuwe kabinet over woningbouw?
‘Het is positief dat het nieuwe kabinet in woningbouw wil investeren en de regeldruk wil verlagen. Maar het is jammer dat er niets meer over is van de zeggenschap van woningzoekenden bij woonplannen, waar D66 in zijn programma nog wel voor had gepleit. Het top-downdenken domineert, met de Rijksoverheid die plekken aanwijst en ontwikkelaars die bouwen, terwijl de bewoner alleen maar consument is. Ik zou graag zien dat er ruimte komt voor collectieve woonvormen, door bijvoorbeeld 10 tot 20 procent daarvoor aan te wijzen op de dertig grote bouwlocaties die nu zijn bedacht. Daar zou je bewonersgroepen bij moeten betrekken. Dan bouw je niet alleen huizen, maar ook sterke gemeenschappen.’
Waar hoopt u over een jaar of vijf à tien te staan?
‘Ik hoop dat we dan in een Europa leven waarin gemeenschappen belangrijker zijn dan nu, waarin mensen daardoor meer voor elkaar zorgen en we een meer gebalanceerde samenleving hebben. Ik hoop dat CrowdBuilding daaraan kan bijdragen als het Europese platform voor collectieve zelfbouw. Een eerste stap op die weg is dat we in Nederland de plek worden voor alle gemeenten en voor honderdduizenden mensen die het liefst in een duurzame en sociaal sterke buurt wonen.’
Boektip: Death and Life of Great American Cities van Jane Jacobs
‘Deze Amerikaanse activist liet op basis van haar concrete ervaringen op straat zien waarom diversiteit, nabijheid en informele ontmoetingen essentieel zijn voor levendige buurten. Haar boek is een klassieker, omdat het een originele visie bevat op hoe je naar je leefomgeving kunt kijken. Voor mij is het een bron van inspiratie.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant